Het was op een laten winterdag, en de zon neigde reeds ter kimme, toen een groote slede, een zoogenaamde Troika, door drie vurige en sterke paarden getrokken, onder luid belgerinkel stilheid voor een fraai landhuis, niet verre van Pudoz, een vrij groote stad aan de Wodla gelegen, welke rivier ontspringt in het Wodla-meer, en dan in zuid-westelijke richting naar het meer van Onega vloeit, met het meer van Ladoga het grootste van Rusland, en ten noord-oosten van Petrograd gelegen.
Als wij van stroomen spreken, dan kan dat woord, in den tijd waarin ons verhaal speelt, slechts in overdrachtelijken zin worden opgevat, want meren zoowel als rivieren waren onbewegelijk—een dikke ijskorst had hun wateren gestremd.
Reeds sedert een paar weken heerschte er een zeer strenge vorst in dit gedeelte van Rusland en de barometer bewoog zich omtrent vijf-en-twintig graden onder nul.
In de laatste dagen had het bovendien onophoudelijk gesneeuwd en een zuiver witte wade overdekte het ijs dat de rivieren onbewegelijk had gemaakt, zoowel als de eindelooze vlakte die zich ten oosten van het Onegameer uitstrekte, en waar men, behalve eenige kleine dorpen, ver uit elkander gelegen, slechts twee of drie plaatsen van eenig belang aantreft.
Spoorwegen vindt men hier in het geheel niet.
Het verkeer heeft plaats met behulp van wagens in den zomer en van sleden in den winter.
Als men van het eene dorp naar het andere wil trekken in deze woestenij van sneeuw en ijs, dan heeft men er soms een vollen dag en meer voor noodig, en wee den reiziger, die verdwaalt en door een sneeuwstorm overvallen wordt of door een troep uitgehongerde wolven wordt overvallen, die hier in het barre jaargetijde de bosschen verlaten, welke verder Oostwaarts zijn gelegen, en naar de vlakte komen afdalen, waar de dorpen gelegen zijn, in de hoop, dat zij daar wel voedsel zullen vinden.
Zoodra de kleine dampende paarden stil stonden, vloog er een deur open van het landhuis en bovenaan een soort terras verscheen een man van krachtigen lichaamsbouw, met een fraai geteekend gelaat en gitzwart haar dat in krullen in zijn hals neerviel, die een [2]kreet van blijdschap slaakte en daarop met uitgespreide armen de trede van het terras afdaalde en naar de slede toesnelde.
Hij droeg een soort jagerscostuum van dik laken, waarvan het buis met een zwart gelakten riem om het middel was dichtgesnoerd.
De breede kraag van een witte trui bedekte den halsboord.
De wijde broek verdween in een paar hooge kaplaarzen, die met bont waren gevoerd en van zeer dikke zolen voorzien waren.
Het hoofd was bedekt door een muts van wit astrakan.
De man die zooeven de deur geopend had droeg een jachtgeweer met twee loopen, hetwelk hij echter tegen de deurpost had aangezet.
Achter hem in de deuropening waren de gestalten van eenige bedienden zichtbaar geworden.
De eigenaar van het landhuis die zooeven op de slede was toegesneld, was Baron Iwan Dobrinsky.
Hij wendde zich tot een van de drie personen die in de slede gezeten waren, van wie weinig meer te onderscheiden viel dan het topje van hun neus, en riep:
—Wees welkom mijn waarde Finsbury en gij ook mijnheer Wilburn! Om u de waarheid te zeggen dacht ik niet dat gij vandaag nog zoudt komen, want zooals gij ziet, staat de zon op het punt van onder te gaan en het is hier gevaarlijk reizen in een onbekende streek, nu de sneeuw alles overdekt heeft, al blijft hier ook des nachts vooral bij volle maan die eigenaardige schemering hangen, waardoor de poolstreken gekenmerkt worden.
