Bromtoestellen der Diptera, 574. [498]

Bronchi, zie Longpijpen.

Bronstijd, 43, 373;
waarom zoo genoemd, 43.

Brown, over een Spanjaard met zes vingers, 105.

Bruta, orde der —, 290.

Bucconidae, II 174.

Buchanan White, over geluidgevende vlinders 608.

Büchner (Dr. L.), over Darwin’s godsdienstige denkbeelden, 9;
over den fossielen mensch, 44;
over mieren, 289;
over het geestelijk proces bij het hoogere dier, 220;
over de geestvermogens der dieren, 220.

Bucerotidae, II 95, 174.

Buffel, Indische —, II 259.

Buffel, Italiaansche —, zijn Afstamming, II 259.

Buideldieren, 318, 320, 420.

Buidelratten, 318, 320.

Bull-Frog”, II 36.

Bunsing, het fretje een albino van den gewonen —, II 147.

Burdach, over vrouwelijke borsten, 50.

Busk, de heer, onderzoekingen van — omtrent scheenbeenderen uit de grotten van Gibraltar, 49.

Bijen, taal der —, 160;
dooden of verjagen der mannelijke — in het najaar, 215.

Bijenvreters, zie Meropidae.

C.

Cadzowwoud, park in het —, II 258.

Caesar, over den Wisent en den Urus, II 256.

Cairina moschata, II 94.

Calcaire de la Beauce, bewerkte vuursteenen gevonden in het —, 294.

Calaveras county, schedel gevonden in —, 295.

Californië, oude sporen van den mensch in —, 37;
tertiaire menschenbeenderen in —, 295;
fossiele menschenschedel in — gevonden, 372;
steenen wapenen in —, 373.

Cambrische periode, 319.

Cameleon vulgaris, 35.

Canarische eilanden, oorspronkelijke bewoners der —, 44.

Cannstadt, mensch van —, 420;
ras van —, 318, 411.

Capelle, Dr. H. van, over de grenslijn tusschen het Aziatische en het Australische geologische gewest, 376.

Capitonidae, II 174.

Capra aegagrus, II 259.

Caprimulgidae, II 95.

Carbonnier, over vischnesten, II 34.

Carlet (Prof. G.), over het stemorgaan der cicaden, 572.

Carnac, Menhirs bij —, 385.

Carnivora, orde der —, 289.

Carpentier-Méricourt, over een man die een kind zoogde, 50.

Cartesius, zijn theorie omtrent de geestvermogens der dieren, 217.

Cartilagines Wrisbergianae bij de negers, 383.

Castratie, invloed der — op de ontwikkeling der horens, II 258.

Cataphractie, II 35.

Catarrhinae, kenmerken der —, 290.

Catoblepas Gnu, II 253.

Cavia Cobaya, II 362.

Cazalis de Foudouce, over tertiaire bewerkte vuursteenen, 422.

Cebidae, 290, 291.

Cebrassa, over de sterfteverhouding der Joden en Europeanen in Algerië, 502.

Celebes, bewoond door Lemuriden, 294.

Centraal-Amerika, hiëroglyphen van —, 409.

Centropus, II 174.

Centropristis hepatus, 310.

Cephalochorda, 302.

Cephalodiscus, 302.

Cephalopoden, klasse der —, 528;
seksueele kenmerken bij de —, 529.

Cephalopus mergens, II 253.

Certhiadae, II 95.

Certhiola, II 174.

Cervus alces, II 249. [499]

Cetacea, 290.

Chaetophora, 528.

Chamant, beenderen uit de dolmen van —, 49.

Chamberlain, R. H., over de Japansche Aino’s, 377.

Champneys, over overtallige zogklieren, 104.

Characeae, 501.

Characiniden, II 35.

Charaxes jasius, muskusgeur van —, 609.

Chartly, park van —, wilde runderen in het —, II 250.

Chasmorhynchus, II 95.

Chauliodus, 35.

Chauvin, Mej. de, brengt embryo’s van Salamandra atra buiten het moederlichaam tot volkomen ontwikkeling, 312.

Chelles, periode van —, 423;
ras van —, 318.

Chelonia, geluid van —, 608.

