Raffles, Charly en Henderson waren bij elkander gebleven, en hadden een onderkomen gezocht en gevonden in een gedeeltelijk vernielde boerenhofstede.
Het was omstreeks half twee in den nacht toen Charly wakker schrok.
Raffles, die blijkbaar klaar wakker was, had hem aangestooten, en zeide op fluisterenden toon:
—Het is nu tijd om te gaan, Charly!
—Wat wil je doen? vroeg Charly verschrikt.
—Kom dat weet je toch wel! antwoordde Raffles. Je weet wat ik Dobrinsky beloofd heb. Hij is zelf gewond en kan nu niet handelen. Ik wil naar den anderen kant oversteken.
Charly was eensklaps overeind, en fluisterde verschrikt:
—Dus dat was je ernst met dat krankzinnige voornemen. Heb je dan niet bedacht dat de kans, dat je heelhuids terugkeert, zeer gering is.
—Al was er in het geheel geen kans, dan zou ik toch gaan, hernam Raffles rustig.
—Dan ga ik mee! kwam Charly vastberaden.
—Neen, Charly, jij moet hier blijven, want als wij gezamenlijk gaan is de kans dat men ons ontdekt zeker nog veel grooter. Bovendien is het beter dat er iemand hier blijft om Dobrinsky te kunnen bijstaan als het soms noodig mocht zijn.
—Maar neem dan tenminste Henderson mee! riep Charly wanhopig.
—Hem eerst recht niet, want hij is veel te driftig en hij zou alles kunnen bederven!
Charly haalde met een moedeloos gebaar de schouders op.
—Ik zie het wel, zeide hij, je bent weer niet van je plan af te brengen.
—Ik zal niet rustig kunnen ademhalen, voor je weer veilig hier bent.
—Kom, kom, het zal wel meeloopen, hernam Raffles. De tegenpartij is natuurlijk even uitgeput van den strijd als de Rooden het zijn en de bewaking zal zeker alles te wenschen overlaten.
Hij had de hand van Charly gegrepen, drukte die krachtig en stapte over het lichaam van den luidsnurkenden Henderson heen.
Hij daalde de ladder af, die toegang gaf tot den vliering waarop zij den nacht hadden moeten doorbrengen, en stapte voorzichtig over de lichamen der soldaten, die in een loodzwaren slaap gezonken waren.
De hoeve had vroeger deel uitgemaakt van een klein gehucht, waarvan echter nog slechts puinhoopen over waren.
Raffles had zich voorzien van een beddelaken, zeker het eenige stuk van dien aard, dat vele tientallen mijlen in het rond te vinden was en sloeg dit om, ten einde des te minder tegen de sneeuw af te steken.
Tot zijn geluk was de maan achter de wolken schuil gegaan en het was erg donker.
Hij wierp een blik om zich heen, ten einde zich te vergewissen dat men hem niet volgde.
Toen snelde hij weg in de richting der vijandelijke linie.
Maar spoedig bukte hij zich en kroop nu op handen en voeten voort, gebruik makend van iederen terreinplooi en met zijn beddelaken bedekt.
Eensklaps wierp hij zich plat ter aarde en keek van onder een kleine opening strak naar een punt op eenigen afstand aan zijn rechterhand.
Hij meende daar iets te hebben zien schitteren, het leek op het glanzen van een bajonet. [27]
Er moest daar dus ergens een licht of een vuur zijn door een schildwacht ontstoken, ondanks het verbod.
Hij moest dien wachtpost ontwijken, want als men hem niet aanviel, dacht hij er niet aan om bloed van onschuldigen te vergieten.
Hij maakte dus een grooten omweg en tot zijn geluk merkte de schildwacht hem niet op—misschien was de man wel in slaap gevallen, daar hij wel wist dat er voorloopig geen aanval zou volgen.
Langzamerhand werden de teekenen veelvuldiger, dat Raffles zich midden in de vijandelijke linie bevond.
