[Inhoud]

HOOFDSTUK III.

Het verhaal van Dobrinsky.

De jagers kwamen zeer vermoeid thuis, en aanstonds begaven zij zich naar hun kamer om hun zware pelzen af te leggen.

De avondmaaltijd zou ditmaal gebruikt worden in een der eigen vertrekken van den voormaligen grootgrondbezitter.

Raffles en Charly waren spoedig gereed, en nadat zij hun zware vetlederen laarzen verruild hadden tegen gemakkelijker schoeisel, daalden zij de trap af en traden het vertrek binnen, waar Dobrinsky hen zou wachten.

Tot hun verbazing was daarbinnen alles nog donker, maar hunne verwondering nam toe, toen zij van den kant van den haard een onderdrukt snikken hoorden—het snikken van een volwassen man, die een duldelooze smart lijdt.

Raffles en Charly wilden zich bescheiden weder verwijderen, maar Dobrinsky had het geluid van de opengaande deur gehoord en stond haastig op, terwijl hij op zijn beide gasten toetrad.

Hij had iets in de hand, dat hij snel in zijn binnenzak wilde steken, maar het voorwerp viel er nevens op den grond.

Hij raapte het weder op, maar niet snel genoeg of Raffles en Charly hadden gezien, dat het een portret was.

De Groote Onbekende ging langzaam op Dobrinsky toe, legde hem beide handen op de schouders en keek hem recht in de oogen, waarin nog de sporen van tranen te zien waren.

Toen zeide hij op ernstigen toon:

—Luister eens, mijn waarde Dobrinsky—gij moet niet denken, dat het onbescheidenheid van ons is, maar ik wil er nu niet langer over zwijgen—er moet iets met u gebeurd zijn, dat uw gemoed bezwaart en dat u doet lijden! Wilt gij ons niet zeggen, wat het is en zoo uw hart ontlasten? Gij hebt geweend! Gij zijt een sterk man—en als die weent, dan moet de reden wel heel ernstig zijn! Het is waar, wij kennen elkaar nog niet zoo lang, maar toch—toch wil ik u vragen om uw gemoed eens bij ons uit te storten—wellicht zal het u verlichting brengen!

Dobrinsky liet een zacht gekreun hooren en scheen in tweestrijd te zijn.

De vlammen van het groote houtvuur in den schouw verlichtten zijn gelaat, dat vertrokken was en zijn oogen, die met doffen blik vóór zich uitstaarden.

Maar eensklaps scheen hij een besluit te nemen.

Hij trok Charly en Raffles bij den arm mee naar den haard en wees hun een stoel aan.

—Ik zal u mijn verhaal vertellen! riep hij uit. Het is kort, en gij behoeft er niet op te rekenen, dat gij iets romantisch of iets bijzonders te hooren krijgt! Mijn verhaal is het verhaal van zoovele mannen, die zich bedrogen zien in het dierbaarste verlangen en in hun vertrouwen op de menschen!

Dobrinsky stak langzaam de hand in den binnenzak, waar hij zooeven het portret had gestoken, en haalde het er even langzaam uit.

Hij stak het Raffles toe en zeide op doffen toon:

—Dat is zij! Ziet zij er niet uit als een engel, het toonbeeld van reinheid en goedheid?

Hij bedekte het gelaat in de handen en scheen zijn vraag reeds geheel vergeten te zijn.

Het portret, hetwelk Raffles in de hand hield, terwijl Charly zich over hem heenboog, was dat van een jong meisje van ongeveer twintig jaar, met prachtige oogen, waarschijnlijk donkerbruin of zwart, een schoon gevormd, ovaal gelaat, een fijn gemodelleerd neusje en dik, hoog opgemaakt haar.

En Raffles moest erkennen, dat hij zelden zulk een lieftallig gelaat had gezien, waarop goedheid des harten zich vereenigde met geest en schoonheid.

