[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

De Hindoe-vrouw.

De Munttoren had het negende avonduur verkondigd.

Uit Hotel de l’Europe traden twee elegant gekleede heeren naar buiten, die de brug naar het Sophiaplein overgingen en toen, bij het wachthuisje van de tram afscheid van elkaar namen.

„Bonsoir, Charly,” klonk de stem van den oudste hunner, „ik hoop, dat je den avond aangenaam zult doorbrengen!”

De jonge man, tegen wien deze woorden werden gesproken, drukte zijn vriend de hand en was een oogenblik later verdwenen in het drukke Kalverstraatgewoel.

De lange, slanke heer bleef nog even staan. Toen wandelde hij heel langzaam, nadat hij een sigaret had opgestoken, den Amstel langs.

Geen tien minuten later scheen hij het doel van zijn wandeling te hebben bereikt.

Hij begaf zich namelijk in een diepe, ruime portiek van een der heerenhuizen aan den Amstel gelegen. Het was het perceel, grenzende aan dat van den heer Harringa.

Ruim een kwartier had de heer, in wien wij reeds den Grooten Onbekende hebben gezien, staan wachten en reeds meende hij, dat zijn tocht dezen avond zonder eenig resultaat zou blijven, toen de zware eikenhouten voordeur in het huis van den suikerlord werd dichtgeslagen.

Luid dreunde de klap van het massieve hout op het koperen beslag door de avondstilte op deze eenzame gracht.

Even later zag Raffles, dat een magere figuur zich over de straat bewoog. En bij het schijnsel der straatlantaarn herkende hij den oudsten zoon van Albert Harringa.

Raffles liet Oswald Harringa een vijftig schreden vóór gaan.

Toen verliet hij den portiek en volgde de gedaante, die, een weinig voorovergebogen, voort liep langs den Amstel.

„Als ik nu maar eerst eens weet,” peinsde de Groote Onbekende, waar die zonderling zijn avonden doorbrengt en een groot gedeelte der nachten, dan zijn we al een heel eind verder.”

Oswald Harringa wandelde den Amstel af tot aan de Heerengracht. Hij beklom de hooge brug en sloeg toen linksaf de gracht op.

Langzaam volgde hem de Groote Onbekende. Hij gevoelde zich volkomen veilig, want Oswald had hem alleen gezien in zijn vermomming van dominee Bronsmand.

Vele grachten liep de jonge Harringa af, maar bij geen dier hooge, breede en deftig uitziende huizen bleef hij staan. Hij sloeg eindelijk een korte zijstraat in, die naar den Singel voerde, een straat, waar vroeger eveneens welgestelde lieden hadden gewoond.

Maar van deze straat waren de roemrijke dagen vervlogen en nu werden de huizen voor het grootste gedeelte gebruikt voor kantoren.

Het was een stille, rustige straat, hoewel zij toch naar een vrij druk punt van den Singel leidde.

Het huis, waarin de Groote Onbekende Oswald Harringa zag verdwijnen, was het laatste aan de linkerhand. Het was het eenige huis, dat niet voor kantoor werd gebruikt en de eerste gedachte van Raffles was, toen hij keek naar den grijzen muur en de witte lancastergordijnen, die voor de ramen hingen, dat hier de een of andere vergaderzaal was gevestigd.

Maar welke vereeniging hield hier hare bijeenkomsten?

Waarom kwam ze hier bijeen?

En hoe dikwijls?

De Groote Onbekende gevoelde en begreep maar àl te goed, dat het thans niet het aangegeven uur en de juiste gelegenheid was om dat alles te onderzoeken.

Hij haalde een klein, zwaar notitieboekje te voorschijn, schreef daarin den naam der straat en het nummer van het huis en wandelde langzaam terug langs de Heerengracht tot aan de Westermarkt.

Hier nam hij een taxi en daarmee liet hij zich naar de club brengen, waar Charly reeds aan de whisttafel had plaats genomen.

Even keek de jonge secretaris verbaasd, toen hij, [21]zóó gauw reeds, zijn vriend en meester zag verschijnen.

Maar Edward Lister nam zelfs niet de minste notitie van Brand. Hij begaf zich naar een der hoeken van het clublokaal, waar de goedige, dikke Richard Mollen een partijtje bridge speelde en veel domheden debiteerde.