Stap spoedig uit en kom u warmen bij het vuur!
Baron Dobrinsky had zich van de Engelsche taal bediend, welke hij bijna zonder accent sprak, hetgeen niet te verwonderen was, daar hij vier jaren lang op een Engelsche landbouwschool en aan een universiteit had gestudeerd.
De man die de slede bestuurd had, iemand van reusachtigen lichaamsbouw, was reeds van den bok gesprongen en voor de drie snuivende paarden gaan staan die met de hoeven in de bevroren sneeuw trappelden.
Hij droeg een dikken korten pels, die hem nog grooter en breeder scheen te maken.
Na hem stapten de twee andere reizigers uit, eveneens in dikke pelsjassen gestoken, en met bontmutsen op, waarvan de kleppen over hun ooren waren getrokken, ten einde zooveel mogelijk beschermd te zijn tegen den ijskouden wind.
De een was een man van omstreeks veertig jaar met heldere grijze oogen en scherp geteekende gelaatstrekken, terwijl zijn metgezel veel jonger was, en op het bezit van een groot blozend gelaat en lachende blauwe oogen kon bogen.
De beide reizigers, die door Baron Dobrinsky met zooveel hartelijkheid begroet waren, waren John Raffles met zijn trouwen vriend Charly Brand.
Het spreekt echter van zelf dat de eigenaar van het landhuis hen niet als zoodanig kende!
De heeren hadden eenige jaren geleden kennis met elkaar gemaakt te Petrograd, waarheen Raffles zich begeven had, slechts gedreven door zijn lust tot avonturen, en zonder een bepaald doel, hetgeen hij zoo menigmaal placht te doen.
De gentleman-inbreker had indertijd den naam van Graaf Finsbury gevoerd, reizende met zijn secretaris Alfred Wilburn.
Hij had aanstonds sympathie opgevat voor den baron, die toen pas uit Engeland was teruggekeerd en wiens liberale beginselen hem niet weinig verrasten en de heeren hadden vriendschap gesloten en elkander de belofte gedaan, ieder jaar eenigen tijd bij elkander te komen doorbrengen met het doel om gezamenlijk te jagen.
Raffles op het uitgestrekte jachtterrein van Baron Dobrinsky, en deze laatste op het landgoed hetwelk Raffles toen juist in het noorden van Schotland gekocht had.
Ten tijde van hun kennismaking woedde de oorlog nog altijd en de val van de Romanoffs was aanstaande—in de verte gromde het onweder van de revolutie.
Niet dan met groote moeite was Raffles er in geslaagd zich naar Petrograd te begeven, maar toch was hem dit gelukt.
Zoodra de wapenstilstand gesloten was, had hij zijn eerste bezoek aan Dobrinsky gebracht, en deze was den daarop volgenden herfst naar Schotland gekomen.
Hij had nu zijn beide gasten krachtig de hand gedrukt, en hun ieder onder den arm genomen, terwijl James Henderson, de trouwe chauffeur van den Grooten Onbekende, de geweren uit de slede had genomen en daarmede het terras op ging.
Toen de reus de wapens in de ruime, goed verwarmde [3]vestibule op een bank had neergelegd, en zich weder wilde verwijderen, riep Baron Dobrinsky hem toe:
—Zoodra gij de paarden gestald hebt, komt gij naar de groote zaal, om u bij het houtvuur te warmen, mijn vriend!
Henderson bleef staan, en wierp zijn meester een vragenden, verbaasden blik toe.
Ook Raffles had even verwonderd naar het bleeke, een weinig zwaarmoedige gelaat van zijn gastheer gekeken.
Hij kende diens vrijzinnige beginselen, maar hij had toch nog nimmer gehoord, dat hij de bedienden toestond in de groote zaal te verschijnen teneinde zich daar bij het vuur te komen koesteren.
—Ik weet niet of de graaf.….. stamelde Henderson verlegen.