Op ongeveer een werst afstand doemden de omtrekken van een aantal huizen op, die behoorden zeer waarschijnlijk tot het eenige dorp, hetwelk deze verlaten streek rijk was.
Men kon er dus wel bijna op rekenen, dat het hoofdkwartier der Witten daar gevestigd zou zijn en dat dus ook Michael Popowitsch zich daar zou bevinden!
Zonder te aarzelen sloop Raffles verder en nog tweemalen moest hij een wachtpost ontwijken.
Blijkbaar lag het dorp buiten de draagwijdte van het geschut, want op eenige plaatsen brandde licht.
Toch was het zeer moeilijk er den weg te vinden en nu pas begon Raffles in te zien welke zware taak hij vrijwillig op zijn schouders had genomen.
Hij had het laken aan den voet van een grillig gevormden boom geborgen en ging nu stoutmoedig voort.
Hij liep geruimen tijd voor hij werd aangehouden door een korporaal, die hem naar zijn legitimatiepapieren vroeg.
Raffles wist zich echter uit den lastigen toestand te redden, door botweg te verklaren, dat hij zoo juist was aangekomen en noodzakelijk Majoor Popowitsch moest spreken.
De man wees hem een huis aan het einde van het dorp aan en Raffles kon doorloopen. Zijn Roode Kruisband had den korporaal blijkbaar vertrouwen geschonken en bovendien kwam het geen oogenblik bij hem op, dat deze man, die zoo voortreffelijk Russisch sprak, een Engelschman was, die zooeven uit de vijandelijke linies was gekomen.
Raffles voorkwam verdere ontmoetingen door zich haastig te verschuilen zoodra hij iemand zag aankomen en eindelijk stond hij voor het huis hetwelk de korporaal had hem aangewezen.
Het was een klein houten gebouw, zooals men ze in deze streken algemeen aantrof en slechts het onderste gedeelte van de muren was ter hoogte van omstreeks een meter uit steenen opgetrokken.
De deur was dicht, maar de vensters waren verlicht—blijkbaar was men daarbinnen nog op.
En toen Raffles nauwkeurig luisterde, drongen de klanken van een lied en van luid gelach tot hem door.
—De heeren schijnen zich hun nederlaag niet bijzonder aan te trekken, bromde Raffles voor zich heen. Nu, dat strookt met mijn plannen! Ik mag lijden dat de geheele staf stom dronken is! En laten wij nu eens even ons veldtochtplan opmaken!
Raffles wierp een blik om zich heen en deze bleef gevestigd op een paar groote voorwerpen, die even buiten het dorp zich bevonden en wel wat geleken op reusachtige hutten.
Toen hij wat naderbij kwam, zag hij dat het tenten waren van bruin zeildoek, aan de voorzijde geheel open en waarin blijkbaar een paar vliegmachines waren ondergebracht.
Achter een van deze tenten was een rood schijnsel zichtbaar, blijkbaar het schijnsel van het kampvuur.
—Wie weet kan een van die machines ons wel van pas komen, mompelde Raffles. Het is in ieder geval goed te weten, dat ze daar zijn!
Hij wendde nu zijn blik weder naar het huis en zag tot zijn teleurstelling, dat er een schildwacht met afgemeten schreden en het geweer op den schouder, voor het huis heen en weder liep.
In de duisternis had hij den man aanvankelijk niet gezien, maar nu stak zijn gestalte met geregelde tusschenpoozen scherp tegen het verlichte venster af.
—Ik moet tot iederen prijs daarbinnen zijn, aldus zette Raffles zijn alleenspraak voort; is het niet goedschiks, dan maar kwaadschiks.
Hij had gedurende al dien tijd verscholen gestaan in de schaduw van een zwaren eik.
Hij liep echter gevaar, dadelijk te worden gezien, zoodra hij op de deur toetrad en dan zou de schildwacht zeker alarm maken en alles was verloren, want de stafofficieren zouden zich waarschijnlijk niet evenals de korporaal met een kluitje in het riet laten sturen.
