[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

Het gevecht met de beren.

Het bleek al spoedig dat de gastheer van de beide vrienden niets te veel had gezegd van zijn beginselen.

In de groote gemeenschappelijke zaal, waar duchtig gestookt moest worden om ze warm te houden, troffen Raffles en Charly een dertigtal Moejiks aan, die zich daar zeer op hun gemak schenen te gevoelen, en waar van er een aantal uit korte steenen pijpjes rookten.

Zij allen hadden het type van den Russischen boer van deze streek, die in ontwikkeling vrij wat hooger staat dan de boer uit Centraal-Rusland, die het weer wint van zijn makker in het onherbergzame Siberië, hetgeen een natuurlijk gevolg is van de omstandigheid, dat de Wit-Russische boer dichter in de nabijheid der groote steden woont, terwijl de Klein-Rus maar al te vaak zelfs niet weet hoe een spoortrein er uit ziet en door zijn volmaakte afzondering nog altijd in duistere afzondering voortleeft, zonder onderwijs en zonder de kleinste geneugten des levens, in eeuwig durenden strijd gewikkeld met een meedoogenloos klimaat en met een koude, waarvan men zich ten ontzent geen voorstelling kan vormen.

Zij spraken slechts zeer weinig en sommigen hunner [6]sliepen, die het dichtst bij het vuur gezeten waren.

Raffles, die zeer goed Russisch sprak, knoopte met eenigen hunner een gesprek aan, en het verraste hem, dat hij in deze boeren een begin van beschaving kon ontwaren.

Wat hun tegenwoordige positie betreft—die schenen zij als de natuurlijkste zaak der wereld te beschouwen.

De gasten werden door twee der boeren bediend, die zich van hun taak met groote handigheid kweten.

Er verscheen een reusachtig stuk vleesch op de tafel, brood, groenten en vervolgens een soort meelsoep, terwijl vruchten, geconfijte dadels en schapenkaas het dessert vormden.

Het was een zeer eenvoudig, hoewel voedzaam maal, en in vroeger jaren zou zeker geen Russisch edelman er genoegen mee hebben genomen, zelfs niet in zijn landhuis in de sneeuw.

De boeren zaten in dezelfde groote zaal en aten volmaakt hetzelfde.

Dien avond brachten de drie heeren in een ernstig gesprek door, waarvan bijna alleen de nieuwere denkbeelden en de vreeselijke strijd om de macht in Rusland het onderwerp vormden.

En Raffles en Charly kwamen tot de overtuiging, dat men in Westelijk Europa al zeer slecht en onvolledig was ingelicht omtrent den waren aard der Bolsjewiki, dat inderdaad niets anders bleek te zijn dan de uiting van een wil, die voor ieder schepsel een behoorlijk bestaan mogelijk wil maken.

Maar gedurende dit gesprek waren de gedachten van den gastheer enkele malen afgedwaald, en dan was hij telkens, als het ware met een schok, weder tot de werkelijkheid terug gekomen.

Het was duidelijk, dat de gedachten van Dobrinsky door iets pijnlijks in beslag werden genomen.

Raffles dacht er echter geen oogenblik aan, naar de reden van die afgetrokkenheid te vragen, daar hij niet onbescheiden wilde zijn.

Men begaf zich vroeg ter ruste, daar de drie reizigers nog vermoeid waren van den langen tocht van Pudoz door de sneeuw naar het landhuis van hun gastheer, en omdat zij den volgenden morgen vroeg weder zouden moeten opstaan.

Om tien uur was alles in het huis in diepe rust.

Den volgenden morgen werden Charly en Raffles gewekt, doordat een stralende zon door de vensters in hun kamer scheen.

Het beloofde een heerlijke dag te worden, ofschoon de koude nog even fel was.

Hun gastheer wachtte hen in de groote zaal, waar het vuur reeds weder was aangelegd.

Hij stak hun beiden de hand toe en zeide:

—Wij zullen dadelijk na het ontbijt vertrekken en mondvoorraad medenemen, want wij moeten vrij ver—tot het bosch en nog verder, tot bij den voet der bergen, waar de beren hun holen hebben.

—Maar heb ik mij niet laten vertellen, dat er hier in de buurt nog niet lang geleden gestreden is tusschen de Rooden en de Witten? vroeg Charly.

