[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Het einde van den Opium-Schuiver.

Den volgenden morgen, toen Lord Lister en zijn vriend nog in de ontbijtkamer zaten, waar zij beiden verdiept waren in het lezen der ochtendbladen, kondigde oude James reeds het bezoek aan van mijnheer Mollen.

Charly wierp een blik op de pendule en sprak:

„Het is waar ook! Ik had bijna vergeten, dat Pim me zou komen halen om het nieuwe tennisveld van onze club te gaan bekijken. Maar zóó vroeg had ik hem niet verwacht.

Laat mijnheer Mollen maar hier binnen,” verzocht Charly den huisknecht en toen deze, na beleefd gebogen te hebben, de deur weer achter zich had gesloten, vervolgde Charly tot zijn ouderen vriend:

„Dikke Pim heeft immers een wit voetje bij jou?”

Raffles knikte glimlachend en Charly vervolgde:

„Je begrijpt, dat ik het anders niet gewaagd zou hebben, gestrenge meester, om een mijner kennissen, wien dan ook, in jouw ongenaakbare tegenwoordigheid te brengen.”

Raffles had geen gelegenheid om zijn jongen secretaris hierop te antwoorden, want reeds opende James de kamerdeur om den vroegen bezoeker binnen te laten. [26]

Reeds bij den eersten oogopslag zagen de beide vrienden, dat Pim iets bijzonders had. Op zijn dik, rood, niet heel intelligent gelaat, dat echter een goedige uitdrukking had, stond duidelijk te lezen, dat hem iets op het hart lag en daar het Pim’s gewoonte niet was, om zijn mededeelingen lang vóór zich te houden, begon hij al dadelijk, nadat hij zijn beide kennissen had begroet:

„Eigenlijk heb ik niet veel lust om te gaan tennissen vanmorgen. Maar ik had met je afgesproken, Brand, dus ik wou je niet laten wachten.”

„Wat is er gebeurd?” vroeg Charly. „Toch geen onaangename dingen, hoop ik?”

„Jawel en al betreft het mij niet rechtstreeks, ik ben er toch heelemaal kapot van. Toen ik, nu zoowat een half uur geleden, van huis kwam en langs de woning van Harringa wandelde, waren daar alle gordijnen neergelaten. Natuurlijk keek ik verbaasd en ik was nieuwsgierig, wat daarvan de reden kon zijn. Och, een sterfgeval wekt altijd je belangstelling, nietwaar? Vooral als je de lui goed kent. Nou, ik trof het, want juist toen ik passeerde, kwam een van de meiden naar buiten en die vertelde me, dat de oudste zoon, Oswald, heel vroeg vanmorgen dood was thuis gebracht.”

„Da’s treurig!” riep Charly uit. „Wat naar voor die oude mijnheer en mevrouw!” en even keek hij naar zijn vriend Edward.

Raffles echter zei niets.

Bij de laatste woorden van Richard Mollen hadden de oogen van den Grooten Onbekende een gansch eigenaardige uitdrukking gekregen, doch toen goedige Pim hem aankeek, om te zien, welke uitwerking zijn nieuwsbericht op jonker Van Leeuwen maakte, was hiervan niets meer te bespeuren.

„Weet je geen verdere bijzonderheden?” vroeg Charly.

„Ja,” klonk het van Pim’s dikke, roode lippen, terwijl hij zich heel gewichtig voelde, nu hij zooveel nieuws wist mede te deelen: „Het dienstmeisje vertelde mij, dat de jonge meneer op zijn club een soort van beroerte had gehad, een hartaandoening, zei ze.”

„Van welke club was Oswald Harringa lid?” vroeg Raffles.

„Precies weet ik het niet,” antwoordde Richard Mollen, „maar ik geloof, een kaartclub, een besloten gezelschap van een stuk of tien, twaalf jongelui.”

