1 „Iris”, vol. III (new series), 1867, blz. 414. 

2 Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, 1865, vol. II, blz. 383. 

3 Aangehaald door den heer Gould, „Introduction to the Trochilidae”, 1861, blz. 29. 

4 Gould, ibid., blz. 52. 

5 W. Tompson, „Nat. Hist. of Ireland: Birds”, vol. II, 1850, blz. 327. 

6 Jerdon, „Birds of India”, 1863, vol II, blz. 96. 

7 Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol IV, 1852, blz. 177–181. 

8 Sir R. Schomburgk, in „Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. XIII, 1843, blz. 31. 

9Ornithological Biography”, vol I, blz. 191; omtrent pelikanen en snippen, zie vol. III, blz. 381, 477. 

10 Gould, „Handbook of Birds of Australia”, vol. I, blz. 395; vol. II, blz. 383. 

11 De heer Hewitt in het „Poultry Book” van Tegetmeier, 1866, blz. 137. 

12 Layard, „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIV, 1854, blz. 93. 

13 Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 574. 

14 Brehm, „Illustr. Thierleben”, 1867, Bd. IV, blz. 351. Eenige der voorgaande mededeelingen zijn ontleend aan L. Lloyd, „The Game Birds of Sweden”, enz., 1867, blz. 79. 

15 Jerdon, „Birds of India”, omtrent Ithaginis, vol. III, blz. 523; omtrent Galloperdix, blz. 541. 

16 Omtrent de Egyptische gans, zie Macgillivray, „British Birds”, vol. IV, blz. 639. Omtrent Plectropterus, „Livingstone’s Travels”, blz. 254. Omtrent Palamedea, Brehm’s „Thierleben”, Bd. IV, blz. 740. Zie ook omtrent dezen vogel Azara, „Voyages dans l’Amérique mérid.”, tome IV, 1809, blz. 179, 253. 

17 Zie omtrent onzen kievit den heer R. Garr in „Land and Water”, 8 Aug. [47]1868, blz. 46. Ten opzichte van Lobivanellus, zie Jerdon’s „Birds of India”, vol. III, blz. 647, en Gould’s „Handbook of Birds of Australia”, vol. II. blz. 220. Omtrent den Hoplopterus, zie den heer Allen in de „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 156. 

18 Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 492: vol. I, blz. 4–13. 

19 De heer Blyth, „Land and Water”, 1867, blz. 212. 

20 Richardson, over Tetrao umbellus, „Fauna Bor. Amer.: Birds”, 1831, blz. 843. L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 22, 79, over den grooten auerhaan en korhaan. Brehm verzekert echter („Thierleben” enz, Bd. IV, blz. 352), dat in Duitschland de korhennen gewoonlijk het balzen der korhanen niet bijwonen, maar dit is een uitzondering op den algemeenen regel; mogelijk liggen de hennen in het omliggende kreupelhout verborgen, zooals men weet, dat het geval is met de korhennen in Skandinavië en met andere soorten in N.-Amerika. 

21Ornithological Biography”, vol. II, blz. 275. 

22 Brehm, „Thierleben” enz., Bd. IV. 1867, blz. 990. Audubon, „Ornith. Biography” vol. II, blz. 492. 

23Land and Water”, 25 Juli, 1868, blz. 14. 

24 Audubon’s „Ornitholog. Biography”; omtrent Tetrao cupido, vol. II blz. 492; omtrent den spreeuw, vol. II, blz. 219. 

25Ornithological Biograph.”, vol. V, blz. 601. 

26 The Hon. Daines Barrington,Philosoph. Transact.”, 1773, blz. 252. 

27Ornithological Dictionary”, 1883, blz. 472. 

28Naturgeschichte der Stubenvögel”, 1840, blz. 4. De heer Harrison Weir schrijft mij eveneens: ——„Men heeft mij medegedeeld, dat de mannetjes die het best zingen, over het algemeen het eerst een gezellin krijgen, als zij op de zelfde plaats worden opgekweekt.” 

29Philosophical Transactions”, 1773, blz. 263. White’s „Natural History of Selborne”, vol. I, 1825, blz. 246. 