—Dat is inderdaad het geval! antwoordde Dobrinsky op ernstigen toon. Er is met afwisselend succes gevochten bij Kolodoserskoi, op veertig wersten hier vandaan. Daar ben ik ook gewond. Eerst werden de onzen teruggedreven, en moesten wij wijken voor de overmacht, maar later kregen wij versterkingen en konden wij het prijs gegeven terrein en ook het kleine stadje, dat ik zooeven noemde, weder terug nemen. Het ging er warm aan toe, dat verzeker ik u!

Dobrinsky had dit laatste op doffen toon gezegd, en een diepe rimpel ploegde nu zijn hoog voorhoofd.

—Gij kunt u niet voorstellen, wat het zeggen wil, bij deze vreeselijke temperatuur te strijden! Bedenk, dat wij hier en daar juist zoo zijn ingegraven als in het begin van den wereldoorlog, en dat onze mannen daar dagen, soms weken, in dezelfde stellingen moeten vertoeven!

—Ja, dat moet wel veel eischen van het lichamelijk en vooral van het moreel uithoudingsvermogen der strijders! zeide Raffles nadenkend. Maar ik blijf het verschrikkelijk vinden, dat zonen van één volk elkander op deze wijze vernielen!

—De schuld is niet aan ons! riep Dobrinsky uit, terwijl zijn donkere oogen fonkelden, en hij zich in zijn volle lengte verhief. Wat wij willen, is goed en edel en er had geen druppel bloed behoeven te vloeien, als de rijke egoïsten en de militaristen het niet anders gewild hadden!

—Maar hoe lang kan dit nog duren? riep Charly uit.

—Zoo lang, tot wij overwonnen zullen hebben, mijnheer Wilburn! riep Dobrinsky met trillende stem. En als gij meent, dat deze strijd tot Rusland [7]alleen beperkt zal blijven—dan vergist gij u! Neen, de strijd om een menschwaardig bestaan zal de geheele wereld aantasten—en niet alleen de arbeiders, geloof dit maar vrij!

Er volgde een vrij langdurig stilzwijgen op deze op hartstochtelijken toon uitgeroepen woorden.

Toen wreef Dobrinsky met dezelfde beweging, welke de beide vrienden den vorigen dag reeds bij hem hadden opgemerkt, over zijn voorhoofd, en hernam op geheel anderen toon:

—Kom, vrienden! Wij willen ons nu aan het jachtvermaak wijden! De zorgen zijn voor andere tijden en daarmede mag ik u, Westerlingen, niet lastig vallen!

Men ontbeet stevig, en daarop werden de geweren nagezien, de tasschen met munitie werden omgehangen en men begaf zich naar buiten, waar de groote slede, die aan Dobrinsky toebehoorde, reeds gereed stond.

Henderson zou aan de jacht deelnemen, ofschoon hij niet van een geweer voorzien was, en bovendien ging nog de voormalige jachtopziener van den baron mede.

Want iedereen had thans het recht op beren te jagen in het jachtgebied, dat weleer alleen aan den baron behoorde.

In de slede waren reeds de noodige eetwaren gestapeld, benevens een mand met lepels, glazen, een theekan, een flesch met rum en andere zaken, welke men zou noodig hebben, daar de jacht zeker den geheelen dag zou duren.

De jachtopziener, Nicolai Petrowitsch geheeten, zou de drie paarden besturen, welke de slede trokken.

Het was nog zeer koud, maar gelukkig was de wind gaan liggen en men voelde er dus veel minder van, terwijl de jagers bovendien van top tot teen in het bont waren gestoken.

Onder vroolijk belgerinkel ging de slede op weg, en volgde een noord-oostelijke richting.

De koetsier moest wel zeer goed bekend zijn in deze streek, want er viel niets meer te bespeuren van den weg, die met de omliggende akkers en weiden één geheel vormde.

De slede volgde eenigen tijd de oevers van de Wodla, en waar de toestand dit veroorloofde, gleed zij over de gladde ijskorst, die het water van den stroom bedekte.

De zon speelde op de ijsrotsen langs den oever en tooverde er de schoonste kleuren op.

Hoog in de blauwe lucht waren een paar raven zichtbaar.

En dat was het eenige teeken van leven in deze witte woestijn.

—Ditmaal zijn het levende vogels! zeide Dobrinsky, terwijl hij naar boven wees. Maar het komt ook wel eens voor, dat wij hier mechanische vogels te zien krijgen—en die loeren niet op aas, zooals die raven daar boven ons, maar op levende wezens.

—Gij bedoelt, dat de strijdende troepen hier van vliegmachines gebruik maken? vroeg Charly.