—Als mijnheer de baron het vraagt is het natuurlijk in orde, James, zeide Raffles glimlachend.
Henderson kwam even aan zijn bontmuts, en begaf zich daarop weder naar de kleine, langbehaarde paardjes, die als het ware voorbestemd zijn om uren lang bij de bitterste koude een zware slede over de sneeuw voort te trekken.
In de vestibule was het heel wat beter dan daarbuiten, want in een reusachtige schouw brandde een geweldig vuur van houtblokken! Daarom heen zaten een aantal zwijgende mannen, waarin Raffles en Charly Brand aanstonds eenige Moejiks herkenden, dat wil zeggen Russische boeren.
Zij waren allen op dezelfde wijze gekleed, in een soort wollen wambuis, dat bijna tot aan de knieën reikte en met een breeden lederen riem om het middel was bevestigd.
Aan dien riem hing, in een lederen schede gestoken, een breed en sterk mes met een hoornen heft.
De wijde broeken, eveneens van een wollen stof, verdwenen in vetlederen kaplaarzen.
Deze mannen hadden ternauwernood even omgezien toen de vreemdelingen binnen kwamen, en staarden nu weder in de rossige vlammen van het houtvuur.
Dobrinsky had Raffles glimlachend aangezien, en zeide nu op zachten toon:
—Het verwondert u misschien een weinig dat ik mijn boeren toe sta in de vestibule van mijn landhuis te komen en zich daar te warmen!
—Om u de waarheid te zeggen, wist ik niet dat het de gewoonte was! kwam Raffles.
—O, gij zult u nog wel over meer dingen verbazen, daar ben ik zeker van, hernam Dobrinsky glimlachend. Laat ik u om te beginnen maar zeggen dat gindsche boeren zich niet in mijn huis, maar in het hunne bevinden! Dat wil zeggen—in het onze! Zij zijn dus in zekeren zin evengoed uw gastheeren als ik het ben.
—Ah, nu begrijp ik het, hernam Raffles glimlachend, terwijl hij zijn stem liet dalen, het zijn Bolsjewiki en zij hebben u uw huis ontnomen.
Baron Dobrinsky schudde het hoofd en antwoordde:
—Het eerste is juist, maar wat het tweede betreft vergist gij u! Zij hebben mij mijn huis niet ontnomen,—ik heb het hun geschonken! en niet alleen mijn huis, maar ook al mijn bezittingen.
Deze mededeeling had Raffles zeker niet verwacht.
Hij wist dat Iwan Dobrinsky reeds jaren geleden door zijn adellijke vrienden met een scheef oog werd aangezien, omdat hij, naar zij zeiden, socialistische denkbeelden aankleefde, maar dat hij zich zoo kalm zou schikken in zulk een staat van zaken als deze, dat verbaasde hem wel een weinig!
Maar hij zou spoedig nog meer reden tot verwondering krijgen!
—Wat hebt gij zelf dan overgehouden? vroeg Raffles zachtjes, terwijl hij en Charly met hun gastheer de breede trap opgingen ten einde zich naar hun logeerkamer te begeven.
—Wat ik heb overgehouden? Niets—en alles! Ik deel het nu met een paar honderd anderen—en toch kan ik volstrekt niet merken dat ik minder heb dan vroeger!
—Maar dan zijt gij.…..!