30Naturges. der Stubenvögel, 1840, blz. 252. 

31 De heer Bold, „Zoologist”, 1843–44, blz. 559. 

32 D. Barrington, „Phil. Transact.”, 1773, blz. 262. Bechstein, „Stubenvögel”, 1840, blz. 4. 

33 Dit is ook het geval met den waterspreeuw, zie den heer Hepburn in de „Zoologist”, 1845–1846, blz. 1028. 

34 L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 25. 

35 Barrington, ibid., blz. 264; Bechstein, ibid., blz. 5. 

36 Dureau de la Malle geeft een merkwaardig voorbeeld („Annales des Sc. Nat.”, 3ième série, Zoolog., tome X, blz. 118) van eenige wilde merels of zwarte lijsters in zijn tuin te Parijs, die zich zelven van een in een kooi opgesloten vogel een republikeinsch deuntje leerden. 

37 Bishop in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1496. 

38 Aangehaald in „Philosoph. Transactions”, 1773, blz. 362. 

39 Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz. 308–310. Zie ook den heer T. W. Wood in de „Student”, April, 1870, blz. 125. 

40 Zie opmerkingen hieromtrent in Gould’s „Introduction to the Trochilidae”, 1861, blz. 22. 

41The Sportsman and Naturalist in Canada”, door Majoor W. Ross King; 1886, blz. 144–146. De heer T. W. Wood geeft in de „Student” (April 1870, blz. 116) een uitnemend verhaal van de houding en de gewoonten van dezen vogel, gedurende den tijd, dat hij zijn hof maakt aan het wijfje. Hij getuigt, dat de vederbossen aan de ooren of nekvederen rechtop worden gezet, zoodat zij elkander over de kruin van den kop heên raken. 

42 Richardson, „Fauna Bor. Americana: Birds”, 1831, blz. 359. Audubon, ibid, vol. IV, blz. 507. 

43 De volgende verhandelingen zijn in de laatste jaren over dit onderwerp geschreven:—Prof. A. Newton in de „Ibis”, 1862, blz. 107; Dr. Cullen, ibid., 1865, blz. 145; de heer Flower in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 747; en Dr. Murrie in „Proc. Zool. Soc., 1868, blz. 471. In deze laatste verhandeling is een uitnemende afbeelding gegeven van het mannetje van de Australische trapgans, in volle pracht pronkende met uitgezetten zak. 

44 Bates, „The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 284; Wallace, in „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 206. Een nieuwe soort, met nog een grooter halsaanhangsel (C. penduliger) is voor korten tijd ontdekt, zie „Ibis”, vol. I, blz. 447. 

45 Bishop, in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1499. 

46 De lepelaar (Platalea) heeft een in den vorm van een 8 omgebogen luchtpijp, en toch is deze vogel (Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 763) stom; doch de heer Blyth meldt mij, dat de buigingen niet standvastig (constant) aanwezig zijn, zoodat zij tegenwoordig wellicht bezig zijn met te verdwijnen. 

47Elements of Comp. Anat.” door R. Wagner, Eng. vertaling, 1845, blz. 111. Omtrent het boven van de zwaan medegedeelde, Yarrell’s „Hist. of British Birds”, 2nd. edit., 1845, vol. III, blz. 193. 

48 C. L. Bonaparte, aangehaald in de „Naturalist Library: Birds”, vol. XIV, blz. 126. 

49 L. Lloyd, „The Game Birds of Sweden”, enz., 1867, blz. 22, 81. 

50 Jenner, „Philosoph. Transactions”, 1824, blz. 20. 

51 Zie omtrent de voorgaande onderscheidene feiten: over Paradijsvogels, Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 325. Over Boschhoenders, Richardson, „Fauna Bor. Americ.: Birds”, blz. 343 en 359; Majoor W. Ross King, „The Sportsman in Canada”, 1866, blz. 156; Audubon, „American Ornitholog. Biograph.”, vol. I, blz. 216. Over den Kalij-fazant, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 533. Over de Wevervogels, „Livingstone’s Expedition to the Zambesi”, 1865, blz. 425. Over Spechten, Macgillivray, „Hist. of British Birds”, vol. III, 1840, blz. 84, 88, 89 en 95. Over den Hop, den heer Swinhoe, in „Proc. Zoolog. Soc.”, 23 Juni, 1863. Over de Nachtzwaluw, Audubon, ibid., vol. II, blz. 155. De Engelsche Nachtzwaluw maakt in de lente gedurende haar snelle vlucht ook een merkwaardig geluid. 