—Ja. Maar de Witten hebben er veel meer dan wij, helaas! Men heeft ons echter uit het hoofdkwartier luchtversterkingen beloofd, welke wij ieder oogenblik verwachten—en dan beginnen wij een groot offensief, om den tegenstander hier uit de streek te verdrijven.

—Gij praat steeds van “wij”, mijn waarde baron! zei Raffles glimlachend. Zijt gij dan van plan, aan dat offensief deel te nemen?

—Ongetwijfeld! antwoordde Dobrinsky. De geneesheer, die mij in het landhuis bezocht heeft, verklaarde mij eergisteren, dat ik over enkele dagen weder naar het front zou mogen vertrekken.

—Maar dan zijn wij u lastig komen vallen! riep Raffles uit. Wij mogen u niet terughouden van wat gij nu eenmaal als uw plicht beschouwt, en wij zullen zoo spoedig mogelijk weder terugkeeren!

Dobrinsky hief met een afwerend gebaar de hand op.

—Gij weet heel goed, hoe welkom mij uw beider bezoeken steeds zijn! hernam hij. Gij blijft een week hier, en dan ga ik. Maar het behoeft u slechts één woord te kosten, en gij kunt over mijn landhuis beschikken alsof het van u zelf was!

—Dat is zeer vriendelijk van u, mijn waarde Dobrinsky! zeide Raffles. Maar wij mogen uw aanbod niet aannemen!

De slede gleed intusschen bijna geruischloos over de hardbevroren sneeuwlaag.

Men hoorde niets dan het rinkelen van de zilveren bellen der tuigen, het gekraak van het leder en het gesnuif der paarden.

De tocht werd gedurende drie uur onafgebroken voortgezet, en het bosch was nu zeer dichtbij.

Gedurende dien tijd was men eenige malen kleine [8]troepentransporten voorbij gekomen, die alle van sleden gebruik maakten, ook om de zware kanonnen te vervoeren.

Een wagen zou zeker tot over de assen in de dikke sneeuwlaag zijn gezonken.

Telkens moest dan Dobrinsky zijn verlofpas toonen en verklaren, wat hij hier deed.

Want wel was men hier buiten de eigenlijke gevechtszone, maar toch binnen het operatiegebied.

Ook de beide vreemdelingen en hun bediende moesten hun passen laten zien, en somtijds trof hun een sombere blik van wantrouwen en haat, als men daarop het woord “Graaf” las.

En eensklaps, toen zij nog maar een paar wersten van het bosch verwijderd waren, ving het oor der jagers een dof geluid op.…..

Het was het dreigend gebonk van het kanon.

Henderson had de paarden ingehouden en keek vragend om.

—Gij kunt wel doorrijden, mijn vriend! zeide Dobrinsky. De limiet loopt van het noorden naar het zuiden op deze plek, en wij zijn er zeer ver van verwijderd. Slechts de klare lucht en het volkomen gemis aan huizen en boomen op deze eindelooze vlakte doet ons het artillerievuur zoo duidelijk vernemen!

De slede kwam weder in beweging en van dit oogenblik af, zou het dof gedreun van het geschut de jagers voortdurend vergezellen.

Aan den zoom van het bosch werd halt gehouden en de eetwaren werden ontpakt.

Men zou hier een vuur aanleggen en den maaltijd gebruiken.

Petrowitsch en Henderson maakten van takken een groot vuur aan en zetten thee.

De sneeuw leverde water genoeg!

En daarop zetten de mannen zich aan den maaltijd, oogen en ooren goed open, want zij bevonden zich thans aan den voet van het gebergte, en het was hier zeer goed mogelijk, dat er zich uitgehongerde beren in den omtrek bevonden.

Iedereen hield dus zijn geweer gereed, en onder het bereik van zijn hand.

De maaltijd was spoedig geëindigd en omstreeks één uur begaven de jagers zich weer op weg, dwars door het bosch heen, waarvan de boomen wijd uiteen stonden, zoodat zij er op verren afstand van de slede gebruik konden maken.

Hier en daar waren nieuwe sporen in de sneeuw zichtbaar, welke aanstonds door Petrowitsch werden herkend—het waren afdrukken van berenklauwen!

Het bosch liep voor een deel tegen de berghelling op en men moest hier de uiterste voorzichtigheid in acht nemen.

Men bevond zich dicht in de buurt van een groote houthakkershut, die thans onbewoond was, en waarbij een stal behoorde, waar de drie paarden onder dak konden worden gebracht.

Zij werden uitgespannen en kregen een flink voer hooi, waarop de staldeur stevig werd gesloten, zoodat de paarden niet zouden kunnen uitbreken, en er ook geen beren of wolven in zouden kunnen doordringen.