Hij bekeek het lief gelaat eenigen tijd aandachtig en gaf toen het portret weder aan Dobrinsky terug, [12]die zich had opgericht en zijn gasten nu met omfloersten blik aankeek.

—Zij is schoon—en naar het gelaat te oordeelen, zou ik zeggen, dat zij ook goed is! zeide Raffles zacht.

—Dat heb ik ook steeds gemeend, graaf Finsbury! kwam Dobrinsky. Totdat eerst iets geschiedde.….. Maar laat ik het u op geregelde wijze verhalen!

Hij scheen even na te denken, en vervolgde toen:

—Haar naam is Ilja Sykorsky. Zij is de eenige dochter van welgestelde lieden, die te Kolodoserskoi wonen. Ik deelde u reeds mede, dat deze kleine stad eenige malen van de eene hand in de andere is overgegaan. Thans hebben de Rooden er vasten voet gekregen, en wij zijn voornemens dit belangrijke punt tot het uiterste te verdedigen. Ik leerde Ilja ongeveer een jaar geleden kennen, en zij deelt volkomen mijn inzichten—op ieder gebied! Haar ouders zijn bedaarde, stille lieden, en men kan van hen niet verwachten, dat zij zich nog warm maken voor de nieuwere denkbeelden. Wij kregen elkander lief, en reeds was de dag voor ons huwelijk vastgesteld. Toen.… geschiedde het! Wij moesten tijdelijk terugwijken voor de overmacht der Witten, en Kolodoserskoi ontruimen. Met een bezwaard hart liet ik Ilja over aan de hoede van haar ouders. Had ik het maar nimmer gedaan! Had ik haar, ondanks alles, maar medegenomen en haar de gevaren van den oorlog laten deelen!

Weder bedekte hij het gelaat met de handen en een droge snik welde uit zijn keel.

Hij herstelde zich echter spoedig en scheen zich te schamen voor zijn zwakheid.

De handen krampachtig ineengestrengeld, de oogen recht voor zich uit starend, vervolgde Dobrinsky:

—Bij dien terugtocht werd ik gewond, en toen ik genoegzaam hersteld was, om te worden vervoerd, bracht men mij naar Pudoz, waar een familielid en mijn trouwe bedienden mij liefderijk verpleegden. En op mijn ziekbed kreeg ik haar brief.… Het was een korte, zakelijke brief, dat zeg ik u! Zij deelde mij mede, dat het beter was, dat wij van elkander gingen, want zij vreesde, dat zij mij toch niet zoo lief had als ik het verdiende! Ha ha! Alles was dus bedrog geweest, vroeger.… want ik zweer u, dat zij mij lief had, zooals ik nooit hoopte, dat een vrouw mij zou lief hebben!

Dobrinsky zweeg even, en zijn borst zwoegde hevig.

Hij scheen onzegbaar te lijden, een dof gekreun ontsnapte hem.

Met gesloten oogen bleef hij een oogenblik zitten, en ging daarop voort:

—Van de ontvangst van dien brief af, had het leven voor mij geen waarde meer, en als ik hem eerder had gekregen, dan zouden alle geneesheeren ter wereld mij niet hebben kunnen redden—ik was levensmoede! Mijn krachtig gestel won den strijd en ik ging hierheen, om mijn volledige beterschap af te wachten,—en dan opnieuw ten strijde te trekken.… en den dood te vinden op het slagveld, voor een goede en schoone zaak! En dit is mijn geschiedenis! Gij ziet wel, dat zij even eenvoudig als vaak voorkomend is!

Lang bleef het stil in het vertrek, en alleen het geknapper van de brandende houtblokken in den haard werd gehoord.

Raffles was de eerste die weder sprak.

Hij had zijn hand op den arm van Dobrinsky gelegd, en zeide op zachten toon:

—Dat moet een vreeselijke ervaring voor u zijn geweest! Zeg mij eens—hebt gij daarna in het geheel geen pogingen meer aangewend om Ilja tot andere gedachten te brengen?

