Rhamses III, paleis van —, 371.

Rhegium, Cicaden in —, 571.

Rhinoceros leptorhinus, beenderen van —, 295.

Rhinoceros tichorhinus, lijken van — in Siberië gevonden, 110;
haren van —, 110.

Ribben, onderling homoloog, 33.

Ribbetjes, op de vingers der apen, 40;
op de palpen der Sphingidae, 608.

Ribkwallen, 528.

Ricord, over een hoogst merkwaardig geval van atavisme bij een vrouw, 106.

Rietbok, II 259.

Rigollot, Dr., bevestigt de opgaven van Boucher de Perthes, omtrent vuursteenen wapenen, gevonden in het diluvium der Somme-vallei, 36.

Ringueberg, E. N. S., over een bijgeloovigen hond, 161.

Ringwormen, 528;
afstamming der gewervelde dieren van —, 298, 299.

Rivierpaard, zie Hippopotamus amphibius.

Robenhausen, periode van —, 429;
paaldorpen te —, 401.

Robinson, over bastaarden in Australië, 377.

Rodentia, 290.

Roestvogels, zie Insessores.

Rolleston, Prof., zijn onderzoekingen omtrent de hersenen der apen, 39.

Romanen, 382.

Romanes, Prof. G. J., over geluidgevende vlinders, 608;
bewijzen voor de theorie van Darwin, 51.

Romeinen, dweepten niet met het gezang der Cicaden, 572.

Rondmuilen, 313.

Roodhuiden, invloed der kunstmatige teeltkeus bij de —, 99;
uit een koud land afkomstig, 411.

Rosenmüller, lichaam of organen van —, 34.

Rotatoria, 528.

Rotterdam, lezingen van Carl Vogt te —, 295;
overmaat van vrouwen te —, 506.

Royer, Mme. Clémence, over het godsdienstig gevoel bij dieren, 161;
over het zoogen der jongen door het mannetje bij de voorouders van den mensch, 321.

Rückhard, Rabl., over zeehagedissen uit de liasformatie, 35.

Rudimentaire organen, 33.

Rudimenten, 33.

Ruggegraat bij vele menschenrassen niet zoo goed ontwikkeld als bij vele Europeanen, 107.

Ruggestreng, van den slakprik, 149.

Ruysch, over een Sceleton polydactylum, 105. [523]

Ruminantia, II 304.

Rund, der voorwereld, II 256.

Rund, het tamme, zie Bos Taurus.

Runderen, wilde, II 257.

Rusland, verhouding der geboorten in —, 504.

Russen, 382.

Rijk, gronden om den mensch als een afzonderlijk — van de dieren te scheiden, 217, 218.

Rijn-Beieren, jaarlijksche toeneming der Joden in —, 502.

Rijnprovincie, verhouding der geboorten in de —, 504;
verhouding der seksen bij wettige en onwettige geboorten in de —, 505.

S.

Sabelsprinkhaan, van Borneo en Java, 573.

Sabelsprinkhanen, vrijage der —, 573.

Sablonières de St. Prest, beenderen gevonden in de —, 295.

Saccharine, niet door vliegen aangeraakt, 102.

Sachlan (Mc), over geluidgevende vlinders, 608.

Sagitta, 528.

Saksen, 382.

Saksen, verhouding der geboorten in —, 504;
verhouding der seksen bij wettige en onwettige geboorten in —, 505.

Salamanders, 317.

Salamandra atra, II 223.

Salamandra punctata, zie Salamander.

Salamandrina, 319.

Salamandrinen, 317.

Salisburia japonica, 415.

Salle hypostyle, van den tempel van Karnak, 371.

Samojeden, 376, 381.

Sandifort, zijn meening omtrent het maaksel van de hersenen der apen, 39.

Saporta, Markies de, over het oorspronkelijk vaderland van den mensch enz., 294, 400.

Sappey, over de lengte der ingewanden, 384.

Sargus annularis, 310;
Rondeletti, 310.

Satijnvogel, 160.

Saüba van Rio de Janeiro, 289.

Savoye, sporen van den tertiairen mensch in —, 295.

