Nieuw-Malthusianisme, II 396.

Nieuw-Zeeland, steenen werktuigen op — gevonden, 266.

Noem Hotep, muurschildering in het graf van —, 371.

Nonville, de hoeveelheid maïs in vier dorpen der Seneca’s verbrand, 261.

Noord-Brabant, overmaat der mannelijke geboorten in —, 508;
getalsverhouding der seksen in —, 506;
der mannelijke en vrouwelijke geboorten in —, 598;
getalsverhouding der levend en levenloos aangegevenen in —, 508;
der wettig en onwettig geboren jongens en meisjes in —, 509.

Noord-Holland, overmaat der mannelijke geboorten in —, 508;
getalsverhouding der seksen in —, 506;
der mannelijke en vrouwelijke geboorten in —, 508;
getalsverhouding der levend en levenloos aangegevenen in —, 508;
der wettig en onwettig geboren jongens en meisjes in —, 509.

Noordland, II 348.

Noordpoolstreken, vroeger grootendeels land en het oorspronkelijk vaderland van den mensch, 417.

Noorwegen, verhouding der geboorten in —, 504. [518]

Norfolk, de gemengde bevolking van het eiland —, 377.

Nubiër, afgebeeld op een Egyptisch monument, 372.

Nubiërs, 379, 381;
— wijken niet terug voor de blanken, 387.

Nubische ras, 379, 380.

Nymphae der Hottentotsche vrouwen, 377.

O.

Oblata melanura, 310.

Oceanische eilanden, waardoor zij zich kenmerken, 42.

Odontornithes, 297.

Oeramnioten, 317, 319.

Oecodoma cephalotes, 289.

Oerdarmdieren, 315, 319.

Oerdieren, 319.

Oer-Germanen, 382.

Oermenschen, 318, 381.

Oer-ringwormen, 300.

Oer-Thraciërs, 382.

Oervisschen, 317, 319.

Olifantachtige Dieren, 290;
— op de ruïnen van Palenqué afgebeeld, 262;
beenderen van — in de sables de l’Orléanais, 295.

Olifanten, witte —, II 147.

Ombervisschen, II 35.

Ondatra, zie Fiber zibethicus.

Onderkaak, van la Naulette, 44, 47;
— van Arcy, 47;
— van Moulin Quignon, 36;
menschelijke — uit het Schipkahol, 48.

Onderrijken en klassen, 528.

Onderwijs, verplicht en kosteloos — een krachtig palliatief tot leniging der sociale ellende, 396.

Ontboezemingen, 156.

Ontwikkeling, stilstand in de —, 38;
bewijs voor de trapsgewijze — van sommige dieren, 151;
stilstand in de — en misvormingen die daarvan het gevolg zijn, 38;
— van het individu een verkorte herhaling van die der soort, bewezen door de Amphibieën, II 223.

Ontwikkelingsphasen van den menschelijken typus, 293.

Onvolledig ontwikkelde deelen, 33.

Oogen, correlatie tusschen de kleur der — en die van huid en haar, 38.

Ooglid, derde —, 43.

Oorspronkelijke menschen, 381.

Oostenrijk, verhouding der seksen bij wettige en onwettige geboorten in —, 505;
verhouding der geboorten in —, 504.

Oosterlingen, 379.

Oost-Pruisen, verhouding der seksen bij wettige en onwettige geboorten in —, 505.

Operculum, beteekenis van het woord —, 303.

Opeischer, de — en zijn rol bij de bruiloft in Drenthe, II 376.

Ophidium barbatum, 310.

Orang-Oetan, 318, 320;
afbeelding der hersenen van den — door Schroeder van der Kolk en Vrolik, 39;
waarnemingen van A. R. Wallace omtrent een jongen —, 40;
hersenen van den — en van den mensch, 293;
woonplaats van den —, 41, 294;
gemiddelde schedelinhoud van den —, 108.

Oreotragus saltatrix, 259.