En al heel spoedig liet ook John C. Raffles de kaarten door de gladde vingers glijden en hoorde men niets dan: „Harten troef, jonker Van Leeuwen speelt voor!.….. Da’s een mooi spel, jonker.…..”


Om vijf uur den volgenden middag stond Raffles weer voor het groote huis in de stille dwarsstraat tusschen Singel en Heerengracht.

Op zijn schellen werd de deur geopend door een vrouw van een bepaald Oostersch voorkomen.

Het was een klein, droevig uitziend wezen en Raffles, die op zijn reizen bijkans alle volksstammen en alle rassen met hun uiterlijk zoo verschillende eigenaardigheden en kenmerken had leeren kennen, zag terstond, dat dit een Hindoesche was.

Hij vroeg haar, welke vereeniging in dit gebouw haar vergaderingen hield en in gebroken Hollandsch met een sterk Engelsch accent antwoordde zij, dat het de vereniging was van de Indische droomers.

Maar verder kon Raffles niets uit haar krijgen.

„Het is beter,” sprak de kleine vrouw, dat gij eens terug komt, als mijn man thuis is.”

De Groote Onbekende, nu wetende, dat de conciërge van het huis afwezig was en begrijpende, dat de vrouw, zijn vragen allicht eerder zou beantwoorden dan haar man, vroeg thans in de Engelsche taal, of hij niet eens de vergaderzaal der vereeniging zou mogen zien.

Ook dit werd geweigerd.

Toen nam Raffles zijn toevlucht tot het eenige, wat hem in dezen nog overbleef!

„Als dat niet helpt, helpt niemendal!” dacht hij en hij haalde een vijftal gouden tientjes uit zijn vestzak te voorschijn.

De zwarte oogen der Hindoesche glinsterden van hebzucht, toen ze de gouden schijfjes zag liggen in de blanke hand van den vreemdeling, die haar moedertaal op zoo onberispelijke wijze sprak.

Nog echter aarzelde zij.

En wederom tastte Raffles in zijn zak en hij verdubbelde het aantal der gouden muntstukken.

Nòg gretiger keken de oogen der kleine vrouw.

Maar toen ook bezweek zij voor de verzoeking.

Met een enkele handbeweging en een bijna onmerkbaar hoofdknikje noodde zij den slanken bezoeker binnen te treden. En toen de grijze deur achter Raffles was dicht gevallen, stond hij in een klein voorportaal. Dat voorportaal leidde door een matglazen deur naar een vestibule, waar een dik wollig kleed lag, dat iederen voetstap dempte.

De muren waren behangen met zwart fluweel, een breede trap, waarvoor zware gordijnen hingen, voerde naar boven.

Bijna volslagen duisternis heerschte in deze vestibule. Een drukkende somberte overviel den Grooten Onbekende en de lucht, die hij inademde, was doordrongen van een vreemden, ziekelijken damp.

Geleid door de Hindoe-vrouw, kwam Raffles door een met gordijnen behangen deur in een groot vertrek, dat de diepte had van het gansche huis.

Het daglicht was hier totaal buitengesloten; het vertrek werd verlicht door een groote lamp, die in het midden van de zoldering afhing. Een kleinere lamp brandde in een der hoeken.

Purperkleurig was het fluweel, waarmede in deze kamer de muren en ook de zoldering waren bekleed. Een rijk Indisch kleed, waarin diep de voet wegzonk, lag op den vloer en de tafel, die in het midden van de kamer was geplaatst, was bedekt met een fluweelen kleed in dezelfde kleur als het muurbekleedsel.

Rijke rustbedden met fluweelen kussens en kostbare Indische dekens belegd, stonden rondom.

Dezelfde ziekelijke geur, die Raffles reeds in de vestibule had opgemerkt, hing ook in deze merkwaardige kamer, waar een stilte heerschte als in het graf en waar geen enkel geluid uit de buitenwereld tot het oor doordrong.

De lampen brandden, maar desondanks duurde, het geruimen tijd, voordat Lord Lister’s oogen gewend waren aan de schemering en ze de bijzonderheden in het vertrek konden opnemen.

Toen bemerkte hij op het fluweel aan de eene zijde der kamer in fonkelende gouden letters, die zeer duidelijk uitkwamen tegen den violetkleurigen achtergrond, de volgende woorden:

Droomen is Leven!