—Bolsjewiek! vulde Dobrinsky den zin rustig aan. Ik zie met genoegen dat gij van mijne mededeeling niet schrikt zooals vele anderen zouden hebben gedaan, want helaas maakt men zich in Westelijk Europa een volkomen verkeerde voorstelling van ons! Men beschouwt ons daar als weinig beter dan wilde beesten, die in bloed waden, en die zich aan allerlei vreeselijke misdaden schuldig maken! Men wil het schoone in onze beginselen niet zien, en men let alleen op de noodlottige uitwassen, die nu eenmaal het onvermijdelijk begeleidingsverschijnsel zijn van iedere omwenteling! Ik zeg u dat de revolutie in Rusland niet te vergelijken is met de groote Fransche Juni-Omwenteling, en wat daar twee dagen lang op volgde! Zeker, het grauw [4]heeft zich hier en daar aan zware misdrijven te buiten gegaan,—maar men mag nimmer vergeten dat de vroegere maatschappij zelve dat grauw gekweekt heeft! Gelooft gij dat ooit deze allerlaagste stand had kunnen ontstaan, als er steeds voldoende arbeid, voldoende onderwijs, voldoende voedsel en een goede woning voor allen was geweest, voor allen zonder onderscheid?
Raffles gaf geen antwoord op deze rechtstreeksche vragen, ofschoon dat zeker ontkennend had moeten luiden, zoozeer was hij verwonderd over dezen ommekeer in een Russischen edelman.
—Ik geloof, dat ik weet wat er in u omgaat! vervolgde Dobrinsky glimlachend. Gij denkt met een gek te doen te hebben of minstens met een zonderling, met een uitzondering op den regel. Laat mij u dan zeggen, dat er duizenden Russische edellieden zoo denken als ik! Hoe vreemd klinkt het ons Russen in de ooren als gij Westerlingen meent dat het leger der Bolsjewiki is samengesteld uit het laagste gespuis! Maar is het u dan ganschelijk onbekend, dat er in de gelederen van het Roode Leger professoren, hoogleeraren, studenten, en ook duizenden edellieden van den hoogsten rang meestrijden? Gelooft gij dat dit mogelijk zou zijn als de zaak waarvoor zij strijden, niet schoon en edel ware?
Raffles zweeg, niet omdat hij geen antwoord kon geven op deze vraag, maar omdat hij nog altijd nadacht over de evolutie, die zich voltrokken had in het gemoed van dezen edelman, den spruit een der rijkste en invloedrijkste geslachten van geheel Rusland.
Toen zij voor de deur van een der logeerkamers stonden, en op het punt waren binnen te gaan, vroeg Raffles: En hebt gij zelf ook mee gestreden?
Dobrinsky knikte en zeide op ernstigen toon:
—Ik heb meegestreden als kapitein; ik ben een maand geleden ernstig gewond, en pas dezer dagen weder hersteld! En mijn boeren hebben mij verpleegd met een liefde en zorgvuldigheid die mij nu nog de tranen uit de oogen perst.
—Dat brengt mij de vraag op de lippen, waarde baron, of gij nog steeds niet aan trouwen denkt, vroeg Raffles glimlachend.
Iwan Dobrinsky legde de hand met een plotselinge beweging op het hart, en zijn bleek gelaat vertrok zich even krampachtig.
Zijn stem klonk heesch toen hij zeide:
—Spreek daar thans niet over! Later—later zal ik u misschien mededeelen wat er met mij geschied is.
Raffles wierp een snellen, onderzoekenden blik op het gelaat van den gastheer en hij zag daarop een smart die bijna niet te verduren scheen.
Hij legde even zijn hand op den schouder van den baron en trad toen de logeerkamer binnen, waar een heerlijke warmte heerschte, uitgestraald door de groote steenen kachel, die in een hoek van het vertrek stond.
—Nu moet ik u nog zeggen, waarde gasten, dat volgens uw opvatting de bediening nog al wat te wenschen zal laten, want in deze streek zijn er geen bedienden meer, tenminste niet meer in de beteekenis die men in Westelijk Europa aan dat woord hecht! Een voor een doen mijn boeren—of liever die hier op dit landgoed den grond bewerken, het noodige om het huis in orde te houden.
—En wie kookt er voor nu? vroeg Charly nieuwsgierig.
—Een kok en een keukenmeid—maar zij worden behandeld op den voet van volkomen gelijkheid, antwoordde Dobrinsky. De bedienden eten gezamenlijk in onze eetkamer.
