De order was formeel en zij moest worden opgevolgd.
Men wist in het hoofdkwartier, dat baron Dobrinsky zoo goed als genezen was, en kon geen soldaten van zijn moed en zijn bekwaamheden missen, nu binnen enkele dagen de groote veldslag zou plaats hebben, waarvan de uitslag in dezen sector weleens beslissend kon zijn.
Men had daarom zijn ziekteverlof met enkele dagen ingetrokken.
Dobrinsky trad op zijn beide gasten toe, stak hun de hand toe en zeide met trillende stem:
—De plicht roept mij, mijne vrienden, en ik moet vertrekken! Het doet mij meer leed dan ik u zeggen kan, dat er zoo spoedig een einde komt aan ons samenzijn. Wie weet.… later.…
Maar Raffles schudde het hoofd, en zeide na een snellen blik met Charly gewisseld te hebben:
—Meen niet, waarde Iwan, dat gij ons zoo kunt afschudden! Denkt gij dat wij nu maar aanstonds weder naar Engeland terugkeeren? Neen! Wij hebben andere plannen.
—Wat wilt gij zeggen, vroeg Dobrinsky.
—Luister! Het lot heeft ons nu eenmaal te midden van den vreeselijken broederstrijd gevoerd. Ik wil en kan op dit oogenblik nog niet beoordeelen aan welke zijde het recht is. Maar dit staat vast—er zullen dooden en gewonden vallen, en die moeten verpleegd en verzorgd worden! Te allen tijde heeft de Roode Kruissoldaat boven de partijen gestaan, en daarom doen wij het aanbod, mijn secretaris, mijn trouwe chauffeur en ik met u mede te trekken om de gewonden te verplegen.
—Gij? riep Dobrinsky verrast en ontroerd uit.
—Ja, wij. Gij zult misschien weten dat ik in de geneeskunde gestudeerd heb, en dat komt mij thans goed van pas. Mijn secretaris is een uitmuntend verpleger, en mijn chauffeur zou niets liever willen dan behulpzaam te zijn bij het overbrengen der gewonden. En als er geen bezwaar is onze hulp aan te nemen, wijl wij Engelschen zijn, dan kunt gij over ons beschikken.
Diep ontroerd greep Dobrinsky de handen zijner twee gasten en zeide aangedaan:
—Ik neem uw hulp uit naam der menschelijkheid aan, en ik weet zeker, dat men in ons hoofdkwartier met graagte van uwe hulp zal gebruik maken.
—Ik moet u er echter nog op wijzen, mijn waarde Dobrinsky, ging Raffles voort, dat ik in zekeren zin door zelfzuchtige beweegredenen word gedreven, hernam Raffles glimlachend. Ik wil namelijk onderzoek doen naar Ilja.
Raffles had dit zonder eenigen nadruk gezegd, als ware het de eenvoudigste zaak ter wereld.
Hij vervolgde:
—Gij zelf zult daar natuurlijk niet toe in staat zijn, daar gij uw post niet kunt verlaten, maar ik, als vreemdeling, zal mij vrijer kunnen bewegen, en ben aldus als het ware aangewezen om in uw plaats handelend op te treden. [16]
Voor Raffles goed en wel wist wat er gebeurde, had Dobrinsky hem aan zijn borst getrokken en barstte in snikken uit.
—Als gij dat doet—dan ben ik u meer verplicht dan mijn leven! riep hij uit, maar ik vrees, dat gij een onmogelijke taak op u neemt! Want als zij het ouderlijke huis verlaten heeft, dan kan zij onmogelijk ergens anders zijn dan achter de vijandelijke liniën—in handen van dien schurk van een Popowitsch!
—Dat weet ik! hernam Raffles kalm. Wij zullen dus natuurlijk list moeten aanwenden, maar ook in dat opzicht heb ik veel boven u voor, omdat ik een vreemdeling ben, en desnoods kan voorgeven, dat ik verdwaald ben.
—Maar daarbij stelt gij uw leven in de waagschaal!