„Het is zeker een heel droevig sterfgeval, voornamelijk voor de ouders?” sprak nu Lord Lister weer. Toen wisselde hij een korten blik met Charly, welken door dezen onmiddellijk werd begrepen en vervolgde tot dezen:

„Kan ik erop rekenen, dat je thuis komt lunchen?”

„Zeker!” sprak Charly.

De jonge secretaris stond op, vulde uit een geopend kistje zijn sigarenkoker met Havanna’s en zei tot Pim, terwijl hij hem op den schouder klopte:

„Kom, kerel, ga mee de lucht in. Tob nou niet over dat sterfgeval, daaraan kan je toch niets veranderen!”

Met een handdruk nam Pim afscheid van jonker Van Leeuwen en de beide jonge mannen wandelden samen naar de nieuwe tennisbaan, op korten afstand van Lord Lister’s woning.

Peinzend bleef de Groote Onbekende in zijn gemakkelijken stoel achterover leunen. Weer liet hij de gebeurtenissen der laatste dagen aan zijn geest passeeren en toen hij terugdacht aan het geheimzinnige clublokaal waar de twaalf opiumschuivers bijeenkwamen, om zich over te geven aan de bedwelming, die de uitwerking was van dat verderfelijke vergift, dat zooveel onheil en ellende teweegbrengt, sprak hij tot zich zelf:

„Dat plotseling einde was misschien de beste oplossing! Een beroerte … een hartaandoening … Hij was wél een vreemde en eigenaardige verschijning, deze jonge man, die het slachtoffer is geworden van zijn hartstocht en ik ben er van overtuigd, dat hij zijn vader niet heeft bestolen om geld te maken voor de waardevolle voorwerpen; hij handelde uit een buitengewone beweegreden. Het was geen gemeene diefstal, dat begreep ik onmiddellijk, en gelukkig ben ik erin geslaagd, een duidelijk bewijs voor mijn overtuiging te krijgen.

De oudste zoon van Albert Harringa, de leider der opiumschuivers, moet dezen diefstal zonder twijfel hebben gepleegd, omdat hij van meening was, dat de doodshoofdenbeker en de andere zeldzame kostbaarheden nutteloos waren in zijn vaders „schatkamer” en veel zouden toebrengen tot de versiering der tafel in de „Droomersclub”, waarvan hij voorzitter was …”

Toen richtte de Groote Onbekende zich met een energieke beweging op uit zijn fauteuil, liep een paar maal met de handen in de zakken door de kamer heen en weer en sprak toen op halfluiden toon, als legde hij zichzelf in dit oogenblik een gelofte af:

„Dit geheim zal ik bewaren; nimmer zal de vader van den aan opium verslaafden zoon vernemen, op welke wijze ik zijn gestolen kostbaarheden terugvond!”

Nu begaf Lord Lister zich naar zijn studeerkamer, waar hij een donker-eikenhouten kast, die in een der [27]hoeken van het vertrek stond, met een fijnbewerkten sleutel opende.

Deze kast was van binnen geheel voorzien van stevige stalen platen en bevatte verschillende binnenkastjes, van hetzelfde staal vervaardigd, elk afzonderlijk afgesloten.

De grootste dezer veilige bergplaatsen opende lord Lister met een sleuteltje, dat nauwelijks groot genoeg scheen om een horloge op te winden, en uit de ruimte, die nu voor hem lag, haalde hij het gouden doodshoofd, den Indischen lepel en de twaalf zilveren kopjes te voorschijn.

De waardevolle voorwerpen pakte hij in een stevig handvalies van donkerbruin leer, dat hij daarna sloot.

Het sleuteltje van het valies schoof hij in een kleinen, witten enveloppe en hierop zette hij met duidelijke letters het adres van Albert Harringa.


Het middaguur had nauwelijks geslagen, toen Charly Brand de studeerkamer van lord Edward Lister binnentrad.

Het was hem aan te zien, dat hij eenige uren in de buitenlucht beweging had genomen, want zijn gelaat zag er blozend uit en een uitdrukking van gezonde levenslust lag in de helderblauwe oogen van den jongeman.

