Langzaam kroop de tijd voorbij—uiterst traag.
De Groote Onbekende verborg zich, toen het tegen zeven uur liep, in de ruime nis waar hij, door een punt van het gordijn op te lichten, toch nog steeds het gezicht op de geheele kamer had.
Zeven uur.
De huisbewaarder trad binnen, de man van de kleine Hindoe-vrouw.
Hij was een lange, sterk gebouwde man met een Indisch costuum aan en een grooten tulband op het hoofd.
Een viertal kleine, brandende lampen met gekleurd glas plaatste hij op de tafel.
Toen zette hij een aantal oud-Indische, zilveren drinkkopjes op de tafel—de kopjes, die Raffles uit de beschrijving van Willy Harringa terstond herkende als die, welke ongeveer een jaar geleden op zoo geheimzinnige wijze uit de „schatkamer” waren gestolen.
Nadat de man deze toebereidselen had gemaakt, ging hij heen.
Ongeveer een kwartier later kwam hij terug, thans om een groote muziekdoos op te winden, door Raffles in het geheel nog niet opgemerkt.
De doos begon een doffe en klagende melodie te spelen en de tonen waren zóó zacht, zóó droomerig, dat ze een wonderlijke uitwerking hadden op Lord Lister, een vreemde, nooit ondervonden uitwerking.
Een paar minuten later trad de Hindoe andermaal binnen.
Thans droeg hij een kort kleed, rijk met goud geborduurd.
Hij bleef aan de deur staan en, in een enkele rij, volgden hem twaalf mannen.
De eerste van het twaalftal was Oswald Harringa.
Vijf der binnenkomenden waren donkerkleurig, drie waren kleurlingen, de rest blanken. Allen hadden ze hetzelfde droomerige, suffe uiterlijk als Oswald, die, zooals Raffles terstond begreep, hun leider en president was.
Als geesten zoo stil gingen ze rondom de tafel zitten en, zonder een enkel woord te spreken, overhandigde Oswald Harringa een sleutel aan den Indiër.
Met dezen sleutel werd de kast geopend en de Hindoe haalde er een doodshoofdbeker uit te voorschijn—den beker, die uit de „schatkamer” van den suikerlord Albert Harringa was gestolen door—Raffles twijfelde er geen seconde meer aan—diens eigen zoon.
De doodshoofdbeker was voorzien van twee handvatten en rustte op gouden klauwen.
Hij werd op de tafel geplaatst, vóór den president, die er een tweetal fleschjes, hem door den Hindoe aangegeven, in leeg goot.
Toen ging hij roeren met een zilveren lepel—eveneens een der voorwerpen, Albert Harringa ontstolen.
Het mengsel was gereed.
En de geur, door Raffles reeds opgemerkt, toen hij binnenkwam, werd zóó sterk, dat hij er bijna bewusteloos van werd.
Maar hij worstelde er tegen.
Nu, in dit oogenblik moest hij zichzelf blijven—sterk en wakker en, bovenal, scherp opmerkzaam.
Hij zag nu, dat de president een weinig van den drank goot in elk van de twaalf kopjes.
Daarna bracht hij zijn eigen kopje aan de lippen.
Maar vóórdat hij ging drinken sprak hij:
„Broeder! De wereld breekt al onze droomen af, voordat wij den tijd gehad hebben, ze tot het einde toe uit te droomen.
„Broeders, droomers, ik wensch u een goeden uitslag!
„Dat uw droomen lang en zacht mogen zijn!
„Droomen is leven.
„Droom, want ontwaken is sterven!”
De anderen bogen, doch antwoordden niet.
Ieder dronk zijn kopje leeg en Raffles vermoedde, dat de een of andere slaapdrank daarin was uitgegoten.
Toen stonden allen op en gingen op een rustbed liggen, waar hun door den Hindoe een pijp werd aangereikt en aangestoken. [24]
Uit den damp, die in de kamer opsteeg, was duidelijk merkbaar, dat zij opium rookten.
De verslaafde opium-schuivers leunden achterover op hun rustbedden.….. de muziekdoos vervolgde haar klagelijk spel.
Een slaapverwekkende damp vulde het vertrek en bedwelmde Raffles zoozeer dat hij een oogenblik meende te slapen en dat het merkwaardige tooneel voor zijn oogen een droombeeld was, een hallucinatie, die spoedig weer zou verdwijnen.
Langzamerhand vielen de pijpen uit de handen der rookers.
De Hindoe-man kwam dan telkens aanloopen om ze zoo spoedig mogelijk weg te ruimen.
Toen eindelijk ook de twaalfde man als totaal ongevoelig achterover was gevallen op het rustbed, ging de Hindoe naar de tafel, vulde een klein kopje met den drank uit den doodshoofdbeker en dronk het leeg.
Hij stopte een pijp met opium, wierp zich op een der rustbedden neer en rookte, totdat ook hem, evenals dit met de anderen was geschied, de pijp ontviel.
Door den verdoovenden invloed van drank en opium was hij in slaap gezonken.
Met klimmende verbazing en ongeveinsde belangstelling had Raffles den ganschen loop van deze opeenvolgende tragische gebeurtenissen gadegeslagen.
Hij zag, hoe die mannen, allen nog in de kracht van hun leven, zich overgaven aan een der grootste vijanden van het menschelijk geslacht en hij wist, dat ze vroeger of later met beneveld verstand en uitgeteerd lichaam het slachtoffer zouden worden van het opium.
Maar langen tijd mocht de Groote Onbekende zich niet overgeven aan zijn beschouwingen.
Thans was zijn beurt gekomen.
Hij trad uit zijn schuilhoek te voorschijn, zette alle gevoel van zwakheid en bijna onoverkomelijken slaap op zij en begaf zich naar de tafel.
