[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

Oswald Harringa.

De oudste zoon van den heer Albert Harringa was een zonderling; als zoodanig werd hij althans door zijn vrienden beschouwd en ook de huisgenooten tot zelfs zijn ouders behandelden Oswald steeds met een zekere terughoudendheid. Zijn zusters schenen zelfs eenige vrees te koesteren voor hun somberen broer, die zoo geheel verschilde van den levenslustigen Willy.

Want waar Willy altijd bereid werd gevonden met de zusjes uit te gaan, haar te begeleiden op feestjes en uitstapjes; en waar Willy’s heldere, gezonde lach en prettige, jonge stem zoo luidruchtig door de gangen en de ruime kamers van het groote huis kon daveren, daar hoorde men Oswald zich schier niet bewegen.

Hij deed alles geruischloos; hij liep zachtjes … als op fluweelen schoenen, zooals de keukenmeid placht te zeggen, die over Oswald nooit anders sprak dan over „de vleermuis”.

„De oudste jonge meneer,” zei ze dan. „ziet er net zoo grauw en zoo vaal uit, als zoo’n griezelig nachtgedierte en als ik hem tegenkom ben ik altijd bang.”

„Loop heen,” lachte de oude huisknecht, „meneer Oswald is wat eenzelvig, maar hij zal geen kind kwaad doen. Als je ’t mij vraagt, geloof ik, dat meneer niet al te bestig in orde is. Hij ziet er zoo minnetjes uit; zoo heel anders dan de andere kinderen van meneer en mevrouw. De jonge dames en meneer Willy hebben wangen als appels en oogen als sterren!”


Oswald Harringa was altijd een stil en ingetogen kind geweest. Zelden of nooit had hij meegedaan aan de luidruchtige spelen van zijn vriendjes en urenlang kon hij thuis in een hoekje zitten lezen, of, aanhoudend voor zich uitstarend, droomend suffen.

„Ga toch met de jongens naar het veld voetballen, of wordt lid van een tennis- of zwem- of roeivereeniging,” hadden zijne ouders hem aangeraden, toen hij, op zeventienjarigen leeftijd van een goede kostschool was thuisgekomen. [11]

Op aanraden van den dokter was Oswald op twaalfjarigen leeftijd naar kostschool gestuurd.

„De jongen moet maar den boer op, meneer Harringa,” had de geneesheer gevonden, „stuur hem maar naar een gezonde streek. De vrije natuur en de buitenlucht zullen hem goed doen.”

Zoo was de jongen vijf jaren van huis geweest. Alleen de vacanties bracht hij bij zijn ouders door. Steeds was Oswald stil gebleven en in zich zelf gekeerd en toen hij eindelijk voor goed thuis kwam had zijn moeder niet veel in gezelligheid aan haar zoon gewonnen.

Hij versmaadde alle pretjes; hij dacht er niet aan, zich aan te sluiten bij jongelui van zijn leeftijd en een groot gedeelte van den dag bracht hij op zijn kamer door.

Oswald had slechts één hartstocht: rooken.

Zijn ruime zitkamer op de tweede verdieping gelegen, was gansch en al doortrokken van een scherpe, doordringende lucht van een zeker soort sigaretten, die hem bij vele doozen tegelijk door een vriend uit Brussel werden gestuurd.

Geen der mannelijke huisgenooten was het mogelijk die sigaretten te rooken, zonder daarvan de nadeelige gevolgen te ondervinden: hoofdpijn, lichte duizeligheid, onpasselijkheid.

Als Oswald iets van een dergelijke uitwerking bespeurde bij zijn vader of zijn broer, trok een minachtend lachje om zijn smalle lippen, even haalde hij de schouders op, om het volgende oogenblik weer den brand te steken in een dergelijk vreemdsoortig rook-exemplaar en zwijgend in een hoek te gaan zitten, zonder deel te nemen of belang te stellen in de huiselijke conversatie.

„De vleermuis” noemde hem het bedienend personeel, omdat hij des avonds alleen het huis verliet en dan, meestal héél laat in den nacht terugkeerde.

En „de droomer” zeiden z’n zusters tegen hem, omdat hij op haar den indruk maakte van iemand, die den ganschen dag verkeert in een droomtoestand.

Maar noch van het een noch van het ander wenschte Oswald de minste notitie te nemen.

Hij zweeg, verliet de huiskamer en begaf zich naar zijn eigen zitvertrek.


Die zitkamer zag er vreemd en wonderlijk uit en was door den bewoner met de uiterste zorg, met bijna vrouwelijke netheid in orde gebracht.

Op den grond lagen een Perzisch tapijt en een viertal zachte ijsberenvellen, die hun machtige, grimmige koppen opstaken en onder de strak-starende oogen den grooten muil met de spitse hoektanden lieten zien.

Een lage, zeer breede divan was overdekt door een kostbare Oostersche lap in gloeiende kleuren en stond tegen een achtergrond, die werd gevormd door de huid van een Bengaalschen tijger.