„Voldoet de nieuwe tennisbaan aan de eischen?” vroeg lord Lister, terwijl hij het laatste overblijfsel van zijn sigaret in een fijn, Japansch aschbakje legde.

„De baan is onberispelijk en er werd uitstekend gespeeld vanmorgen. Alleen Pim heeft geen goeden bal gemaakt, zoodat hij weer leelijk geplaagd werd. De goeie jongen schijnt erg onder den indruk van het sterfgeval te zijn.”

En toen Raffles hierop, tot Charly’s teleurstelling niets antwoordde, vervolgde de jonge secretaris:

„Heb je al besloten, hoe je in deze zaak verder zult handelen, Edward? Je gelooft zeker, evenmin als ik, aan een beroerte of hartverlamming van Oswald Harringa?”

„Neen,” antwoordde Lord Lister, en zijn donkere oogen keken den blonden secretaris met een ernstige uitdrukking aan. „Neen, Charly, ook ik geloof daaraan niet. Maar ik wensch dit geheim te eerbiedigen, al was het alleen ter wille van de ouders van den ongelukkigen jongen man.”

„En de kostbaarheden?”

„Daarover spreken we straks, na den lunch!”

De begrafenis van Oswald Harringa, de oudste zoon van den schatrijken Indischen suikerlord, had veel belangstelling getrokken.

Twee landauers waren noodig geweest om den bloemenschat mee te dragen naar het kerkhof, waar de overledene een laatste rustplaats zou vinden.

Een kostbare krans van lila bloemen, waaraan breede, purperkleurige linten hingen, en die ter rechterzijde van de lijkkoets was opgehangen, trok vooral de aandacht der voorbijgangers, die nieuwsgierig bleven staan, als de stoet passeerde.

„Aan onzen leider,” waren de woorden die in gouden letters op een der linten prijkten, terwijl op het andere lint, eveneens in gouden letters, maar veel kleiner, stond:

„d. i. l. d. w. o. i. s.”

Geen kaartje, geen boodschap zelfs was er bij geweest, toen deze krans werd bezorgd en zonder te weten, wien zij te danken hadden voor dezen laatsten groet, aan hun zoon gebracht, hadden de ouders den grooten krans van bedwelmend geurende bloemen in paarsen tint in ontvangst genomen.

Op verzoek van Oswalds vader werd aan het graf geen woord gesproken en toen de oude heer, nadat de plechtigheid was afgeloopen, in huis was teruggekeerd, nam hij zwijgend de kleine hand van zijn vrouw in de zijne, terwijl hij haar een kus op het voorhoofd drukte.

Zij zeiden het elkaar niet in woorden, deze beide ouders, wat er op dat oogenblik in hen omging, maar welsprekender dan iets was de blik, waarmee zij elkaar aankeken en de tranen, die langs hun wangen vloeiden.

Doch bij beiden was, sinds hun oudste zoon levenloos thuis was gebracht, geen oogenblik de gedachte uit het hoofd geweest, hoe de voorspelling van den Radjah van Mooltan was bewaarheid geworden:

„Indien de beker verloren gaat, of gestolen wordt, zal het ongeluk u achtervolgen!”

Doch geen van beiden vermoedden zij het, deze bedroefde ouders, hoe hij, die hun nu voor altijd was ontvallen, zelf den noodlottigen beker het huis had uitgedragen.


Dien namiddag wachtte voor het bordes van de mooie villa in het Willemsparkkwartier, bewoond door jonker Van Leeuwen en diens vriend, een gewone taxi, een huurauto zooals men die dagelijks honderden door Amsterdam ziet vliegen.

Een jonge man, gekleed in de keurige livrei der deftige families, verscheen op den drempel.

Hij had een kortgeknipte, blonde baard en onder de [28]met goud gegallonneerde pet kwam het dikke, blonde krulhaar te voorschijn. In de rechterhand droeg hij een handtasch van bruin leer, die vrij zwaar scheen te zijn en die hij, in de atax gezeten, zorgvuldig op zijn knieën hield.