De sterke dampen, die de kamer vulden, oefenden een invloed op hem uit, die hem als dronken maakte.
Hij nam den gouden doodshoofdbeker van de tafel, zette daarna de twaalf zilveren koppen en den oud-Indischen lepel bij elkaar en begaf zich toen naar de kast in den hoek van het vertrek.
De Hindoe had de deur van dit meubelstuk niet gesloten en Lord Lister zag, toen hij de deuren opende, die draaiden op kunstig gesmeede scharnieren, de kostbaarste voorwerpen op de planken liggen.
Het waren gouden bekers en zilveren schalen, alles van Indischen en Chineeschen oorsprong; lepels, bezaaid met diamanten en groote knoopen van edelgesteenten, zooals de rijke Inlandsche vorsten ze als versierselen dragen.
Ook vond hij een twaalftal gouden medailles, bevestigd aan bontgekleurde zijden linten.
De medailles vermeldden in kleine robijnen de beginletters van het devies der vereeniging: „d. i. l. d. w. o. i. s.”
Al die schatten liet de Groote Onbekende onaangeroerd en ook de gouden staven, die hij op een der planken van de kast zag liggen en die zeker geweldige kapitalen moesten vertegenwoordigen, werden alleen met groote nieuwsgierigheid door hem bekeken.
Thans wendde hij zich weder om.
Hij trad op de tafel toe om den beker, den lepel en de twaalf zilveren kopjes op te nemen, toen plotseling de Hindoe-vrouw de kamer binnentrad en zich vóór hem plaatste.
„Halt!” riep zij uit en zij deed een vergeefsche poging om Raffles tegen te houden. „Wat beteekent dat?”
„Uit den weg!” sprak Raffles streng. „Als ge geen kennis wilt maken met dit instrumentje.”
Hij haalde uit een zijner zakken een browning te voorschijn en duwde het wapen de kleine vrouw onder de oogen.
Zij deinsde achteruit, een gesmoorden kreet slakende.
„Wat moet dat alles beteekenen?” riep zij op verschrikten toon en met een wanhopig gebaar keek zij rond, als wilde zij de hulp inroepen van de leden der vereeniging.
Doch niets zag zij om zich heen dan de roerloos uitgestrekte gestalten der bleeke, uitgeputte personen, die als gestorven waren teruggezonken in eindelooze gevoelloosheid.
„Wat dat moet beteekenen? Dat deze zaken aan den rechtmatigen eigenaar teruggebracht zullen worden en dat ik mij met deze zaak zal belasten!”
De kleine vrouw was machteloos tegenover den man, die zich had meester gemaakt van een gedeelte der Indische kostbaarheden en omdat zij wel begreep, dat de zwaar slapende personen evenmin als de dooden op het kerkhof te wekken waren, beproefde ze nog een laatste poging op den vermeenden dief.
„Die beker,” fluisterde zij, „die gouden schaal is een half millioen waard en nog meer.”
Maar zonder verder te letten op de angstige uitroepen der vrouw, borg Raffles de eigendommen van [25]Albert Harringa in de zakken van zijn wijde jas en nadat hij de vrouw nog een paar goudstukken in de hand had geduwd, verliet hij het huis en bereikte de straat.
Heerlijk was de gewaarwording, die hij ondervond, toen hij in de frissche lucht kwam en weder ruim kon ademhalen.
Een half uur later had hij zijn woning in het Willemsparkkwartier bereikt.
„En dat, Charly,” sprak John C. Raffles en hij plaatste met een breed gebaar den gouden doodshoofdbeker op tafel, „dàt voorwerp en deze kopjes en die lepel zijn nu de kleinigheden, die samen een millioentje vertegenwoordigen en waarvoor jij en ik dat loodgieterskarweitje op ons hebben genomen.”
„Allemachtig!” viel Charly uit, „wat een griezelig ding is dat, Edward. Zul je later mijn schedel ook in goud laten vatten?”
„Neen, koester geen illusies daaromtrent, beste jongen. Ik houd niet van doodshoofden en bovenal niet als ze tot drinkbekers zijn vervormd. Zelfs niet als ze bovendien nog in goud zijn gevat en bezaaid met edelgesteenten.
„Maar de vader van onzen jongen vriend Willy Harringa schijnt er anders over te denken, want buiten de geldelijke waarde hechtte de man zeer veel aan dezen beker en zijn droefheid, toen hij het doodshoofd miste, moet inderdaad heel groot zijn geweest.”
Toen vertelde Lord Lister zijn jongen vriend de geschiedenis van de geheimzinnige diefstallen, van het verhaal, dat hem eerst door Willy Harringa en later door diens vader in den breede was verhaald; van de vermoedens, die door hem waren gerezen tegen den stillen, vreemden, oudsten zoon uit het huis; van de bevestiging van die vermoedens, toen hij de geheime gang had ontdekt, nadat hem bekend was geworden dat Oswald Harringa er de eigenaardigheid op nahield om op het dak te gaan „rooken”; van den tocht naar het grijze huis in de dwarsstraat en van alles wat hij daar had gezien.
Charly vond dat allemaal even interessant en in gespannen aandacht luisterde hij naar wat de Groote Onbekende hem meedeelde.
„En hoe zul je nu doen, Edward?” vroeg hij ten slotte. „Zul je den vader nu gaan vertellen, dat zijn zoon een dief en een opiumschuiver is?”
„Dat is het eenige, waarover ik het nog niet met mij zelf eens ben,” bekende Lord Lister. „Ik zal er eens een nacht over slapen. Ik wensch je wel te rusten, boy! Droom maar niet te veel van gouden doodshoofden en opiumschuivers.”