Overal waren in de kamer draperieën en doeken gehangen van zeldzame stoffen en wondermooie kleuren. Overal stonden makkelijke zetels vol zwaarzijden en fluweelen kussens. Tegen den muur hingen wapens en olifantstanden, vleugels van uitheemsche vogels, waaiers van ivoor, honderden jaren oud.

Een groote schilderij boven den schoorsteenmantel, gevat in zwarte ebbenhouten lijst met gouden rand, stelde eenige Indische fakirs voor.

Een der mannen werd voorgesteld, terwijl hij bezig was met een vlijmscherp mes den duim van zijn rechterhand te splijten. Vermiljoenrood waren de bloeddroppels gekleurd, die neersijpelden op het witte kleed van een dier andere Indische bedelmonniken, die van aalmoezen leven en zich allerlei wreede lichaamskwellingen opleggen.

De meesten dier fakirs zijn onwetend, onbeschaafd, lui en vuil en, in weerwil van hunne bekende ondeugden, worden ze door het volk met eerbied bejegend, hoewel ze zelfs in sommige streken van Azië een hoogst verderfelijken invloed uitoefenen.

Oswald dacht aan de fakirs, die hij ook hier te lande wel eens had zien werken en die zoo bekend zijn door de buitengewone, zelfs onbeschrijfelijke behendigheid, waarmede zij allerlei goocheltoeren en schijnbaar bovennatuurlijke handelingen verrichten.

Dat was een zijner liefste bezigheden.

Zóó liggende op den divan, op te zien naar die bloederige schilderij.

Maar ook wel begaf hij zich, voordat hij zich uitstrekte op de rustbank, naar een boekenkastje, gesneden van ebbenhout, kunstig bewerkt en ingelegd met paarlmoer en steunende op vreemd gedraaide pooten, vervaardigd van olifantstanden.

Uit dat kastje haalde hij dan een der in marokijnleer gebonden boeken te voorschijn.

Het was een boek, waarvan de bladen van soepele zijde waren vervaardigd. Vreemde, grillige figuren stonden op den omslag boven de afbeelding van een opiumschuiver.

Oswald las, hoewel hij den inhoud, reeds honderden malen verslonden, uit zijn hoofd kende. [12]

Hij wist het zeer wel, dat het opium als geneesmiddel door bevoegden toegediend, in vele opzichten heilrijk werkt; het was hem bekend, dat door opium iemands gemoedsstemming kan worden verlevendigd; een gevoel van welbehagen kan intreden, de kwelling van zorg en smart gaat wijken.

Maar óók was het hem bekend, dat het onmatig gebruik van opium op den duur het lichaam sloopt en dat de opiumgebruikers, die gaan lijden aan longen en hart, aan maag en darmen, ook door hun uiterlijk kenbaar worden. „Immers”, las Oswald, „krijgt het gelaat iets perkament-achtigs; uit de oogen verdwijnt alle glans, alle flikkering gaat verloren. Ze schijnen in hunne holten geheel te zijn weggezonken, terwijl de wenkbrauwen kwijnender worden en een vaal geel het gansche gelaat bedekt. Ook de nieren worden aangedaan en vertoonen spoedig een ontsteking, die de aanleidende oorzaak wordt van waterzucht, opgezwollen, met water doortrokken voeten, beenen en buik.

„Den lijder, die reeds langen tijd klaagde over spanning op de borst en kortademigheid, wordt het ademhalen bijna onmogelijk, zoodat hij ieder oogenblik dreigt te stikken.”

Kleine zweetdroppels parelden op het voorhoofd van den jongen Harringa, toen hij verder las:

„Het bederf der vochten roept groote puisten, vuile, boosaardige zweren, kliergezwellen en knobbels te voorschijn.

„Intusschen is het lichaam vermagerd. Het vleesch is allengs verteerd, het vel hangt als een zak om het gebeente. Het aangezicht wordt lijkkleurig en zwart, de beenen raken ontbloot als hout en blokken. Dat ook de werkzaamheid der hersenen wordt aangedaan, spreekt vanzelf; het verstand wordt beneveld, de denkkracht vernietigd, het geheugen vermindert. Dit lijden kan jarenlang duren, totdat de betrokkene sterft, veelal aan een hartlijden.

„En ook op de moraliteit van den gebruiker werkt het opium vaak in hooge mate ongunstig. Menigeen is er door tot misdrijf vervallen ten einde zich de middelen te verschaffen om het gebruik van opium voort te zetten.

„Was men vóór het gebruik van opium moe, lusteloos, krachteloos, daarna is elk gevoel van moeheid en afmatting geweken. Doch dan wordt spoedig verslapping van kracht waargenomen, dan is de spierkracht blijkbaar verminderd, de geest werkt trager, en hieraan paart zich een hol gevoel in het hoofd, met neiging tot slapen.