Droom, want ontwaken is Sterven!

[22]

Het doffe licht en de sombere, zware meubelen en behangsels gaven het geheel een tooverachtig aanzien.

Het was alles zeer indrukwekkend.

Terwijl Raffles nog steeds de kamer rondkeek, klonk plotseling luide de huisbel. De kleine Hindoe-vrouw werd zeer zenuwachtig.

„Dat is mijn man!” sprak zij. „Hij zal verschrikkelijk woedend zijn als hij u hier vindt. O, ik weet zeker, dat hij me zal slaan, als hij ziet, dat ik een vreemde in de vergaderzaal heb toegelaten! Hier! Ga in deze nis! Ik zal u verbergen, totdat ik u straks ongemerkt het huis kan doen verlaten.”

Zij wees den Grooten Onbekende een soort nis aan, waarin vroeger een standbeeld had gestaan, dat thans echter was weggenomen en waarvoor nu een gordijn hing.

Raffles ging in de nis staan, vast besloten, om in dien schuilhoek te blijven, totdat hij het geheim had opgelost.

De vrouw ging heen door een binnen- en buitendeur, beide dik gevoerd en bedekt met fluweel.

Daarna hoorde Raffles niets meer.

De atmospheer was zwaar en hij ondervond een gevoel van matheid, dat hem anders totaal vreemd was.

Hij verliet echter terstond de schuilplaats om het vertrek te onderzoeken en toen bemerkte hij, dat de rustbedden verrukkelijk en verleidelijk zacht waren en de tapijten, kussens en gordijnen van het kostbaarste fluweel.

Het was hier een heerlijke kamer om te liggen droomen, geheel en al afgesloten van de buitenwereld.

Aan het eene einde der kamer stond een groote kast, vervaardigd uit Indisch hout. Zij was geheel voorzien van ijzeren banden en gesloten met een groot, koperen hangslot.

Op een tafeltje naast die kast lag een stapeltje kanariegeel papier, daarnaast een pak witte enveloppen bij een zwaar zilveren inktstel met toebehooren.

Raffles nam een der enveloppen in de hand en bekeek ze vol aandacht en toen zag hij, dat in den linkerbenedenhoek een soort monogram was aangebracht met de daarin verwerkte letters: d. i. l. d. w. o. i. s.

„Droomen is leven! Droom, want ontwaken is sterven!” fluisterde de Groote Onbekende en een vreemde gewaarwording overviel hem, een gevoel van oneindigen weemoed.

Maar hij worstelde tegen die wonderlijke aanvechting en terzelfdertijd werd de deur wederom geopend.

De Hindoe-vrouw kwam binnen.

Ze greep den Grooten Onbekende bij den arm.

„Kom,” fluisterde ze, „er is nu gelegenheid cm heen te gaan. Mijn man is naar boven gegaan. Hij zal over een paar minuten terug komen.”

„Om hoe laat komen de leden der vereeniging hier?” vroeg Raffles.

„Vandaag om zeven uur.”

„Dan blijf ik daar in dien schuilhoek totdat zij komen!”

Raffles zei het op korten toon.

Maar in wanhoop wrong de vrouw haar handen en haar oogen, waarin een smeekende uitdrukking lag, sloeg zij op naar den Grooten Onbekende.

„Doe het niet,” sprak ze, „doe het niet! Hij zal me dooden!”

„Stil,” fluisterde Lord Lister, „als ge mij hier verbergt zal ik u ruim beloonen. Niemand zal mij ontdekken.”

De vrouw begreep, dat verdere tegenspraak haar niet zou helpen en, in doodsangst voor haar man, zei ze:

„De gevolgen komen op uw hoofd, meneer, alleen op uw hoofd!”

Bevende aan al haar leden, zonder verder nog een woord te spreken, verliet zij de kamer.

Het gevaar, waarvoor zij zoozeer bevreesd was, scheen echter den Grooten Onbekende volstrekt niet te verontrusten. Feitelijk dacht hij er niet eens over na, welk gevaar misschien kon dreigen.

Hij stelde veel te veel belang in de dingen, die komen gingen, want hij gevoelde, dat hij op het punt stond, den sluier van het geheim van het doodshoofd op te lichten. [23]