Organen, rudimentaire —, 33;
— van Rosenmüller, 34;
homotype —, 33.

Organische lichamen door synthese gevormd, 314.

Ornithorhynchus, 290; spoor van —, II 258.

Orthragoriscus, II 35.

Orycteropus capensis, II 259.

Oryx gazella, II 259.

Oscines, II 95.

Os-kikvorsch, II 36.

Osphronemus olfax, II 34.

Ostiaken, 376.

Otaheiters en Engelschen, de bevolking van het eiland Pitcairn bestaat uit bastaarden tusschen —, 377.

Otis, 501.

Otolithus regalis, II 35.

Oude Britten, 382.

Oudheid van het menschelijk geslacht, 295.

Oudheid van den mensch, praehistorische — bewezen, 401.

Oud-Pruisen, 382. [519]

Oud-Saksen, 382.

Ouistiti’s en Rolapen, hoofd der — en van den mensch, 293.

Overbevolking bij de bijen, 215.

Overgangszintuigen, 35.

Overtallige tepels, 38;
— in de okselholte, de lies en den rug, 38.

Overtallige vingers en toonen, 38.

Overtallige zogklieren, 104.

Overzicht, Systematisch — der twaalf menschensoorten, 380.

Overijsel, overmaat der mannelijke geboorten in —, 508;
getalsverhouding der seksen in —, 506;
der mannelijke en vrouwelijke geboorten in —, 508;
der levend en levenloos aangegevenen in —, 506;
der wettig en onwettig geboren jongens en meisjes in —, 509.

Owen, Prof. R., over de verdeeling der zoogdieren, 290;
over de hersenen van den mensch en de apen, 39.

Oxystomus, 528.

P.

Paarden, merkwaardige trekken uit het leven van —, 150.

Pachydermata, II 304.

Pacochoerus aethiopicus, II 259.

Paedogenesis, 312.

Pagellus erythrinus, 300;
mormyrus, 310.

Paintel, over het geweten bij wilden, 260.

Palaeolithische tijdvak, 319;
oudste volksverhuizingen in het —, 400;
— periode, 44.

Palaeotheria, 290.

Palenqué, ruïnen van —, 262.

Pangenen, 314.

Pansfluit, 229.

Panter, zwarte —, II 147.

Pape, over het bewaren der Cicaden in Spanje, 571.

Papegaai die de taal van een uitgestorven Indianenstam sprak, 227.

Papegaaien, II 174;
hun geestvermogens, II 152 v.v.

Papeiti, scherpe reukzin van een bewoner van —, 102.

Papilio Machaon, venkelgeur van —, 609.

Papoearas, 379, 380.

Papoea’s, 318, 381;
inhoud van den schedel der —, 107;
haar der —, 370;
grenslijn tusschen — en Maleiers, 375;
uitsterven der —, 387;
familietrek tusschen de — en de Hottentotten, 387;
— wijken terug voor de blanken, 387;
metopisme bij de —, 109;
familietaal bij de —, 175.

Paradisiadae, II 95.

Paradijsvogels, zie Paradisiadae.

Parahyba, tunnel onder de — door mieren gegraven.

Parallelcirkels, verhuizing in de richting der — niet de oorspronkelijke, 409.

Parasitisme, 298.

Pardalotus, II 174.

Paridae, II 95, 174.

Parken, omheind, opdat de wilde runderen er zouden kunnen blijven voortleven, 258.

Parker, over het dooden van bastaarden in Australië, 377.

Parijs, verhouding der seksen bij wettige en onwettige geboorten te —, 505.

Parijsche kerkhoven en schedels, 108.

Parijzenaars, uit armengraven, gemiddelde schedelinhoud der —, 107;
uit de 12de eeuw, gemiddelde schedelinhoud der —, 107;
uit eigen graven der 19de eeuw, gemiddelde schedelinhoud der —, 107;
uit de 19de eeuw, gemiddelde schedelinhoud der —, 107.