Chevreuil, over een steenperiode in China, 262.

Chiapas, verschillende kleur der seksen op de bouwvallen van —, II 377.

Chillingham castle, wilde runderen in het park van —, II 251.

Chimpanzee, 318, 320;
afbeelding der hersenen van den — door Schroeder van der Kolk en Vrolik, 39;
woonplaats van den —, 41, 294;
— den mensch hoe langer hoe meer ongelijk naarmate hij meer tot den volwassen toestand nadert, 45;
gemiddelde schedelinhoud van den —, 108.

China, steenperiode in —, 262;
oudheid der geschiedenis van —, 406.

Chinees, het schoonheidsgevoel van een — wijkt van het onze af, 611.

Chineesche vrouwen, misvormde voeten der —, II 335.

Chineesche en Engelsche taal, bewijzen voor de moeilijkheid van een eerste algemeene taal, 167.

Chineezen, 381;
gemiddelde schedelinhoud der —, 107.

Chironectus pictus, II 34.

Chlamydera maculata, lusthoven der —, 160.

Choak-kama, 40.

Chorda dorsalis, 149.

Chordata, 301.

Chrysotis festiva, invloed van het voedsel op de kleuren van, II 93.

Chudrinsky, over ingewanden van menschen, 384.

Cicaden, gezang der —, 571;
Grieksche sage over het ontstaan der —, 571;
stemorganen der —, 572.

Cicindela campestris, geur van —, 610.

Cicindela hybrida, geur van —, 610.

Circassiërs, 379.

Civetkat, zie Viverra civetta.

Clamatores, II 95.

Clark, Hamlet, over de Saüba van Rio de Janeiro, 289.

Climacteris, II 174.

Cloaca, 42;
voorkomen van een — bij een vrouw, 106.

Cobitis fossilis, II 35.

Cobitis taenia, II 35.

Coelenterata, een onderrijk, geen klasse, 528.

Coelenteraten, voorouders der gewervelde dieren, 300.

Coelomzakken, vergelijkbaar met de darmuitstulpingen der Nemertinen, 300.

Coenolithische tijdvak, 320.

Cohen Jr., M. M., over bruiloftsgebruiken in Drenthe, II 376.

Colle del Vento, sporen van den tertiairen mensch te —, 295.

Colisa, nest van —, II 34.

Colobus, 318.

Colopteridae, II 95.

Compensatie van groei, 42.

Conger, 309.

Conscriptie, invloed der — op een menschenras, 100.

Continentale eilanden, waardoor zij zich kenmerken, 42.

Cope, Prof., over Anaptomorphus homunculus, 296.

Copepoden, orde der—, 528.

Coraciadae, II 95.

Coronel, Dr. S., over het verschil [500]der levens-verhoudingen tusschen Joden en Christenen, 503.

Corpora Wolffiana, 34.

Corpus callosum, ontbreekt soms in de hersenen van den mensch, 106;
gemis van — bij de Lyencephala, 289.

Corpuscula tactus der apen, 41.

Correlatie, wat men onder — verstaat, 37;
— van homotype deelen, 37;
— tusschen haar, huid en oogen bij den mensch, 38;
— tusschen de lengte van het hoofd en die der ledematen, 38;
verband tusschen — en sympathetische aandoeningen, 312.

Corvidae, II 95.

Corvina dentex, II 35.

Corvina ocellata, II 35.

Corvina ronchus, II 35.

Cotingidae, II 88.

Cottus scorpius, II 35;
knorrend geluid bij —, II 35.

Coturnix, II 215.

Craniota, 313.

Cretins, 320.

Cro-Magnon, schedel van —, 388.

Cromlech, 385.

Crossopterygii, 317.

Crustaceeën, de Raderdieren met de — vereenigd, 528.

Cryptogamae, 501.

Ctenophora, 528.

Cunningham, over de ruggegraat bij menschen en apen, II 106;
over geluidgevende vlinders, 608.

Cursores, 501.

Cuvier, zijn meening omtrent het maaksel der hersenen van de apen, 39.

Cyclostomen, 314, 316.

Cygnus nigricollis, II 224.

Cynocephalus Mormon, 150.