—Nu, als het anders niet is! zeide Raffles luchtig. Dat heeft in deze tijden en in dit land weinig te beteekenen! Zeg mij nu eens, wanneer gij denkt te vertrekken!
—Nog hedennacht! Ik zal dadelijk last geven, mijn bagage te pakken.
—Hoe lang duurt de reis?
—Met goede paarden, omstreeks vijf uur.
—Het is nu tien uur—dan kunnen wij er dus om drie uur in den nacht zijn. Wat ons zelven betreft, wij zijn in tien minuten reisvaardig.
Dadelijk werden de noodige bevelen gegeven, en Dobrinsky zelf hielp mede bij het inpakken van zijn zware valies.
Hij verwisselde zijn jachtcostuum, dat hij nog niet had afgelegd, voor een zeer eenvoudige uniform, welke slechts drie roode sterren op den kraag als dinstinctief had, maar overigens volkomen geleek op die der gewone soldaten, zette zijn uniformpet op en gespte zijn sabel aan.
Zijn dienstrevolver was reeds nagezien en in het valies geborgen.
Dit alles had nauwelijks een kwartier geduurd, en vóór de deur stond reeds de slede met versche paarden te wachten, welke men aan het telegraafkantoor door andere zou kunnen vervangen.
De koerier en de adjudant waren reeds weder vertrokken.
Dobrinsky nam afscheid van al zijn bedienden, die hem trouwhartig de hand kwamen drukken, en liet het landgoed over aan de goede zorgen van zijn voormaligen jachtopziener, die tevens de functie van rentmeester uitoefende.
De maan stond hoog aan den hemel en verspreidde een zilverachtig licht over de eindelooze sneeuwvlakte, welke de reizigers zouden moeten oversteken.
Henderson had de teugels weder ter hand genomen en voort ging het, de Steppen tegemoet.
Van tijd tot tijd riep Dobrinsky, die voor het overige diep in gedachten verzonken scheen, den reus een korte aanwijzing toe betreffende de richting, welke hij moest volgen.
De sneeuw knarste onder de ijzers van de slede, de bellen van de paardentuigen rinkelden, en dat was, met het snuivend ademhalen der drie paarden, het eenige geluid, dat vernomen werd.
Na een paar uur doemden heel in de verte een paar lichtjes op—die waren van het telegraafkantoor.
Het was een houten gebouwtje, tamelijk primitief ingericht, waar drie beambten woonden, waarvan er telkens twee tegelijk dienst hadden.
Zij zorgden niet alleen voor het doorseinen van telegrammen, maar vervulden ook de plaats van postmeesters, die een zestal paarden moesten verzorgen, welke dieren ter beschikking van doortrekkende reizigers stonden.
Vooral des winters, die hier volle zes maanden van het jaar duurde, leidden zij een hard en moeilijk bestaan, want het geschiedde wel eens, dat een levensmiddelenconvooi in een sneeuwstorm bleef steken, zoodat zij den hongersnood nabij kwamen.
Zelfs in het hartje van den zomer gingen er dagen voorbij, dat men niemand voorbij zag gaan.
Maar op dit oogenblik, bij deze felle koude van bijna dertig graden onder nul, was het posthuis een welkome veilige plaats.
De reizigers zouden zich daar wat kunnen verwarmen, terwijl de vermoeide paarden tegen verschen werden omgewisseld.
Na ongeveer twintig minuten hield de slede voor het posthuis stil, en een der beambten kwam met een kaarslantaarn naar buiten, om te zien wie de reizigers waren.
Dobrinsky toonde zijn militairen pas en ook de Engelschen moesten hun reispassen laten zien.
Vervolgens werden de vermoeide paarden uitgespannen en naar den stal geleid, terwijl een goeduitgerust driespan hun plaats ging innemen. [17]
De reizigers hadden aan het groote houtvuur plaats genomen en een glas heete wijn droeg er het zijne toe bij, om de hevige koude daarbuiten te doen vergeten.