Tien minuten later hield het voertuig stil voor de woning van den heer Albert Harringa.

De blonde livreibediende stapte uit en overhandigde met een paar korte woorden het valiesje en de witte enveloppe aan Egbert.

Toen begaf hij zich weer terug naar de wachtende huurauto, die een oogenblik later uit het gezicht verdwenen was.…..

… … … … … … … … … … … … … … … … …

„Aan wien heb je het taschje afgegeven?” vroeg dien middag aan het diner lord Lister zijn vriend en helper, Charly Brand.

„Aan den ouden huisknecht, Edward. Hij zou het zijn meester onmiddellijk overhandigen.”

All right, boy!” klonk het antwoord en toen werd er door de beide vrienden geen woord verder over dat onderwerp gewisseld.

Den volgenden dag, toen lord Lister alleen in zijn studeerkamer zat, bezig een brief van een zijner Engelsche vrienden te beantwoorden, terwijl Charly een zeiltocht op de Zuiderzee maakte, met de leden van zijn tennisclub, bracht oude James op een zilveren blad een visitekaartje binnen.

„Willy Harringa”

las Raffles en, hij verzocht den huisknecht, den bezoeker binnen te laten.

Eenige oogenblikken later had Willy tegenover lord Lister plaats genomen.

Nadat het gesprek eenigen tijd had geloopen over het verlies, dat de familie Harringa had getroffen, sprak Willy:

„De eigenlijke reden van mijn komst zal u misschien zeer verbazen, jonker Van Leeuwen.”

En toen vervolgde hij, na eenige aarzeling, terwijl hij Raffles aankeek met zijn eerlijke, oprechte oogen, die op dat oogenblik hun gewone overmoedige uitdrukking echter misten:

„Misschien verbaast ze u ook in het geheel niet en weet u al van te voren, wat ik u te vertellen heb.

Kalm hield Raffles de donkere oogen op het gelaat van den bezoeker gevestigd, toen hij sprak:

„Ja, mijnheer Harringa, ik weet het, uw vader ontving een leeren valies met inhoud. Het verheugt me, dat deze duistere zaak tot zulk een goed einde is gebracht.”

En toen hij zag, hoe Willy met een trek van blijde verrassing op het gelaat beide handen uitstak, om zijn dankbaarheid te betuigen, maakte de Groote Onbekende een afwerend gebaar en zei:

„Dat is in orde, mijnheer Harringa. De éénige dank, die ik van u vraag, is, dat u niet meer op deze zaak terugkomt.”

De jonge Harringa liet de uitgestrekte handen weer zakken en een wolk van teleurstelling trok over zijn gelaat.

„Ik eerbiedig uw wensen, jonker Van Leeuwen,” sprak hij.

„Maar dan is er nog iets,” vervolgde Willy, „wat bijna even geheimzinnig is, als die diefstallen waren.”

Hij schoof zijn stoel een beetje dichter naar dien van Raffles en sprak op schier fluisterenden toon, als vreesde hij, dat onbescheiden ooren mochten meeluisteren:

„In de portefeuille, die mijn gestorven broer bij zich droeg, heb ik een drietal briefjes gevonden van onverklaarbaren inhoud en nog onverklaarbaarder onderteekening. Misschien zoudt u ook in dezen opheldering kunnen geven.”

Al sprekende haalde hij uit zijn borstzak een zakportefeuille van wit slangenleer te voorschijn en vervolgde:

„Deze portefeuille was het eigendom van mijn broer Oswald en dit zijn de briefjes, die zich erin bevonden.”

Toen overhandigde hij den Grooten Onbekende drie gele velletjes papier, beschreven met violetkleurige inkt.

En Raffles las de korte mededeelingen één voor één langzaam door:

„Broeder!

Hedenavond elf uur! Hindoe-vrouw heeft de sleutels!

Opiophaag.”

In den linker-benedenhoek van het papier stonden, in een kring gedrukt, de volgende letters:

„d. i. l. d. w. o. i. s.”