Cynocephalus leucophaeus, 150.

Cynocephalus porcarius, verwondt zijn oppasser, 40.

Cyprinoidei, II 35.

Cyprinus barbus, II 35.

Cyprinus phoxinus, 513.

Cyprinus tinca, II 35.

Cypselidae, 95.

Czechen, 382.

D.

Dactylopterus, II 35;
volitans, II 35;
orientalis, II 35.

Daghestaners, 379.

Dal-ripa”, 510.

Dansen bij de mannetjes van verschillende dieren, 529.

Dareste, C., zijn proeven tot kunstmatige vorming van anomalieën en monstruositeiten, II 396.

Darmkanaal, 42.

Darmuitstulping bij Balanoglossus, 301.

Darmlarve, 316.

Darren, verkeerdelijk hommels genoemd, 217.

Darwin, Ch., over de „Afstamming van den Mensch”, 1;
over het spiritisme, 235;
over de eenheid van het menschelijk geslacht, 404;
zijn verklaring van de kunstmatige misvorming der voeten bij de Chineesche vrouwen, II 348;
bouwstoffen tot de zegepraal der leer van — door tegenstanders geleverd, 574.

Darwin, F., over de „Afstamming van den Mensch”, 2.

Deilephila elpenor, lengte der wrijfplaat enz. bij —, 608.

Dekhan-volken, 379.

Delaunay, Abt, nasporingen van den — omtrent den tertiairen mensch, 295.

Delaunay, Dr., statistische beschouwingen over schedels, 109.

Delaware-vallei, steenen werktuigen uit de —, 408.

Demogeronten bij Cicaden vergeleken, 571.

Dendriten, 44.

Denemarken, verhouding der mannelijke en vrouwelijke geboorten in —, 504.

Deniker, J., over steatopygie van vrouwen, 378.

Denise, vulkaan van —, fossiele menschenbeenderen in de lava van den —, 295. [501]

Denise, mensch van —, 420.

Descartes, over de pijnappelklier, 34.

Desmans, zie Myogale.

Desnoyers, insnijdingen op fossiele beenderen gevonden door —, 295.

Devonische periode, 319.

Diastema tusschen de tanden bij sommige menschenrassen, 109.

Dicotyledones, 218.

Dicotyledones Polypetalae, 218.

Didelphyus, 320.

Didus, 501.

Diemensland, Van, bastaarden op —, 376.

Dienstplichtigheid, invloed der — op een menschenras, 100.

Dieren, vorschachtige —, zie Batrachii.

Dierlijke voorouders van den mensch, 318.

Diertypen, elders verdwenen — in de zuidspitsen der vastelanden, 419.

Digger-Indiaan, 372.

Dikhuidige Dieren, zie Pachydermata.

Diluviale Dieren, afbeeldingen van — door tijdgenooten vervaardigd, 36.

Diluviale tijdvak, 372.

Diluvium, 320;
vuursteenen wapenen gevonden in het —, 36;
bewijzen van het bestaan van den mensch gedurende het —, 36, 294;
gedurende het — leefde de mensch reeds tegelijk met uitgestorven diersoorten, 37.

Dinotherium, beenderen van — in de sables de l’Orléanais, 295.

Dinornis giganteus, beenderen van —, 262.

Diodon, II 35.

Dionychopus niveus Mén., 609.

Dipneusta, 313, 317, 319.

Diptera, stemorganen der — door seksueele teeltkeus ontstaan, 574;
geluiden van —, 570.

Dircenna, 570.

Discomedusae, 528.

Discoplacentalia, 318;
gezamenlijke voorouders van de —, 318.

Dohrn, Dr., over de afstamming der gewervelde dieren, 299.

Dolmen, 385;
werktuigen in de — gevonden, 385;
— door de Khasia’s gebouwd, 386.

Dolmens, van Chamant en Maintenon, beenderen uit de —, 49;
volk der —, woonplaatsen van het —, 386.

Deksie’s, II 34.

Dolichocephaal, alle volken van Afrika en evenzoo de chimpanzee en de gorilla —, 294.

Dongola, bewoners van —, 379.

Dongoleezen, 607, II 381.