—Dat verbood mij mijn trots! En bovendien, als gij haar karakter gekend hadt, dan zoudt gij mij die vraag niet gesteld hebben. Zij was geen vrouw, die op een eenmaal genomen besluit terugkwam.

—Als ik u goed begrepen heb, dan zijt gij na dien tijd in het geheel niet meer in Kolodoserskoi geweest.

—Neen. Al was ik er toe in staat geweest, dan zou ik die stad gemeden hebben.

—Kunt gij u in het geheel niet voorstellen, wat Ilja bewogen kan hebben, de banden met u te verbreken?

—Daarover heb ik nagedacht, tot mijn hersens er pijn van deden. En ik kon geen reden vinden. Steeds ben ik tegenover haar dezelfde geweest …

—Zij deelde de communistische inzichten?

—Zij was een vurig aanhangster van Trotzky.

—Nu, dan is het een raadsel.….. dan is het juist iets voor een vrouw, bromde Raffles voor zich heen.

Daarop hernam hij luid:

—Toen gij gewond werd, zijt gij toen dadelijk geëvacueerd?

—Neen, ik moet twee dagen in handen van den tegenstander zijn geweest, antwoordde Dobrinsky. [13]

—Wat zegt gij daar? riep Charly uit. Weet gij dat dan niet zeker?

—Ik weet zeker, dat het zoo is, maar ik had er geen besef van, mijn waarde Wilburn, gaf Dobrinsky ten antwoord. Men heeft het mij pas later verteld. Ik heb twee dagen zware koorts gehad, en ijlde aan een stuk. Het is dus wel begrijpelijk, dat ik mij van die twee dagen niets herinner.

Raffles had het hoofd geschud en scheen ten zeerste verwonderd te zijn.

—Heeft men u ook gezegd, wat den tegenstander wel bewogen kan hebben, u weder uit te leveren? vroeg hij toen.

—Men deelde mij mede, dat de andere partij slecht voorzien was van sanitaire middelen, en dat ook de ruimte voor de eigen gewonden niet groot was.

—En hebt gij later onderzoek gedaan, of dat inderdaad met de waarheid strookte? ging Raffles voort.

—Waarom zou ik daar aan getwijfeld hebben? riep Dobrinsky verbaasd uit.

—Wel—al ware het slechts, omdat het tusschen strijdende partijen zeker geen gewoonte is, de gewonden terug te geven, als zij niet ten doode zijn opgeschreven ten minste.

Dobrinsky keek Raffles eenige oogenblikken strak aan, en scheen zijn gedachten te willen lezen.

Hij wreef zich eenige malen met de witte hand over het voorhoofd, en zeide aarzelend:

—Ik weet niet, gij schijnt daar groote waarde aan te hechten.

—Zeg eens zelf, of ik daar ongelijk in heb, drong Raffles aan. Twee dagen zijt gij ziek in handen van den vijand geweest.….. en plotseling laat die u weder gaan, en zendt u naar de uwen terug. Duidt het mij niet ten kwade, maar ik vind dit een hoogst zonderlinge handelwijze.

Dobrinsky haalde de schouders op.

—Dan hebben zij er een of andere geheime reden voor gehad, welke ik niet kan doorgronden.

—En kunt gij genoegen nemen met ondoorgronde redenen? riep Raffles uit. Neem mij niet kwalijk, waarde baron, maar dan ben ik van een andere constitutie. In dit alles is iets raadselachtigs, naar mijn oordeel. Wat denkt gij ervan, waarde Wilburn? zoo wendde hij zich tot Charly.

—Ik ben het volkomen met u eens, graaf! antwoordde de jonge man. Het is voor het eerst, dat ik hoor, dat men gewonden van de andere partij midden in den strijd uitlevert, op gevaar af, dat zij dingen kunnen verraden, welke beter verzwegen waren gebleven! Ik wist niet beter of gewonden werden pas na het sluiten van den vrede uitgewisseld!