Nu opende lord Lister het tweede briefje, dat op hetzelfde papier, met dezelfde violette inkt geschreven was en onderaan dezelfde in het rond gedrukte letters.

Hij las:

Broeder!

Twee uur vóór middernacht. Purperen zaal zal geopend zijn.

Opiophaag.”

[29]

Ten derden male ontvouwde hij een der gele papieren, waarvan de inhoud luidde:

„Broeder leider!

De broeders wenschen u te danken voor de aanwinst! Kom heden op gewonen tijd tot ons.

Opiophaag.”

„En wat alles nog eigenaardiger en geheimzinniger maakte,” vervolgde Willy, toen Raffles zwijgend de briefjes op tafel legde, „is, dat gistermorgen, een uur vóór de begrafenis van Oswald, een krans werd thuisbezorgd, op welker violetkleurige linten deze zelfde onverklaarbare letters stonden gedrukt. De naam van de zenders, want het schijnen leden van een club of vereeniging te zijn, werd er niet bij vermeld.”

„Begrijpt uw vader ook niet, wie de personen geweest kunnen zijn, met wie uw broeder deze geheimzinnige correspondentie voerde?”

„Voor papa is alles even duister als voor mij. Trouwens, vader spreekt weinig sinds Oswalds dood en houdt zich meestal in zijn eigen kamer op. De reis naar Egypte is nu natuurlijk uitgesteld voor eenigen tijd.”

„Mijnheer Harringa,” sprak Raffles, terwijl hij den jongen man, die tegenover hem zat, recht in de oogen keek, „veel is mij duidelijk, van wat voor u en uw vader altijd een gesloten boek zal blijven. Vraag er niet naar—het is beter, dat die geheimen mèt uw broeder in het graf zijn gegaan.

Slechts dit wil ik u en ook u alleen—in vertrouwen mededeelen: uw broeder Oswald is het slachtoffer geworden van het opium, het opium, dat reeds zooveel ellende om zich heen heeft verspreid en dat den prooi welke het eenmaal in zijn scherpe klauwen heeft, niet meer loslaat. En laat het u tot troost zijn, dat zijn onverwachte en plotselinge dood hem heeft gespaard voor een lang, duldeloos lijden.”

Toen nam de Groote Onbekende de drie, op geel papier geschreven briefjes van de tafel, gaf ze den jongen man terug en vervolgde:

„Ik geef u den raad, deze briefjes te vernietigen. En, spreek tegen niemand, ook niet tegen uw vader, over ons onderhoud.


Acht dagen na het bezoek, dat Willy had gebracht in de villa van jonker Van Leeuwen, ontving de heer Albert Harringa een brief van den volgenden inhoud:

„Uit betrouwbare bron heb ik vernomen, dat het gouden doodshoofd, dat voor u van zoo groote waarde schijnt te zijn, de Indische lepel en de zilveren kopjes, weer in uw bezit zijn teruggekomen. En dit verheugt mij om uwentwil.

Het was zeer juist van u gezien, om in deze duistere zaak niet de hulp in te roepen van rechercheurs of politie. Immers—hoe dikwijls niet is het reeds gebleken, dat deze personen minder geschikt zijn om dergelijke opsporingen met succes ten uitvoer te brengen.

„Onoplosbare raadsels” kunnen beter worden opgelost door iemand die het gewend is, zulke zaakjes op te knappen.

Ondergeteekende was zoo vrij, u, nu ruim een week geleden, uw eigendommen weder te doen toekomen, nadat hij ze had teruggehaald van de plaats, waar ze niet behoorden.

Hoe en waar hij ze heeft gevonden zal zijn geheim blijven!

Moge de gouden doodshoofdbeker voortaan alle onheil verre van u houden!

De Groote Onbekende,
John C. Raffles”.

[Inhoud]

De volgende aflevering (No. 120) bevat:

„Een onaangename ontmoeting in Zandvoort”. [30]

[Inhoud]

Vijf-en-dertig minuten.