Een oogenblik stond Raffles in beraad, wat hij zou doen, toen er plotseling iets geschiedde, waarop hij in het geheel niet gerekend had! [28]
Toen de schildwacht weder langs het huis liep, sprong er plotseling een man, van reusachtigen lichaamsbouw te voorschijn, die zich waarschijnlijk verborgen had gehouden achter een stapel hout die tegen den zijmuur van het huis was aangezet.
Zijn gestalte stak scherp af tegen het verlichte gordijn, toen hij achter den schildwacht aansloop en Raffles zag, hoe hij bliksemsnel zijn vuist ophief en die op het hoofd van den Russischen soldaat liet neerkomen.
Zonder een kreet te slaken viel de man in de dikke sneeuw met het gelaat voorover.
—Misschien een medeminnaar, die wraak komt nemen! zeide Raffles verwonderd. Maar dan is het wel zonderling, dat de man zich alleen maar van zijn vuist bediende!
Het geheele voorval had zoo snel plaats gehad, dat Raffles nauwelijks begreep wat er was geschied.
Hij stond nog in beraad, wat hij zou doen, toen alweer iets anders zijn aandacht in beslag nam.
De man die den schildwacht had overvallen, haalde een touw te voorschijn en bond den ander met bekwamen spoed, waarbij hij met het slappe lichaam omsprong als een kind met zijn pop.
—Maar voor den drommel, ik zou bijna durven zweren.…., bromde Raffles voor zich heen.
Hij maakte den zin niet af, maar had in een paar sprongen de straat over gestoken.
Hij stond nu tegenover den man van het touw, die zich juist weder oprichtte en een tevreden geknor liet hooren.
Het was James Henderson!
Raffles was wellicht zeer verbaasd, maar de reus legde volstrekt geen verwondering aan den dag.
Het was alsof hij wist dat hij Raffles hier zou aantreffen.
Wel echter scheen hij wat verlegen met zijn houding.
Hij wreef zijn groote handen wat over elkaar en stond daar als een schooljongen die door zijn meester op kattekwaad betrapt is.
Toen trad bij zoo dicht mogelijk op Raffles toe, en fluisterde nauwelijks hoorbaar:
—Wees niet boos op mij, Mylord! Ik ben u gevolgd!
Raffles keek den braven reus hoofdschuddend aan, met een ongewone schittering in zijn oogen, en zeide toen even zacht:
—Hoe wist je dan wat ik van plan was?
—Ik was wakker, Mylord!
—Je hebt je dus maar slapende gehouden?
—Ja, Mylord, ik snurkte met opzet zoo hard mogelijk!
—Maar dan heb je mij ook over je drift hooren klagen!
—Ja, en ik had mijzelf een duren eed gedaan, dat ik onder alle omstandigheden mijn kalmte zou bewaren.
—Maar je had je voorzorgsmaatregelen toch niet zoo kunnen nemen als ik, jij drommelsche kerel, ging Raffles voort. Je had bijvoorbeeld geen beddelaken.
—Dat is waar, Mylord—en daarom heb ik ook maar alleen mijn vuisten moeten gebruiken.
—Je hebt dus een ontmoeting met een der Witten gehad?
—Ja, Mylord—ik liep om zoo te zeggen met mijn neus tegen een schildwacht aan, dien ik pas op het laatste oogenblik had gezien.
—Wat deed je toen?
—Ik sloeg den man neer voor hij van zijn geweer kon gebruik maken!
—En vervolgens?
—Vervolgens heb ik hem gebonden en een prop in den mond geduwd!
Raffles schudde opnieuw het hoofd, maar toen wendde hij zich af; teneinde te verbergen wat er in hem omging.