—Maar wat zou er dan toch wel achter kunnen steken? riep Dobrinsky uit. Gij maakt mij waarlijk ongerust!

—Dat is van hieruit niet te beoordeelen, waarde baron! gaf Raffles ten antwoord. Maar wij zijn geheel van het onderwerp van ons gesprek afgedwaald.

—Laten wij daar liever niet verder over spreken, zeide Dobrinsky op smartelijken toon. Gij weet nu, wat mij zoo onuitsprekelijk heeft doen lijden—en wat mij zal dooden—dat voel ik!

—Zoo moogt gij niet spreken! zeide Raffles op ernstigen toon. Gij moet een man zijn! En wie weet wat er nog kan geschieden!

Maar Ivan Dobrinsky maakte een afwerend gebaar, en zeide hoofdschuddend en diep bewogen:

—Gij tracht mij vruchteloos te troosten, Graaf! Voor de kwaal waaraan ik lijd, is geen kruid gewassen!

Raffles was opgestaan, en liep nu het vertrek eenige malen op en neder. Toen zeide hij, terwijl hij voor zijn gastheer stilstond:

—Wilt ge mij nog eens herhalen, dat niets in het karakter van Ilja u den stap deed voorzien dien zij gedaan heeft?

—Niets, riep Dobrinsky hartstochtelijk uit! Nog geen week voordat de aanval der witten plaats had, die ons het bezit van het stadje kostte, had zij mij met dure eeden bezworen dat zij over een maand mijn vrouw zou zijn. Ik meende op hare liefde te kunnen bouwen als op een rots.

—Nu moet ik u nog een vraag stellen, die u wellicht pijn zal doen, maar die toch noodig is, als ik uw toestand geheel wil begrijpen:

Weet gij zeker dat er niemand anders.…?

—Niemand! riep Dobrinsky met kracht uit. Haar ouders leefden zeer stil en zij had met weinig personen omgang, en ik had het moeten zien! Gelooft gij zelf dat er in de eerste paar dagen van mijn ziekte een man gekomen kan zijn, die mij uit haar hart verdreven heeft?

—Het klinkt tenminste niet zeer waarschijnlijk! antwoordde Raffles op weifelenden toon. [14]

—Niet waarschijnlijk? herhaalde Dobrinsky, ik zeg u dat het volstrekt onmogelijk is.

Raffles kwam haastig eenige schreden naar hem toe, greep hem bij den arm en riep:

—Is het onmogelijk? Ziet gij dan wel dat er iets raadselachtigs heeft plaats gehad! Gij zegt het nu zelf, zonder het te weten, al is het dan met andere woorden.

Dobrinsky greep zich met beide handen naar het hoofd, en waggelde achteruit, alsof hij een knotsslag had gekregen.

—Ik begrijp het niet … Ik begrijp het niet, stamelde hij. Ik weet niet wat gij bedoelt en wat ge mij wilt voorspiegelen. Wat gaat er in u om? Wat vermoedt gij?

—Dat kan ik u thans niet onder woorden brengen, baron—maar voor zoover ik het vrouwenhart doorzie, is zulk een plotselinge ommekeer onverklaarbaar! Maar ik heb een afschuw van onverklaarbare dingen.…

Hij voltooide den zin niet, maar vroeg eensklaps:

—Zijt gij in telefonische gemeenschap met Kolodoserskoi?

—Ik geloof ten minste dat de telegrafische verbinding hersteld is, antwoordde Dobrinsky. Waarom vraagt gij dat?

—Dat zult gij spoedig genoeg vernemen! Kan ik van hier uit telegrafeeren?

—Neen, het dichtstbij gelegen telegraafkantoor ligt op twaalf wersten hier vandaan.

—Dan gaan wij er aanstonds heen! zeide Raffles kortaf. Ik zal bevel geven dat men de slede inspant.

—Maar waartoe? hernam Dobrinsky dringend.