Het liep tegen het einde van Mei en ik zocht in de omstreken van Parijs, op eenig frisch en vredig plaatsje, naar een klein huisje, om daar den zomer door te brengen. Ik ging op goed geluk aan het zoeken, na reeds, zonder iets naar mijn smaak gevonden te hebben, de oevers der Seine te hebben afgeloopen, die door de kroegjes en de publieke danslocalen onteerd worden; daarna had ik het heerlijke landschap doorkruist, dat zich om Versailles uitstrekt, maar waarvan de wegen, het hout en de heldere rivieren eenigszins de hinderlijke majestueusiteit van deze stad hebben. Ook had ik de heerlijke vallei van Chevreuse bezocht, die door de spoorlijn van Scaux van de hoofdstad is afgescheiden. Eindelijk werd ik op een goeden dag verleid door het schilderachtig aanzien van een station op de Westerlijn, tusschen Lagny en Meaux, waar men den breeden loop der Marne overzag. Ik stapte daar uit den trein en vroeg aan een stationsbeambte, of hij ook wist, welke woningen er in deze streek te huur stonden.

„Niet veel bijzonders, mijnheer,” antwoordde hij.

Hij scheen na te denken.

„Ja, een is er, die u misschien wel zou lijken. Het is het huis van vader Perrin te Chigny, dat verleden jaar aan Parijzenaars is verhuurd geweest. Ik geloof, dat het dit jaar leeg staat.”

„Is dat dicht bij de rivier?”

„Het staat op de hoogte, maar als men naar beneden gaat, is men direct aan de Marne.”

Ik dacht: „dat is misschien wat ik zoek.”

„En hoever is Chigny van het station af?”

„Het zal dertig à veertig, minuten gaans zijn … vijf en dertig minuten … ja, het is bepaald niet verder dan vijf en dertig minuten.”

Ik bedankte hem.

„Het is heel gemakkelijk te vinden,” voegde hij er bij. „Ge hebt slechts dezen weg, die voor u ligt, te volgen, daarna gaat ge door het boschje, dat ge ginds ziet en u zult dan van zelf Chigny wel zien. De eerste de beste zal u daar het huis van vader Perrin aanwijzen.”

Ik begaf mij op weg. Er is niets zoo bedriegelijk op het land, als een boschje aan het eind van een weg en ik liep al een kwartier lang, toen het boschje mij nog altijd voorkwam een goed einde verder te zijn. Ik wierp een blik in het rond om te zien, of ik mij ook vergiste met een ander boschje, dat dichterbij was. Maar het was het eenige; overigens liep de weg er recht op af, en was er geen vergissing mogelijk. Ik bracht mij de woorden van den spoorwegbeambte te binnen. Als ik het bosch uitkwam, moest ik Chigny zien, dat er niet ver vandaan kon zijn, omdat men van het station in vijf-en-dertig minuten aan het dorp kwam.

Ik bereikte de eerste boomen eenige minuten na deze redeneering te hebben gehouden. Doch daar verschillende wegen in verschillende richtingen door het bosch leidden, was ik eerst in de war. Gelukkig bemerkte ik een kar, die stapvoets naderde. Op een teeken, dat ik maakte, hield de karrevoerder zijn paard in. Ik vroeg hem welke weg naar Chigny leidde.

„Daar kom ik net vandaan,” zeide hij. „U behoeft slechts denzelfden weg te nemen als ik afgekomen ben, kijk, die daar, links.”

„Leidt die regelrecht naar het dorp?”

„U kunt je onmogelijk vergissen. Als de weg buiten het bosch is, zijt ge te Chigny.”

„Op de hoogte, niet?”

Hij glimlachte even.

„Ja, op de hoogte. U kent dus de streek al?”

„Een beetje … ik heb inlichtingen ingewonnen.”

En mijn horloge raadplegende, vervolgde ik:

„Het is hier niet ver meer vandaan, wel, Chigny?”