Sayce, A. H., over de oudheid van het Babylonische rijk, 406.

Scarabaeus, 371.

Scelerodermi, II 35.

Sceleton polydactylum, 105.

Schaaffhausen, Prof., over den Neanderdal-schedel, 45, 107.

Schaamlippen, der Hottentotsche vrouwen, 377.

Schaap, het gewone tamme — zonder horens, 502;
de horens meest ontbrekend bij de wijfjes, 502.

Schangalla, bewoners van —, 379.

Scharrelaars, zie Coraciadae.

Schasoe, afbeeldingen van — op Egyptische monumenten, 371.

Schedel, ontwikkeling van den — belemmert dikwijls die van staart en aangezicht, 42.

Schedeldieren, 313;
voorouders der gezamenlijke —, 316.

Schedelinhoud van microcephalen en kinderen, 156;
bij volwassen Europeanen, den Chimpanzee en den Gorilla, 156;
van den Neanderdal-mensch, 107;
van eenige menschenrassen, 107.

Schedellooze werveldieren, 313.

Schedelloozen, 316, 319.

Schedels, drie hoofdtypen van —, 103;
in Amerika gevonden type der fossiele menschen —, 372;
uit tertiaire lagen, 372.

Schedels van Engis, Gibraltar, Eyzies, Cro-Magnon, Furfooz, Borreby, 388.

Schedels van het Neanderdal en Eguisheim, 44,

Schedels uit den steentijd, 388.

Scheenbeenderen van vroegere menschenrassen, 49.

Schermkwallen, 528. [524]

Schildpadden, betrekkelijke grootte der seksen bij de —, II 36.

Schildvleugeligen, geur van sommige —, 610.

Schipkahol, menschelijke onderkaak uit het —, 48.

Schlegel (Prof. G.), over de oudheid der Chineesche beschaving en over den oorsprong der sterrenbeelden, 406.

Schlegel, Prof. H., over de horens van moeflons en schapen, 502.

Schmelzer, Dr., over het afscheiden van melk bij een man, 50.

Schmidt, over schedels in Egypte en Etrurië, 108;
over bastaarden in Australië, 376.

Schotten, oude, 382.

Schoolcraft, H. R., over het oorspronkelijk vaderland der Roodhuiden, II 344.

Schoonheid, der Goajiren door opzettelijke kunstmatige teeltkeus verkregen, 99;
— van de vrouwen der Goajiren, 99.

Schorpioenen, geluid door — voortgebracht, 530.

Schreeuwvogels, zie Clamatores.

Schroeder van der Kolk, zijn onderzoekingen omtrent de hersenen van den Chimpanzee en van den Orang, 39;
— en Vrolik, over de betrekking tusschen de apen en de menschen, 293.

Schubvleugeligen, geur van sommige —, 610;
geluiden der —, 570, 607.

Schijfkwallen, 528.

Sciaena aquila, II 35.

Sciaenoidei, II 35.

Sciurus cinereus, II 304.

Sciurus niger, II 304.

Sclater, over Lemuria, 293.

Scolecida, 528.

Scolepiden, bijzondere ontwikkeling der voorhoofdsklier bij —, 35.

Scomberoidei, II 35.

Score”, over de beteekenis van het Engelsche woord —, 206.

Scyllium, 307.

Secundaire tijdvak, 320.

Secundaire seksueele kenmerken, bij de Cephalopoda, 528;
bij de Homoptera, 573.

Sedigitus, Volcatius —, overtallige vingers van —, 105.

Segmentaalorganen, 299.

Segmentaaltrechters, 299.

Sekse, de oorzaken die bepalen tot welke — een kind zal behooren, 590.

Seksen, over de verhouding der — bij wettige en onwettige geboorten, 505;
getalsverhouding der — bij den mensch, 504.

Seksueele kenmerken, secundaire —, bij de Cephalopoda, 528;
bij de Homoptera, 573.

Seksueele teeltkeus, II 396;
— een der oorzaken van de moeilijke baring der blanke vrouwen, 100.

Selachiërs, 42, 314, 317, 319.