Zij vertoefden ruim een half uur in het posthuis, waar men hen slechts weinig inlichtingen omtrent den stand van zaken te Kolodoserskoi kon geven en daarop werd de reis weder hervat.
De koude scheen nog toegenomen te zijn en men sprak onderweg zeer weinig.
Zoo dicht waren de reizigers allen in hun zware pelzen gehuld, en met reisdekens overdekt, dat zij bijna hun menschelijke gedaante hadden verloren en op vormelooze massa’s geleken.
De damp uit de neusgaten der paarden had zich als een ijskorst op hun hals en borst afgezet, maar de dieren draafden onverdroten voort in hun eigenaardigen korten, maar zeer snellen draf, waarbij zij de pooten slechts weinig kromden.
Een oogenblik waren de reizigers opgeschrikt door het gehuil van een troep wolven in de verte, en reeds hadden zij naar hun geweren gegrepen, maar gelukkig bleken zij boven den wind van de roofdieren te zijn, en het gehuil stierf spoedig in de eindelooze verte weg.
Het was bijna drie uur in den nacht, toen eindelijk de lichten van het kleine stadje opdoemden.
In het laatste half uur waren de reizigers reeds eenige malen een wachtpost gepasseerd, die telkens nauwkeurig de passen onderzocht en eenmaal was er alle overredingskracht van kapitein Dobrinsky toe noodig om een soldaat der Rooden te bewegen de drie Engelschen door te laten, die hij sterk scheen te wantrouwen.
Ook waren de uiterlijke kenteekenen zichtbaar geworden van een verwoeden strijd, die hier niet lang geleden had plaats gehad. Half dichtgesneden loopgraaf-prikkeldraadversperringen, grillig gevormde stompen van stukgeschoten boomen, vernielde kanonnen, en stapels leege hulzen van granaten en kartetsen.
Ook waren er hier en daar nog zwarte schimmen en vlekken op de smetteloos blanke sneeuw te zien, dat waren de lijken der nog onbegraven gevallenen.
Nu en dan waren de reizigers een huis voorbij gekomen, waarvan nog alleen de vier muren overeind stonden met groote gaten er in, terwijl de spanten van de stukgeschoten daken zwart tegen den helderen hemel afstaken als de ribben van het geraamte van een gestranden walvisch.
De voorste wijken van het stadje bleken krachtig bezet te zijn en onophoudelijk moesten nu de passen vertoond worden.
Het hoofdkwartier bevond zich in een huis op het marktplein, dat vroeger als feestzaal had dienst gedaan in de dagen toen Rusland nog niet door den burgeroorlog verscheurd werd.
Dobrinsky ging zich daar dadelijk aanmelden vergezeld van zijn drie reisgenooten.
Een oogenblik vreesde hij, dat de stafofficieren zich te ruste hadden begeven, maar de vensters waren verlicht en het bleek, dat er op dit oogenblik krijgsraad belegd werd.
Dobrinsky moest in een soort wachtkamer met zijn metgezellen nog een kwartier wachten en werd toen in een groot vertrek ontboden, waar tien heeren, allen in een zeer eenvoudig uniform gestoken, sommigen nog zeer jong, om een groote tafel gezeten waren, die met stafkaarten overdekt was.
Dobrinsky trad op een man met een langen grijzen baard toe, die bijna een hoofd boven de anderen uitstak, salueerde, en meldde zich present.
De andere keek hem onderzoekend aan en zeide toen goedkeurend:
—Het verheugt mij, kapitein, het verheugt mij, dat gij zoo spoedig aan den oproep hebt gehoor gegeven. Zijt gij geheel genezen?
—Ja majoor! antwoordde Dobrinsky.
—Wij zullen u noodig hebben, mijn vriend, want alles wijst er op, dat er over enkele dagen een hevige strijd te wachten is! De Witten zullen er zich zeker niet in voegen, dat wij hun dit belangrijke punt weder hebben ontnomen, maar ik zie dat gij niet alleen zijt?
Er klonk eenig wantrouwen in zijn stem, toen de majoor deze vraag deed.