52 Zie de belangwekkende verhandeling van den heer Meves in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1858, blz. 169. Omtrent de gewoonten van de snip, Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. IV, blz. 371. Omtrent de Amerikaansche snip, Kapitein Blakiston, „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 131. 

53 De heer Salvin in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1867, blz. 160. Ik ben aan deze uitmuntende vogelkenners veel dank verschuldigd wegens de toezending van schetsteekeningen van de vederen van Chamaepetes en wegens andere inlichtingen. 

54 Jerdon, „Birds of India”, vol. VI, blz. 118, 62. 

55 Gould, „Introduction to the Trochilidae”, 1861, blz. 49. Salvin, „Proc. Zoolog Soc.”, 1867, blz. 160. 

56 Sclater, in „Proc. Zool. Soc., 1860, blz. 90, en in „Ibis”, vol. IV, 1862, blz. 175. Ook Salvin, in „Ibis”, 1860, blz. 37. 

57The Nile Tributaries of Abyssinia”, 1867, blz. 203. 

58 Omtrent Tetrao phasianellus, zie Richardson, „Fauna Bor. America”, blz. 361, en voor verdere bijzonderheden Kapitein Blakiston, „Ibis”, 1863, blz. 125. Omtrent de Cathartes en Ardea, Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 51, en vol. III, blz. 89. Over de Grasmusch, Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. II, blz. 354. Over de Indische Trapgans, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 618. 

59 Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, blz. 444, 449, 455. Het priëel van den Satijnvogel kan altijd worden gezien in de tuinen van de Zoölogische Vereeniging, Regents Park. 

60 Zie opmerkingen hieromtrent in het stuk over „the Feeling of Beauty among Animals”, door den heer J. Shaw, in het „Atheneum”, 24 Nov. 1866, blz. 681. 

61 De heer Monteiro, „Ibis”, vol. IV, 1862, blz. 339. 

62Land and Water”, 1868, blz. 217. 

63Ueber die Schädelhöcker”, enz, „Niederländ. Archiv. f. Zoologie”, Bd. I, Heft 2, 1872. 

64 Jardine’s „Naturalist Library: Birds”, vol. XIV, blz. 166. 

65 Sclater, in de „Ibis” vol. VI, 1864, blz. 114. Livingstone, „Expedition to the Zambesi”, 1866, blz. 66. 

66 Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 620. 

67 Wallace, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.” vol. XX, 1857, blz. 416; en in zijn „Malay Archipelago”, vol. II, 1862, blz. 390. 

68 Zie mijn werk over „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel I, blz. 334. 

69 Aangehaald naar den heer de Lafresnaye, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol XIII, 1854, blz. 157; zie ook de veel uitvoeriger beschrijving van den heer Wallace, in vol. XX, 1857, blz. 412, en in zijn „Malay Archipelago.” 

70 Wallace „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 405. 

71 De heer Sclater, „Intellectual Observer”, Jan. 1867. „Waterton’s Wanderings”, blz. 118. Zie ook de belangwekkende verhandeling van den heer Salvin, met een plaat, in de „Ibis”, 1856, blz. 90. 

72Land and Water”, 1867, blz. 394. 

73 De heer D. G. Elliot in „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 589. 

74Nitzsch’s Pterylography”, uitgegeven door P. L. Sclater. Roy. Soc., 1867, blz. 14. 

75 Het bruin gevlekte zomergevederte van het sneeuwhoen is er als bescherming, van evenveel belang voor als het witte wintergevederte; want het is bekend, dat deze vogel in Skandinavië, gedurende de lente, als de sneeuw is verdwenen, zeer van roofvogels heeft te lijden, voor hij zijn zomerkleed heeft verkregen; zie Wilhelm von Wright, in Lloyd, „Game Birds of Sweden”, blz. 125. 