Selkirk, Alexander, verlies van het spraakvermogen bij —, 158.

Semieten, 379, 407;
afbeelding van — in de grot van Beni-Hassan, 371;
afbeeldingen van — op Egyptische monumenten, 371;
— afgebeeld in het graf van Seti-Menephtha, II 348.

Semnopithecus, 318.

Semper, Prof., over segmentaalorganen bij haaien, 299.

Seneca, over den Wisent en den Urus, II 256.

Seneca’s, maïs verbouwd door de —, 261.

Serranus cabrilla, hermaphrodiet, 309, 310.

Serranus hepatas, hermaphrodiet, 309.

Serranus Scriba, hermaphrodiet, 309, 310.

Servië, het aantal vrouwen neemt in verhouding tot de mannen jaarlijks toe, 503.

Seti I, 371.

Seti-Menephtha I, zijn graf, II 348.

Setigera, 528.

Siameezen, 381.

Siamang, skelet van den — en van den mensch, 293.

Siberië, lijken van den mammouth [525]en neushoorn in — gevonden, 110.

Siciliën, beide, verhouding der geboorten in de —, 504.

Siedhof, over stinkdieren, II 303.

Silezië, verhouding der seksen bij wettige en onwettige geboorten in —, 505.

Silurische periode, 319.

Siluroidei, II 35.

Siphonophoren, 528.

Sirenia, orde der —, 290.

Sitta, II 174.

Sitella, II 174.

Skandinaviërs, 382.

Sketchley, S. B., over steenen wapenen in Californië, 373.

Slaap, een intermitteerend proces, 312.

Slagader, arm—, hooge verdeeling van den —, 106.

Slankapen, 318, 320;
maag der —, 292.

Slakprik, 149, 313, 316, 319.

Slangen, beschermende kleuren der — in de woestijn, II 174.

Slangen, schitterende kleuren van — verklaard, II 36.

Slaven, 382.

Slavernij, degradeerende werking der —, 108.

Slavo-Germanen, 382.

Slavo-Letten, 382.

Sluikharige menschen, 381.

Slurp der Nemertinen homoloog met de hypophysis cerebri, 300.

Slurpscheede der Nemertinen homoloog met de chorda dorsalis, 300.

Slijkdorpen, der Egyptische Fellah’s, 151.

Slijmaal, 309.

Smaris alcedo, 310.

Smith, J., over den Chineeschen lantaarndrager, 572.

Snatervogels, zie Cotingidae.

Snaveldieren, 296, 318, 320, 420;
— een goed gevormd woord, 290.

Snees, verklaring van het woord —, 260.

Snellooper, II 259.

Snoek, II 36;
het voorkomen van hermaphrodiete voorwerpen bij den —, 309.

Snijders, Dr. A. J. C., over den oorsprong der menschelijke nijverheid, 373.

Sociale quaestie onoplosbaar, II 396.

Soemmerring’s fazant, staart van den —, II 173.

Solutré, periode van —, 427.

Somme-vallei, vuursteenen wapenen gevonden in het diluvium der —, 36.

Soorten, veranderlijke voortbrengselen der natuur, 1.

Sorben, 382.

Sörensen, over het ontstaan van het geluid van Balistes vetula, II 35;
over Zuid-Amerikaansche Siluroïden, II 35, 36;
over Characiniden, II 35.

Sorex araneus, II 304.

Sorex vulgaris, II 304.

Sozobranchia, 317.

Sozuren, 317.

Spaink, P. F., vertaalt Romanes’ bewijzen voor de theorie van Darwin, 51;
over dieren- en menschenziel, 220.

Spanje, bewaren der Cicaden in —, 571;
verhouding der mannelijke en vrouwelijke geboorten in —, 504.

Sparidae, 310.

Spatularia, 319.

Spechten, zie Picidae.

Spechtmeezen, II 174.

Spencer, over de pijnappelklier, 34;
over het derde oog bij Hatteria punctata, Iguana, Cameleon vulgaris en Lacerta agilis, 35.

Sphingidae, ribbetjes op de palpen van —, 608.

Sphinx convolvuli, 608.