—Ik vraag u verschooning, majoor, dat ik zoo vrij ben geweest drie goede vrienden mede te brengen; zij zijn Engelschen en zeer bedreven in het verplegen van gewonden. Zij vragen verlof om ons als Roode Kruis soldaten te mogen helpen.
En nu deelde Dobrinsky in korte woorden mede, wie de drie Engelschen waren en door welke omstandigheden zij zich hier bevonden.
Toen Dobrinsky geëindigd was, streek de majoor eenige malen over zijn langen grijzen baard zonder een oog van de drie Engelschen af te wenden.
Toen wendde hij zich tot Raffles met de vraag: [18]
—Weet gij aan wie gij uw hulp geboden hebt, mijnheer?
—Aan de Bolsjewiki, mijnheer, antwoordde Raffles eenvoudig. Laat ik u echter mogen zeggen, dat ik mijn hulp ook dan zou hebben aangeboden als mijn vriend Dobrinsky toevallig tot de partij der witten hadde behoord.
—Dat is ten minste eerlijke taal! riep de majoor uit. Ik kan van u als vreemdeling niet verlangen, dat gij aanstonds onze beginselen zult omhelzen, van welke gij u waarschijnlijk toch een verkeerde voorstelling maakt, wanneer ik ten minste mag afgaan op hetgeen uwe bladen van ons en ons doel verhalen. Ik wil u niet grieven, maar die bladen weten er niet veel van. Wij zullen echter geen tijd verliezen met u hier over te redekavelen. Wij willen u liever van harte dank zeggen voor uwe hulp.
—Wij doen slechts, majoor, wat ieder ander in onze plaats denkelijk ook zou hebben gedaan, zeide Raffles eenvoudig.
—Wij zullen u een dinstinctief geven, en een pas, opdat gij u overal vrij zult kunnen bewegen, hernam de majoor. Wendt u slechts tot mijn adjudant, die voortreffelijk Engelsch kent. Ja, ja, mijnheer, de Bolsjewiki zijn niet allen analphabeten, zooals men u tracht wijs te maken, voegde hij er glimlachend aan toe. Misschien gelooft gij mij niet, maar hier in deze zelfde stad strijdt aan onze zijde een voormalig grootvorst mede en nu genoeg gepraat, mijne heeren. Het is hoog tijd om ons ter ruste te begeven, want wie weet wat de dag van morgen ons kan brengen.
De majoor was opgestaan, en nu verhieven alle stafofficieren zich van hun zetel, salueerden en trokken zich naar hun vertrekken terug, voor zoover zij niet elders in kwartier lagen.
Raffles, Charly en Henderson wendden zich tot den adjudant van den majoor, die inderdaad voortreffelijk Engelsch bleek te spreken en kregen van hem een armband van witte zijde, waarop een rood kruis van dezelfde stof bevestigd was.
Daarop vulde hij voor ieder een pas in, en van dat oogenblik af waren zij als Roode Kruissoldaten bij het leger der rooden in dienst gesteld.
Dobrinsky had gewacht tot deze formaliteiten vervuld waren, en zeide nu:
—Hebt gij den adjudant reeds een nachtverblijf opgegeven. Maar hoe kan ik zoo dom vragen, gij zijt hier natuurlijk in het geheel niet bekend.
Hij dacht even na, en riep toen op levendigen toon:
—Daar valt mij iets in. Wij zullen naar de ouders van Ilja gaan. Zij zullen ons met open armen ontvangen.
—Om drie uur in den nacht? vroeg Raffles glimlachend.
—O, daar zullen zij niet op letten! antwoordde Dobrinsky. Zij zullen integendeel verheugd zijn, dat zij mij zien, daar ben ik zeker van.
—Maar ons ook? ging Raffles voort.
—Zeker, mijn vrienden zullen hen welkom zijn. Er is plaats in overvloed in het ouderwetsche, groote huis, en op deze wijze blijven wij ook in elkanders nabijheid.
En daarop begon de tocht door het kleine stadje, naar het huis van Sykorsky. [19]