Dönitz, over het stemorgaan van Dionychopus niveus Mén., 609.

Doodshoofd-uil, piepend geluid van den —, 607.

Doodshoofd-vlinder, stem van den —, 607.

Doofstommen, 320;
overerving opgemerkt bij de spreekorganen van —, 159.

Doorschijnendheid der wangen, door seksueele teeltkeus verkregen, 529.

Doran, over overtallige zogklieren, 104.

Doras, II 25;
maculatus, II 35.

Dorn, Dr. E., over „Wolfskinder”, 221.

Dowler, over den ouderdom van een menschenschedel, 372.

Dravida-ras, 379, 380.

Dravida’s, 381;
wijken niet terug voor de blanken, 387.

Drenthe, overmaat der mannelijke geboorten in —, 508;
getalsverhouding der levenloos geborenen in —, 508;
der wettig en onwettig geboren jongens en meisjes in —, 509;
getalsverhouding der seksen in —, 506;
der mannelijke en vrouwelijke geboorten in —, 508;
oorkonden van Keizer Otto den Groote omtrent de jacht in —, II 257;
bruiloftsgebruiken in —, II 376.

Dril, 150.

Droomen, een bron van godsdienstige denkbeelden, 163.

Dryopithecus, 416. [502]

Dryopithecus Fontani, niet nader met den mensch verwant dan de thans levende anthropomorphen, 296.

Dufossé, over de geluiden van visschen, II 36.

Duif, een verstandige —, II 147.

Duiker, II 259.

Duim, der apen, 231.

Duitsche wetten en jachtberichten, oude — over den Wisent en den Urus, II 257.

Duitschers, 382;
gemiddelde schedelinhoud der —, 107.

Dupont, Edouard, over de onderkaak van la Naulette, 47.

Dürer, Albrecht, schilderij van —, 372.

Dwergstammen, lange haren bij —, 43.

E.

Echidna, 318.

Echinodermata, een onderrijk, geen klasse, 528.

Edentata, 290, 420, II 259.

Edwards, Milne, over de placenta der Lemuriden, 292.

Eeltplekken der apen, 291.

Eend, Muskus —, II 94.

Eenden, wilde, II 34.

Eenhoevige Dieren, 290.

Eekhoorntje, aschgrauw —, zie Sciurus cinereus;
zwart—, zie Sciurus niger.

Eguisheim, schedel van —, 44, 388.

Egypte, klimaat van — onveranderd gebleven, 389;
schedels uit —, 108.

Egyptenaren, oude, 379;
oude —, rastype der — van Philae af tot Ghizeh toe op alle monumenten de zelfde, 371;
of de seksen bij de oude — al dan niet verschillend gekleurd waren? II 377;
uit het Noorden gekomen —, 413.

Egyptische Koningsgraven, II 348.

Egyptische monumenten, menschenrassen afgebeeld op —, 372;
de seksen op de — verschillend gekleurd, II 377.

Egyptische rijk, oudheid van het —, 400.

Ei, het gekliefde —, 315.

Eigenschappen die niet op materiëelen grondslag rusten, 219.

Eilanden, Canarische —, oorspronkelijke bewoners der —, 44.

Eilanden, oceanische en continentale —, 42.

Eilanden, koraal-, 42.

Eindplaten, verbreede — bij het wijfje van Argonauta, 529.

Eisig, over de afstamming der gewervelde dieren, 299.

Eland, zie Cerves alces.

Eleotragus arundinaceus, II 259.

Elephas antiquus, 423.

Elephas meridionalis, mededeelingen van C. Vogt, over het gelijktijdig leven van den mensch en —, 295.

Elephas primigenius, 110, II 259.

Ellepijpen uit de grot van Eyzies, 49.

Emailvisschen, 317.

Embryo, corpora Wolffiana of primordiaalnieren van het —, 34;
misvormingen ten gevolge van stilstand in de ontwikkeling van het —, 38;
— van Salamandra atra en Hylodes martinicensis bij de voorouders dier soorten larve, II 223.

Embryo’s der gewervelde dieren, 149.

Embryonale ontwikkeling van de apen en van den mensch, 293.

Emery, over de nevenoogen der Scolepiden, 35.