—Dat kan ik u thans nog niet zeggen, want misschien zoudt gij het mij wel beletten.

Hij wendde zich snel naar de deur, maar juist ging deze open en een bediende trad binnen met een brief in de hand—de zilveren presenteerbladen van Iwan Dobrinsky waren reeds lang afgeschaft.

—Een brief voor u, Iwanowitsch! zeide hij, terwijl hij zich tot Dobrinsky wendde.

—Een brief voor mij? kwam de baron verwonderd.

—Hij is door een militaire koerier gebracht, en hij wacht in de vestibule of gij misschien antwoord voor hem hebt.

—Breng den man hier, en geef hem een glas heeten wijn! zeide Dobrinsky.

Terwijl de bediende wegging om het bevel op te volgen, scheurde Dobrinsky haastig den omslag van den brief, verontschuldigde zich met enkele woorden en begon te lezen.

En terwijl hij las werd zijn gelaat krijtwit, en hij tastte met de linkerhand naar den tafelrand, terwijl zijn borst heftig op en neder ging.

Toen hij den brief ten einde had gelezen, wierp hij een verwilderden blik om zich heen, alsof hij niet wist waar hij was en vestigde dien toen op Raffles.

—Hij had gelijk! stamelde hij heesch. Er moet iets gebeurd zijn hetwelk ik mij niet kan begrijpen.

—Wat is er dan? vroeg Raffles haastig.

—Ilja is sedert vier dagen uit de ouderlijke woning verdwenen, en haar ouders zijn doodelijk ongerust, en vragen mij of ik soms weet waar zij zich bevindt!

—Daarover wilde ik telegrafeeren, zeide Raffles op ernstigen toon.

—Vermoedet gij het dan? vroeg Dobrinsky, terwijl hij Raffles bij den arm vatte.

—Ja!

—Maar waarom dan toch?

—Omdat de tegenstander u, na u in handen te hebben gehad, weder vrijuit heeft laten gaan!

Dobrinsky deinsde achteruit, alsof een slang hem gestoken had, en stond een oogenblik wankelend midden in het vertrek, met beide handen boven op het hoofd gedrukt alsof hij vreesde zijn verstand te verliezen.

Toen gaf hij een luiden schreeuw, en barstte uit:

—Groote God! Ik geloof dat ik het doorzie! De Witte troepen die hier tegen ons strijden, staan onder bevel van majoor Michael Popowitsch. Hij is een man van omstreeks veertig jaar, en ik weet dat hij, voor het tot den burgeroorlog kwam, menigmaal bij de ouders van Ilja aan huis kwam, en groot belang in het jonge meisje stelde! En die Popowitsch is een schurk, graaf, een ellendeling die voor niets terugdeinst als het voldoening aan zijn lage lusten betreft! Ja, nu weet ik wat er gebeurd is! Het wordt licht in mij! Hij heeft mij twee dagen lang in zijn macht gehad, hij wist van de verhouding tusschen mij en Ilja, en hij heeft haar toen hij nog meester in de stad was, gedreigd dat hij mij zou laten dooden, als zij hem niet ter wille was. En nu.… Waar is zij nu? Wat geschiedt er met haar?

Dobrinsky had deze woorden als in een droom gesproken. [15]

Hij staarde voor zich uit, schijnbaar zonder iets te zien, en zijn bleekheid was nu vreeselijk.

Juist op dit oogenblik kwam de koerier binnen, maar hij was niet alleen.

Hij kwam in gezelschap van een adjudant, een ijlbode, die zooeven met paard en slede was aangekomen, voor den jongen kapitein salueerde, en hem een verzegelden brief overhandigde.

Dobrinsky scheurde den brief met een enkele beweging open, vloog over de weinige regels en liet een dof gesteun hooren.

De brief bevatte het bevel van het hoofdkwartier van den sector om zich onmiddellijk bij zijn regiment te vervoegen hetwelk zich op dit oogenblik te Kolodoserskoi bevond, gereed om op te rukken.