Pasgeborenen, hersengewicht van —, 156.

Pasteur, zijn proeven over generatio spontanea, 314.

Pediculati, II 35.

Pelagische Fauna der Glasdieren, 528. [520]

Pélisson, over den smaak eener spin voor muziek, 529.

Percidae, 310.

Perez, J., over geluiden van insekten, 570.

Périgord, oude grotbewoners van —, 44.

Periode, palaeolithische —, 44;
neolithische —, 44.

Perioden, geologische — van de organische geschiedenis der aarde, 319.

Perissodactyla, 290.

Permische periode, 319.

Peronaeus longus, 44.

Peruanen, gemiddelde schedelinhoud der oude —, 407;
landbouw der — tijdens de ontdekking van Amerika, 261.

Peschel, over de verscheidenheid van talen in Amerika, 175.

Petromyzontes, 349.

Peul, 379.

Peulvruchten, familie der —, 218.

Pfeiffer, Mevr., over den scherpen reuk der wilden, 102.

Pfitsner, W., over den kleinen teen bij den mensch, 34.

Phaëton, II 224.

Phalangista vulpina, II 304.

Phanerogamae, 501.

Phascolomys fossor, II 304.

Phasianus Revesii, II 173.

Philae, monumenten van —, 371.

Phyllirhoë, 528.

Phyllirhoïdae, familie der —, 528.

Picardt, over de wijze waarop de Hunebedden gebouwd zijn, 386.

Picidae, II 174.

Picti, aldus door de Romeinen genoemd, daar zij zich beschilderden, II 348.

Pisangvreters, zie Musophagidae.

Pisces, 343.

Pisleiders, 42.

Pitcairn, de gemengde bevolking van het eiland —, 377.

Planten, twee zaadlobbige —, 218.

Planula, 315.

Planulaten, 315, 319.

Plasmogenie, 314.

Platduitschers, 382.

Plato, over de Cicaden, 571;
over de oudheid van het Egyptische volk, 400.

Platvoeten, 41.

Platvisschen, plaatsverandering van hun oog, 299.

Platwormen, 299.

Platyonychus ocellatus, 529.

Platyrrhinae, ondergroepen der —, 290.

Pleistocene vorming, bestaan van den mensch gedurende de —, 294.

Pleyte, Dr. W., over de Ta-Mehu, II 348.

Plinius, over den Wisent en den Urus, II 256;
beweert, dat de leeuw meer mannen dan vrouwen aanbrult, 40.

Pliocene periode, 293, 320.

Pliopithecus, 416.

Ploceus, 151.

Poehl, 379.

Poelar, 379.

Pogonias chromis, II 35.

Pogonias fasciatus, II 35.

Polen, 382.

Polydactylisme, zie Overtallige vingers en toonen.

Polygordius, 299.

Polymastie, 104.

Polynesiërs, 381;
inhoud van den schedel der —, 107;
landverhuizingen der —, 409.

Polyglottonische menschensoorten, 380.

Polypirum cernicum, 310.

Polyptera, 319.

Polytilie, 104.

Polyzoa, 302.

Pommeren, verhouding der mannelijke en vrouwelijke geboorten in —, 504;
verhouding der seksen bij wettige en onwettige geboorten in —, 505.

Pontianak, rivier — op Borneo, geluidgevende visschen in de —, II 36.

Poollanden, plaats waar de eerste planten en dieren en de meeste nieuwe soorten ontstonden, 419. [521]

Poolmenschen, 381.

Poolras, 379, 380.

Poolstreken, voormalig warm klimaat der —, 413.

Poreus babyrussa, II 259.

Portugal, verhouding der geboorten in —, 504;
tertiaire vuursteenen en flora van —, 421;
vuursteenen werktuigen in —, 295.

Porus branchialis, 303.

Posen, verhouding der seksen bij wettige en onwettige geboorten in —, 505.