„Chigny,” herhaalde hij, de schouders ophalende, [31]„het is zoo goed alsof u er reeds waart.…. U hebt heelemaal een vijf-en-dertig minuten te loopen, op zijn hoogst.…”

Ik bedankte hem; hij legde de zweep over zijn paard en vervolgde zijn weg. Ik dacht, dat ik den spoorwegbeambte verkeerd verstaan had en dat hij had willen zeggen, dat het vijf-en-dertig minuten loopen was tot aan het boschje en dan nog eens vijf-en-dertig minuten naar Chigny. Dat was zoo’n heel erge vergissing niet; overigens is het ook een feit, dat de beambten der kleine spoorwegstations in den regel niet veel topografische kennis hebben van het omliggende land. Ik had op mijn uitstapjes al meermalen de gelegenheid gehad deze opmerking te maken. Deze man kon mij dus heel goed den afstand zoo’n beetje op goed geluk hebben genoemd. In allen gevalle was het pas drie uur in den middag en had ik ruim den tijd om den trein van zeven uur te halen, na het huis van vader Perrin bezocht te hebben. Ik ging het bosch in, en wandelde langzaam voort om de frischheid op te snuiven van een windje, dat ternauwernood de bladeren deed ritselen.

Het was een lang bosch; de laan, die ik volgde, liep uit op een groote uitgestrektheid land, dat met koren en haver bezaaid was, groen en vlak zoover het oog reikte. Geen enkele heuvel brak er de eentonigheid van af; men ontdekte niet het geringste van een dorp. Alleen verhief zich op enkele passen afstand van mij, aan het begin van deze vlakte, een stulp, bestemd om gereedschappen in te bergen, die potdicht was.

Het was nu al minstens een uur, dat ik aan het loopen was. Ik rustte een oogenblikje uit, mij voornemende daarna eenvoudig weer naar het station terug te keeren, toen ik uit een boschje een boerin te voorschijn zag treden, die gras in haar boezelaar droeg. Zij werd gevolgd door twee kinderen, die lentebloemen in de hand droegen. Dit landelijk tooneeltje ontnam mij het voornemen om te vertrekken en ik trad, met de hoed in de hand, op de boerin toe.

„Waar ligt toch Chigny? Men had mij gezegd, dat ik, als ik uit het bosch kwam, Chigny zou zien. Ben ik soms verdwaald?”

„Wel neen, mijnheer, Chigny is daar”… en zij wees naar den linkerkant van het bosch. „U hebt u alleen vergist in den weg, denk ik. Bij den kruisweg is u recht doorgeloopen, maar u had het voetpad moeten nemen.”

„Maar hoe kan ik dan nu naar Chigny komen?”

„U volgt dit pad hier langs het bosch, slaat dan links af en steekt de rivier over. Chigny ligt aan de overzijde.”

„Is er een brug over de rivier?” vroeg ik wantrouwend.

„Van drie bogen, mijnheer.”

„En in hoeveel tijd kan ik in Chigny zijn?”

Zij keek mij aan, als om de snelheid mijner beenen te berekenen, en antwoordde:

„O, het is niet ver. Vijf-en-dertig minuten.”

Ik stond versteld. Dit cijfer begon mij al heel wonderlijk toe te schijnen, en die drie afstanden, elk van vijf-en-dertig minuten, waren een inderdaad zeer vreemd verschijnsel. Ik begon te vermoeden, dat ieder een loopje met mij nam. Maar hoe kon de boerin weten, dat zoowel de spoorwegbeambte als de karrevoerder mij eveneens hadden verzekerd, dat ik in vijf-en-dertig minuten te Chigny zou zijn, en welke waarschijnlijkheid bestond er om aan te nemen, dat een boerin, een karrevoerder en een spoorwegbeambte zich zouden hebben verstaan om een poets te spelen aan een Parijzenaar, die voor de eerste maal in die streek kwam? Klaarblijkelijk was het hier niets anders dan een eenvoudige toevalligheid, die de vermoeienis, de warmte en mijn zenuwachtigheid mij verkeerd deden opnemen. Weldra was dit vermoeden dan ook weer uit mijn geest verdwenen. Een half uur lang liep ik het voetpad af, dat de boerin mij had aangewezen, en toen sloeg ik den weg in, die naar de rivier afliep, en trachtte mij te oriënteeren. De weg liep wederom tusschen de vlakke en eentonige velden, die aan den horizont verdwenen; op een heuvel, die zoowat een 5 à 600 meter verder was, zag ik een groepje van vier huizen staan, die meer op een hoeve en toebehooren, dan op een dorp geleken. Maar toch kon het immers ook wel Chigny zijn.