—En hoe gaat dat toe in uw huis in Pudoz, vroeg Charly verder.
—Juist op dezelfde wijze, mijn waarde heer Wilburn, antwoordde Dobrinsky glimlachend, daar heb ik nog huisknechts, maar zij worden goed betaald; zij hebben een goed vertrek, zij kunnen over veel vrijen tijd beschikken, zij hebben hun boeken, hun eigen leeskamertje dat zij trotsch hun “Bibliotheek” noemen; in het kort, zij hebben een menschwaardig bestaan.
Raffles en Charly waren het logeervertrek binnengegaan, waar twee bedden stonden en hadden hun zware pelzen afgelegd.
De zon was reeds onder gegaan en bijna tegelijkertijd was de eigenaardige schemering ingetreden, welke op deze breedte in de plaats treedt van den avond en van den nacht.
Van uit het venster hadden zij het gezicht over den moestuin, over de akkers en verder over een eindelooze vlakte, terwijl de horizont was afgesloten door een bosch van pijnboomen, waarachter nog een rossige gloed zichtbaar was, daar, waar de zon zooeven was ondergegaan.
Het vertrek bezat een grooten erker, en vandaar kon men, hoewel onduidelijk, den loop van de Wodla volgen.
Eenige dagen geleden was het ijs gaan kruien, en er [5]hadden zich op sommige plekken grillig gevormde ijsbergen opgestapeld, samengesteld uit ruwe ijsschotsen, met scherpe kanten en waarop de zon des daags een schitterend kleurenspel tooverde.
De hemel was in enkele oogenblikken diep blauw geworden en de sterren schitterden met buitengewonen gloed.
Het zou zeker een prachtige nacht worden, een van die geheimzinnig schoone nachten, waaraan noordelijk Rusland zoo rijk is.
Dobrinsky had zwijgend even voor een der vensters gestaan en scheen geheel vergeten te zijn waar hij zich bevond.
Eensklaps wendde hij zich om, wreef zich over het hooge voorhoofd, streek eenige malen over zijn zwart glanzend haar, en zeide toen:
—Wij zullen, als gij het goed vindt, morgen vroeg op jacht gaan! Er zijn beren in den omtrek gezien naar den kant van het bosch. Hebt gij lust om eens uw kracht met hen te meten?
—Ik verlang niets liever! antwoordde Raffles. Ik wist echter niet, dat de beren zoo dicht de bewoonde plaatsen durfden naderen!
—O ja, des winters doen zij dat zeker! Zij komen dan van het gebergte, waarvan gij de toppen nog juist even in het Zuid-Oosten kunt zien opsteken en waar de groote moerassen van de Mocha in het Westen afsluit.
—Ik behoef zeker niet te vragen of het gevaarlijke heerschappen zijn, vroeg Charly.
—Zeer gevaarlijk, mijn waarde Wilburn! antwoordde Dobrinsky. Zij zijn groot van stuk; zij zijn van nature woest, en zij zijn al even uitgehongerd als de wolven! Ik zou u dan ook niet raden mis te schieten—want zij zijn vlugger dan gij denkt! En nu zal ik u maar even alleen laten, men zal u aanstonds uw bagage komen brengen. Ik heb een logeerkamer voor uw bediende naast de uwe in orde laten maken, vindt gij dat goed?
—Uitstekend, mijn waarde baron! antwoordde Raffles. Ik ben zeer gehecht aan mijn trouwen James en ik heb hem steeds liefst in mijn nabijheid!
—Wel, dan zijt gij ook reeds bijna een Bolsjewiek! hernam baron Dobrinsky, met de kruk van de deur in de hand. Toen hij het vertrek verlaten had, keek Raffles zwijgend naar de gesloten deur, en wendde zich toen tot Charly, terwijl hij op zachten toon en met een vreemden glimlach om de lippen zeide:
—Hij moest eens weten dat hij bijna gelijk heeft!