Post-Pliocene tijdvak, 44;
vuursteenen en beitels gevonden in lagen, behoorende tot het —, 36;
bestaan van den mensch, gedurende het —, 36.

Pouancé, Miocene lagen van —, 295.

Pouchet, over den nestbouw van de zwaluw, 151.

Priëelvogels, 160.

Prestwich, Joseph, hij bevestigt de opgaven van Boucher de Perthes omtrent vuursteenen wapenen, gevonden in het diluvium der Somme-vallei, 36.

Primaire tijdvak, 319.

Primaten, Linnaeus over de —, 42.

Primordiaalnieren, 34.

Primordiale tijdvak, 319.

Pristipoma coro, II 35.

Pristipoma crocro, II 35.

Pristipoma guoraca, II 35.

Pristipoma Jubelini, II 35.

Processen, intermitteerende —, 312.

Prochordonia, 316.

Promammaliën, 317, 319.

Proreptiliën, 317.

Prosimiae, 318, 320.

Protamnia, 320.

Protamoeba, 314.

Protanthropi, 381.

Prothorax, uitsteeksels op den — der Membraciden, 573.

Proteles Lalandii, II 304.

Proteus anguineus, 317, 319, II 223.

Protogenes, 314.

Protoplasma, 243.

Protopterus, 317, 319.

Protozoa, een onderrijk, geen klasse —, 528.

Pruisen, jaarlijksche toeneming der Joden in —, 502;
sterfteverhouding der Joodsche en niet-Joodsche bevolking in —, 502;
verhouding der seksen bij wettige en onwettige geboorten in —, 505;
verhouding der mannelijke en vrouwelijke geboorten in —, 504.

Pruner-Bey, twijfel van — omtrent de onderkaak van la Naulette, 47.

Psittaci, II 174.

Pteropoden, klasse der —, 528.

Pteropus, II 304.

Ptilorhynchus holosericeus, 160.

Q.

Quadrumana, orde der —, 289.

Quaestie, sociale — onoplosbaar, II 396.

Qualitatief, verschil in de geestvermogens van den mensch en de dieren niet —, 217.

Quantitatief, verschil in de geestvermogens van den mensch en de dieren —, 217.

Quartaire tijdvak, 320;
— schommelingen van den bodem van Europa in het —, 402.

Quatrefages, over de plaats van den mensch, 218;
over de eenheid van het menschelijk geslacht, 404;
over het oudste Europeesche ras, 411;
over overeenstemming van schedels, 374.

Queensland, het dooden van bastaarden in —, 377.

R.

Rabow, over smaakzin der insekten, 102.

Rackelhoen, zie Tetrao medius.

Raderdieren, 528.

Ramsay, over reukgewaarwordingen, 103.

Rano mugeens, II 36.

Ras, het zelfde — komt soms in verschillende [522]vastelanden voor, 386.

Rat, verdringen van de zwarte door de bruine —, 151.

Ratelus, II 304.

Rauber, Prof., over „woudmenschen”, 221.

Reclus, Elisée, over de huwelijken der Goajiren, 99.

Reduplicatie van deelen, 38.

Reeve’s fazant, II 173.

Regenboogvisch, nest van den —, II 34.

Regenboogvlies, zie Iris.

Regentvogel, 160.

Regiones hypochondriacae, II 345.

Reimarus, over de driften der dieren, 220.

Religiositeit, een kenmerk van den mensch, 217.

Remen-Kemi, II 348.

Rendiertijdperk, 44.

Reptilia, 313, 317.

Reuk, oneindig fijner dan de smaak, 101;
verschilt zeer al naar het individu en de sekse, 103;
zeer weinig ontwikkeld bij den mensch in vergelijking bij vele dieren, 103.

Reukzin, 101;
scherpte van den — bij wilden, 102;
voorbeelden van scherpte van den — bij Europeanen, 102, 103.

Reuzeneland, zie Megaceros hibernicus.

Rhabdogale, II 304.

Rhamphastidae, II 174.