Plotseling hoorde ik van den kant van de rivier het geluid van liederen. Het waren waschmeisjes, die haar bedrijf uitoefenden.

Ik naderde.

„Dat is zeker Chigny, daar, meisjes?”

Eén harer antwoordde:

„Neen, dat is het gehucht Bray. Chigny is verder.”

„En hoe ver dan nog?”

Drie stemmen antwoordden in koor:

„Vijf-en-dertig minuten!”

Ik was geheel overbluft en bijna ongerust. Er was iets fantastisch in dit avontuur. Hoe kwam het, dat de waschmeisjes hetzelfde zeiden als de boerin, de karrevoerder en de spoorwegbeambte? [32]

„En het huis van vader Perrin, kent u dat?” vroeg ik verder.

Eén uitroep:

„Dat geloof ik! het mooiste van de streek!”

„Is het niet verhuurd?”

„Nog niet. Maar het zal niet lang meer duren. Elk jaar komen er Parijzenaars.”

Ik groette en vervolgde mijn weg. Ik liep de brug over en hield stil in het gehucht Bray, bij den herbergier, waar ik iets gebruikte. Ik rekende uit, dat ik, als ik over tien minuten in Chigny was, nog den trein kon halen en vroeg den waard om inlichtingen.

„Waar ligt Chigny?”

Hij strekte de hand uit.

„Daar!”

„Hoe lang zou ik noodig hebben om er te komen?”

Op den meest natuurlijken toon van de wereld antwoordde hij:

„Vijf-en-dertig minuten!”

Nu stond ik niet alleen verbaasd, maar werd tevens kwaad. Ik keek den herbergier eens aan, maar deze zag er heel kalm en verstrooid uit. Niets wettigde de onderstelling van een fopperij.

„U komt misschien om het huis van vader Perrin te huren?” vroeg hij.

„Juist,” antwoordde ik.

„Dat is tot nu toe nog te huur.”

Woedend verliet ik de herberg, het was al over zessen. De zon neigde ten onder. Ik liep het veld in, op goed geluk, zonder eenig doel, ten prooi aan een koortsachtige opwinding. Een uur lang liep ik zoo voort, trachtende de oplossing te vinden van dit flauwe complot.

De avond viel. Ik was heelemaal verdwaald. Tegen een uur of acht hoorde ik het geluid van een loopend paard en tot mijn groote verwondering, bemerkte ik, dat het een genummerd huurrijtuig was, dat op vijf-en-twintig kilometer van Parijs op de groote wegen trachtte een vrachtje op te sporen.

Hoe kwam dat rijtuig juist daar?

Dat was geheimzinnig. Ik riep den koetsier aan, als waren wij op een der boulevards, en hij hield stil zonder iets meer. Ik stapte in en wij bereikten het station weer voor den trein van elf uur. Ik had wel lust den koetsier de hand te drukken.

Aan het station zocht ik naar den beambte, die mij zulke mooie inlichtingen had gegeven. Hij was er niet meer.

Dat jaar heb ik Parijs niet meer verlaten, hoewel ik er schrikkelijk van de warmte heb geleden. Ik heb trouwens nooit geweten wat dat huis van vader Perrin voor een woning was en naar aanleiding van welke legende men den menschen, die het wilden bezoeken, vertelde, dat het vijf-en-dertig minuten van het station af lag.