Voor de koude behoefde men niet bevreesd te zijn, want de kleine Russische Steppen-paarden zijn zóó gehard, dat het al bijzonder sterk moet vriezen vóór zij er eenigen hinder van ondervinden.

Te voet gingen de vier mannen thans verder, en zij volgden het spoor van de berenklauwen.

Nu en dan schudde Petrowitsch, de jachtopziener, het hoofd en bromde binnensmonds:

—Wij zijn nu op de berenjacht—maar wij konden wel eens meer van die zoolgangers ontmoeten dan waarop wij gerekend hebben! Dit spoor is niet van een enkelen beer, maar minstens van drie of vier—misschien wel meer!

De jagers volgden het spoor nog eenigen tijd, met de hand aan den trekker van het geweer, toen hun oor eensklaps getroffen werd door een luid gebrul, dat zich vlak in hun nabijheid deed hooren.

Zij richtten de blikken naar alle kanten, maar er was volstrekt niets van een verscheurend dier te zien.

Rechts van hen verhief zich een rotswand bijna loodrecht omhoog, en links breidde zich het bosch uit.

Maar toen zij voorzichtig nog een paar passen deden, kwamen er eensklaps vier beren als bij tooverslag te voorschijn!

De roofdieren hadden hier zeker hun holen, en kwamen met waggelenden gang en zeer snel een soort bergpad afdalen, niet breeder dan een meter ongeveer, en dat de jagers nu pas ontdekten.

Aanstonds brachten Raffles en Charly hun geweer aan den schouder en drukten af.

Maar zij hadden blijkbaar op denzelfden beer gemikt, want slechts één van de monsters stiet een gebrul [9]uit, dat door den rotsmuur weerkaatst werd, en stortte toen stuiptrekkend van het pad omlaag.

De andere drie echter lieten zich niet ophouden en kwamen snel naderbij.

Dobrinsky legde op zijn beurt zijn buks aan en schoot.

Hij verwondde één der beren, maar niet doodelijk, want het dier bleef hevig brullend en aan den schouder bloedend, voortgaan.

Raffles had zijn geweer snel weder geladen en mikte nu zeer zorgvuldig tusschen de oogen van het dier. Hij drukte af, en het monster stortte doodelijk gewond neder—de kogel had het juist in den loggen kop getroffen!

Maar het gevaar was nog niet geweken—integendeel, het werd grooter—want daar vertoonden zich op het pad nog twee reusachtig groote bruine beren, die door het schieten en de lucht van het bloed uit hun holen waren gelokt.

—Het is waarlijk een heel gezelschap! riep Charly uit, die opnieuw geladen had.

—Ik heb het u wel gezegd, mijnheer! riep Petrowitsch uit, die nu snel zijn geweer aan den schouder bracht en vuur gaf.

Eén der beren viel neder, maar richtte zich weder op en kwam dreigend, op de achterpoorten loopend, op Raffles toe, die door dezen onverwachten aanval verrast werd, juist toen hij bezig was zijn geweer opnieuw te laden.

De beer greep het wapen bij den loop, vatte het in zijn beide machtige klauwen en brak het door midden, met evenveel gemak als hij het met een boomtak zou hebben gedaan.

Daarop liet het ondier de beide stukken van het wapen vallen en stortte zich op Raffles.

Het volgend oogenblik zou de beer hem de hersens verpletterd hebben of hem tusschen zijn geweldige pooten hebben doodgedrukt, toen plotseling Henderson, die zijn meester niet uit het oog had verloren, zich tusschen Raffles en den beer plaatste.

Hij was slechts gewapend met een breed jachtmes, maar hij aarzelde geen seconde.

Hij greep den beer met de linkervuist in den strot en plonsde hem met de rechterhand het jachtmes door de borst.

Het doodelijk gewonde dier vatte Henderson beet, en man en dier rolden om en om door de sneeuw, waarbij de klauwen van het dier den lederen pels, welken Henderson droeg, aan flarden reet.

Maar het bloedverlies had het monster spoedig uitgeput; zijn greep verzwakte en zijn sterke pooten lieten hun slachtoffer los.

Hijgend richtte Henderson zich overeind, met een diepe krab over de borst, welke de beer hem door al zijn kleederen heen had toegebracht, maar voor het overige was hij ongedeerd.

De anderen hadden niet op den afloop van deze worsteling gewacht, daar zij anders allen zeker gedood zouden zijn.