76 Zie, ten opzichte der bovengaande mededeelingen omtrent het ruien, omtrent snippen enz. Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol. IV, blz. 371; omtrent de Glareolae, wulpen en trapganzen, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz 615, 630, 683; omtrent Totanus, ibid., blz. 700; omtrent de siervederen van reigers, ibid., blz. 738, en Macgillivray, vol, IV, blz. 435 en 444, en den heer Stafford Allen in „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 33. 

77 Omtrent het ruien van het sneeuwhoen, zie Gould’s „Birds of Great-Britain.” Over de Honigvogels, Jerdon, „Birds of India”, vol. I, blz. 359, 365, 369. Over het ruien van Anthus, zie Blyth, in „Ibis”, 1867, blz. 32. 

78 Omtrent de bovengaande mededeelingen ten opzichte van gedeeltelijke ruiingen en over het behouden van het bruiloftskleed door oude mannetjes, zie Jerdon, omtrent trapganzen en Plevierachtige Vogels, in „Birds of India”, vol. III, blz. 617, 637, 709, 711. Ook Blyth in „Land and Water”, 1867, blz. 84. Over den Weduw-vogel, „Ibis”, vol. III, 1861, blz. 133. Over de Drongo-klauwieren, Jerdon, ibid., vol. I, blz. 435. Over de voorjaarsruiing van Herodias bubulcus, den heer S. S. Allen, in „Ibis”, 1863, blz. 33. Omtrent Gallus bankiva, Blyth, in „Ann. and Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1848, blz. 455; zie ook over dit onderwerp mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel I, blz. 273. 

79 Zie Macgillivray, „Hist. British Birds”, vol. V, blz. 34, 70 en 223, over het ruien der Eendachtige Vogels (Anatidae) met aanhalingen van Waterton en Montagu. Ook Yarrell, „Hist. of British Birds”, vol. III, blz. 243. 

80 Omtrent den pelikaan, zie Sclater, in Proc. Zool. Soc.”, 1868, blz. 265. Omtrent de Amerikaansche vinken, zie Audubon, „Ornith. Biography”, vol. I, blz. 174, 221, en Jerdon, „Birds of India”, vol. II, blz. 383. Over de Fringilla cannabina van Madera, den heer E. Vernon Harcourt, „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 230. 

81 Zie ook „Ornamental Poultry”, door den weleerw. heer E. S. Dixon, 1848, blz. 8. 

82Birds of India”, Introduct., vol. I, blz. XXIV: omtrent den pauw, vol. III, blz. 507. Zie Gould’s „Introduction to the Trochilidae”, 1861, blz. 15 en 111. 

83Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. X, 1840, blz. 236. 

84Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIII, 1854, blz. 157; ook Wallace, ibid., vol, XX, 1857, blz. 412, en „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 252. Ook Dr. Bennet, aangehaald door Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 326. 

85 De heer T. W. Wood heeft („The Student”, April 1870, blz. 115) een volledige verklaring van deze wijze van pronken gegeven, die hij de laterale of eenzijdige noemt, door den goudlakenschen fazant en door den Japanschen fazant, Ph. versicolor

86The Reign of Law”, 1867, blz. 203. 

87 Voor de beschrijving van deze vogels, zie Gould’s „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz. 417. 

88Birds of India”, vol. II, blz. 96. 

89 Omtrent den Cosmetornis, zie Livingstone’s „Expedition to the Zambesi”, 1865, blz. 66. Over den Argus-fazant, Jardine’s „Nat. Hist. Lib.: Birds”, vol. XIV, blz. 167. Omtrent Paradijsvogels, Lesson, aangehaald door Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 325. 

90 Tegetmeier, „The Poultry Book”, 1866, blz. 139. 

91 Ten minste volgens Brehm („Thierleben”, Deel IV, blz. 832); de muskusgeur dien de gieren in den paartijd verspreiden en die ook hun eieren doordringt, is bekend.