„Een en ander schijnt het gevolg te zijn van den verlammenden invloed dien het opium uitoefent, waardoor, vooral bij veelvuldig gebruik, het zenuwstelsel sterk wordt aangegrepen.….….”


Oswald Harringa had de zijde bladen van het eigenaardige boek in elkaar gefrommeld.

Toen, met een geweldigen smak, wierp hij het boekdeel van zich af en de marokijnleeren band vloog met een harden klap tegen een klein, porseleinen afgodsbeeldje, dat op een onyxtafeltje te pronk stond en nu, met gebroken arm en hoofd, neerviel op het gladde tafelblad.


Oswald schrikte.


„Scherven op Vrijdagmorgen beteekent onheil”, fluisterde hij in fanatiek bijgeloof en zijn dunne, wasbleeke vingers tastten langs het klamme voorhoofd.

„Scherven op Vrijdag—verdoemd! Hoe kon ik ook zóó onvoorzichtig zijn en dat ongeluksboek zoo ruw wegsmijten!”

Hij richtte zich op met mat gebaar, legde den sterk geurenden sigaret op een zilveren aschbak, waarin de grillige figuren van een drakenkop waren gedreven, en liep naar het onyxtafeltje.

De scherven van het porseleinen afgodsbeeldje raapte hij bijeen en wierp ze in een uit Turksche kralen en haaientanden geregen prullemand. Daarna nam hij het boek van den vloer en begaf zich er opnieuw mee naar den divan.

Hij sloeg de zijden bladen open op de plek waar hij zooeven was opgehouden en las weer:

Papaver somniferum, slaapwekkende maankop.… sterk verdoovende kracht.… voortdurend gebruik bij Chineezen en Javanen zeer in zwang … ondermijnt, nòg erger dan de jenever, de krachten des levens.…”

Oswald rilde.

Toen haalde hij uit zijn borstzak een portefeuille van wit slangenleer te voorschijn. Hij opende het voorwerp en kreeg daaruit een zwaren brief, met violetkleurige inkt geschreven op kanariegeel papier.

De brief was, gestoken in een eenvoudigen witten envelop, geadresseerd aan: Oswald Harringa.

Niets bijzonders was op het adres te bespeuren. Alleen in den linkerbenedenhoek van deze envelop was een eigenaardige versiering aangebracht, een soort monogram.

En de aandachtige beschouwer, die meer dan [13]oppervlakkig de dingen wenschte te bekijken, had in die vlakversiering een aantal letters kunnen zien aangebracht. Hij had dan de volgende letters kunnen ontcijferen:

d-i-l-d-w-o-i-s.

Maar in den huize Harringa had niemand er nog ooit aan gedacht om zoo’n kleine versiering, aangebracht op een eenvoudige witte enveloppe, nader te gaan bestudeeren.

En zóó al iemand het in zijn hoofd mocht hebben gekregen om die letters te ontwarren, hij zou immers niets wijzer zijn geworden.

Wat zeiden hem die acht letters? d-i-l-d-w-o-i-s.

De gele brief, beschreven met violetkleurige inkt, bevatte slechts enkele regels schrift.

Ze luidden:

„Broeder!

Hedenavond elf uur! Hindoe-vrouw heeft de sleutels!

OPIOPHAAG.”

De jonge Harringa vouwde den brief weer dicht en borg hem in de portefeuille.

Hij stond op en fluisterde: „Wàt moet ik doen!”

Hij keek naar het boek: „beneveld verstand.… vermagerd lichaam.… verminderd geheugen.… puisten … zweren … kliergezwellen … en dan—sterven aan hartlijden.…..”

Een uur later werd op de deur van Oswald Harringa’s zitkamer geklopt.

„Binnen.”

De huisknecht trad in.

„Of meneer komt dineeren.”

„Neen, Egbert. Ik zal niet komen. Ik heb zware hoofdpijn.”

De oude man keek op.

„Als meneer eens wat minder rookte,” waagde hij te zeggen.

Oswald keek op.

„Zei je wat, Egbert? Wat minder rookte? Neen, neen, die paar sigaretten hinderen niet!”

De huisknecht ging heen om zijn mevrouw te gaan vertellen, dat de jonge meneer geen eetlust had en op zijn kamer wenschte te blijven.

En onderwijl bedacht de huisknecht, dat het toch niet alles moest zijn voor een vlijtig, werkzaam man als meneer Albert Harringa was, die den heelen dag nog arbeidde op zijn kantoor en nu weer voor zaken heelemaal naar Egypte moest, om een zoon „d’r op na te houen”, die niks uitvoerde. Die hoogstens eens een uurtje naar het kantoor van zijn vader ging maar daar óók al niemendal werkte. Dat had Albert wel eens gehoord, als meneer en mevrouw samen spraken over hun oudsten zoon, die zoo’n doelloos leven leidde en wiens gezondheid zoo zwak scheen, dat zijn ouders hem maar ontzagen.

Wat er nog eens van meneer Oswald terecht moest komen, dáár was de oude benieuwd naar.