Charly en Dobrinsky hadden zoo snel zij konden hun geweer opnieuw geladen, en twee welgerichte schoten doodden op slag twee van de beren.

De laatste, blijkbaar verschrikt, maakte rechtsomkeert, en koos het hazenpad.

Men zond hem nog een paar kogels achterna, maar het dier wist zijn hol te bereiken, waar men hem slechts zeer moeilijk zou kunnen volgen, want het bergpad was zeer smal en steil, en men zou het niet anders kunnen begaan dan achter elkander loopend.

Men bemoeide zich allereerst met Henderson, die zich echter zoo spoedig mogelijk aan deze zorg trachtte te onttrekken, daar de schram, volgens hem, volstrekt niets te beteekenen had.

Raffles echter was op hem toegetreden en drukte den braven kerel krachtig de hand, terwijl hij hem diep in de oogen keek, en op zachten toon zeide:

—Eens te meer heb je mij het leven gered, Henderson! Ik dank je daarvoor.

—Laten wij daarover zwijgen, mylord, want als ik de keeren ging optellen, dat gij mij het leven hebt gered, dan zoudt gij het zeker winnen! Het zou toch ook te dwaas zijn geweest, als ik den bruinen sinjeur maar kalm zijn gang zou hebben laten gaan!

Raffles zeide niets, maar de blik, dien hij Henderson toewierp, was voor den braven reus een taal, die niet verkeerd begrepen kon worden!

De jachtopziener, die op dergelijke voorvallen steeds rekende, had verbandmiddelen bij zich en verbond handig en snel de wonde van Henderson.

Vervolgens ging men den jachtbuit bekijken.

De vijf gedoode beren bleken tot een zeer woest en gevaarlijk ras te behooren, en zij waren alle boven de gewone maat. [10]

—De kracht van deze monsters moet waarlijk buitengewoon zijn!

—Zij slepen soms wel eens geheel alleen een volwassen kalf mee, mijne heeren! zeide Petrowitsch. En weet u, hoe zij dat doen? Zij nemen het in hun voorpooten op en dragen het weg, zooals een kindermeisje het met een zuigeling doet, terwijl zij op hun achterpooten loopen, en met een schaap gaat het nog gemakkelijker, want dat dragen zij in hun bek mee.

—Zij richten dus zeker groote schade onder den veestapel aan? vroeg Charly.

—Dat is bijna niet te beschrijven, mijnheer, antwoordde de jachtopziener. Vooral des winters, als de honger knaagt, staan zij voor niets en dringen tot in de schaapskooien door, waar zij groote verwoestingen aanrichten, want zij vergenoegen zich er niet mede een enkel schaap te stelen, maar bijten er bovendien nog heel wat dood, om het bloed te drinken.

—Zoodat wij een goed werk verricht hebben, door deze bruine broeders naar betere gewesten te zenden? vroeg Henderson.

—Een voortreffelijk werk! bevestigde Petrowitsch glimlachend.

—Dan zullen wij thans maar terugkeeren, en morgen zullen wij een paar mannen zenden om de dieren van hun huid te ontdoen, want het zou ons te lang ophouden, als wij moesten wachten, tot Petrowitsch dat gedaan had, zeide Dobrinsky. De zon daalt reeds naar de kimme en over een uur is het duister.

En zoo aanvaardden de jagers den terugtocht en een half uur later hadden zij de hut bereikt, waar de paarden gestald waren.

Zij nuttigden weder iets, dronken een glas rum en namen vervolgens weder in de slede plaats, waarvoor Henderson de drie paarden weder had aangespannen.

—Wat ik zeggen wil—zullen de wolven de beren, die wij hebben neergeschoten, niet in stukken scheuren? vroeg Charly, toen de slede zich weder in beweging had gesteld.

—Als zij ze vinden, mijnheer, dan is er morgen geen stukje meer van over, antwoordde Petrowitsch lakoniek.

Lang vóór de slede de zoom van het bosch bereikt had, was de zon achter de kim verdwenen, en de koude deed zich nu feller gevoelen dan ooit.

De duisternis was bijna plotseling ingetreden en zeer ver aan den horizon kon men nu en dan een rossig schijnsel waarnemen.

—Daar is toch geen brand? vroeg Charly.

—Neen, mijnheer Wilburn,—dat is het kanon! antwoordde Dobrinsky op zachten toon.

Inderdaad kon men hier duidelijk het gedreun van het geschut hooren, dat dood en verderf uitbraakte in de gelederen van de eigen broeders—want daarginds streden Russen tegen Russen! [11]