Sphinx ligustri, 608.

Sphinx pinastri, 608.

Spieren, abnormaal ontwikkelde —, 37;
buigende en uitstrekkende — der toonen, 41.

Spietsbok, II 259.

Spina mentalis interna, 47.

Spinnen, gehoor en smaak voor muziek der —, 529. [526]

Spinners, zie Bombycidae.

Spiritisme, 235.

Spitsmuizen, muskusgeur der —, II 304.

Spontane afwijkingen, oorzaken der zoogenaamd —, II 396.

Spraak en taal, oorsprong der —, 164.

Spraakorganen, erfelijkheid in de —, opgemerkt bij doofstommen, 159.

Spreeuwen, zie Sturnidae.

Springbok, II 259.

Squalacei, 319.

Staand leger, invloed van een — op een volk, 100.

Staart der apen, 291.

Staartbeen, 34.

Staartharen, kunnen soms zeer lang worden, 50.

Stamboom, Häckel’s — van den mensch, 314, 318;
— van het Indo-Germaansche ras, volgens Häckel, 382;
— der Vertebrata, 308.

Stamzuigers, 319.

Stank, dieren die — van zich geven, II 303.

Staphylinus olens, geur van —, 610.

Steatopygisch, verklaring van het woord —, II 348.

Steatopygie, 378;
— der Hottentotsche en bosjesmannen-vrouwen, 378.

Steatornis garipensis, II 95.

Steenen werktuigen, tijdperk der geslepen —, 44.

Steenkool periode, 319.

Steenperiode, in China, 262;
— in Amerika, 262.

Steentijd, 37, 43;
menschelijke woning uit den — in Griekenland gevonden, 262.

Stem der Diptera, 478.

Stegocephala, 317, 319.

Stekeldier, 290.

Stembanden, bij den blanke horizontaal, bij den neger verticaal, 383.

Stemorgaan der vogels, II 95.

Stemorgaan der Cicaden, 572.

Stempel, ontbreekt bij de wieren, 501.

Stemspleet der vogels, II 95.

Stenops, 320.

Sterfte, in de eerste levensjaren grooter bij jongens dan bij meisjes, 503.

Sterfteverhouding, der Joodsche en niet-Joodsche bevolking in Pruisen, 502;
der Joden en Christenen te Frankfort, 502;
der Joden en Europeanen in Algerië, 502.

Sterne (Carus), over dieren- en menschenziel, 220.

Sterrenbeelden, van Chineeschen oorsprong, 406.

Steur, het voorkomen van hermaphrodiete voorwerpen bij den —, 309.

Stiedasche voorhoofdsklier, 34.

Stieg, verklaring van het woord —, 260.

Stigma, ontbreekt bij de wieren, 501.

Stillen Oceaan, wilden van de eilanden van den —, scherpe reukzin der —, 102.

Stilstand in de ontwikkeling, misvormingen ten gevolge van —, 28.

Stinkdassen, zie Midaus.

Stinkdieren, II 302.

Stonehenge, Cromlech te —, 385.

Story, Dr., over bastaarden op Van Diemensland, 376.

Strabo, over de Cicaden, 571.

Strottenhoofd der zoogdieren, II 95;
bovenste — der vogels, II 95;
onderste — der vogels, II 95;
verschillend maaksel van het — bij negers en bij blanken, II 332;
afbeeldingen van het — van blanken en negers, 383, 384.

Strottenhoofd met luchtzakken bij een mensch, II 302.

Structuur, homologe, 33.

Struisachtige vogels, 501.

Struthionidae, 501.

Stuifmeel, ontbreekt bij de wieren, 501.

Sturnidae, II 95, 174.

Sula, II 224.

Sumatra, bewoond door Lemuriden, 294. [527]

Sundanesiërs, 379, 381.

Sundeval, over het afvallen der horens bij gesneden rendieren, II 258.

Suriname, II 34.

Swinhoe, de heer, over Loopkwartels, II 223.

Swinton, over den doodshoofdvlinder, 607.

Sylviadae, II 95, 174.

Sympathetische aandoeningen, 312.

Synamoeben, 315, 319.