—Ik smeek u om niet boos op mij te zijn, Mylord, ging de brave kerel voort. Ik was wakker geworden door het luide spreken van mijnheer Brand, ik wist dat gij u in doodsgevaar zoudt begeven en ik kon het onmogelijk op die vliering uithouden, terwijl ik wist dat gij zoudt pogen door de vijandelijke linies te komen! Ik beloof u dat ik u niet in den weg zal loopen!
Raffles had de hand van Henderson gegrepen, en drukte ze krachtig.
Toen zeide hij:
—Je bent een brave kerel, Henderson—en je hebt mij zooeven een grooten dienst bewezen door dezen man onschadelijk te maken. Je hebt me zeker geen oogenblik uit het oog verloren?
—Slechts enkele malen, Mylord! Toen kreeg ik [29]deze huizen in het oog, en ik begreep dat gij hierheen zoudt gaan.
—Ben je hier iemand tegen gekomen?
—Ik heb alle ontmoetingen vermeden door mij snel te verbergen als ik iemand zag.
—Nu, begin dan maar weder met je te verbergen, Henderson, want ik vrees dat wij onmogelijk te zamen dit huis kunnen binnengaan.
—Maar wij moesten het toch in ieder geval probeeren, drong Henderson aan. Er zijn er misschien maar weinig; wij zijn gewapend, en wij zullen hen wel kunnen overmeesteren.
—Maar wij zullen slechts in het uiterste geval geweld gebruiken, fluisterde Raffles, en daarom is het beter, dat ik eerst eens afluister wat er in deze kamer gesproken wordt, misschien hebben zij het wel over Ilja Sykorsky, daartoe zijn zij nu juist in een stemming, zou ik meenen.
—Ik wil geen kwaad spreken van de Witte soldaten, Mylord, maar ik geloof dat ik niet zou zingen en drinken als ze mij op mijn gezicht hadden geslagen.
—Een kwestie van opvatting, zeide Raffles schouderophalend, en laten wij nu maar spoedig aan het werk gaan.
De twee mannen smeten het lichaam van den nog altijd bewusteloozen schildwacht over de sneeuw terzijde van het huis, legden het tegen den voet van den muur, en plaatsten er schuin eenige planken en houtblokken over, zoodat men het niet zoo gemakkelijk zou kunnen ontdekken.
Daarna slopen zij naar de achterzijde van het huis dat geheel vrij stond en vonden daar ook een deur, die echter niet bewaakt werd.
Zij was echter op slot gedraaid, zoodat Raffles genoodzaakt was haar met behulp van een looper te openen.
Hij duwde nu de deur voorzichtig open en keek in een flauw verlichte gang.
Het geluid van lallende dronkemansstemmen was nu duidelijk verneembaar.
Raffles wende zich tot Henderson, bracht zijn mond zoo dicht mogelijk bij diens oor.
—Luister nu eens goed, Henderson! fluisterde hij. Daarginds is een diepe nis onder de trap, waar zelfs voor jouw lichaam plaats is. Je blijft hier staan totdat ik je een sein geef, maar misschien geschiedt er in het geheel niets, dat zal louter van de omstandigheden afhangen.
—En mag ik vragen wat gij doet? vroeg de reus.
—Onder gindsche deur schijnt licht uit, daar zitten zij zeker achter te slempen en te brallen, ik zal eens hooren waar zij het over hebben, wie weet is het toeval ons wel gunstig.
—Maar als zij met minder dan acht man zijn, Mylord, zouden wij hen dan maar niet liever neerslaan, drong Henderson koppig aan.
—Je zoudt immers niet driftig zijn, Henderson, vroeg Raffles glimlachend, ik zeg je dat we met geweld niets verder zijn, want daardoor komen wij toch niet achter de verblijfplaats van het meisje en dat is toch maar de hoofdzaak, nietwaar, alles goed beschouwd komen wij toch niet hier om met den divisiestaf van de Witten te vechten.
—Dat wel niet, Mylord—maar als het er zoo tusschen door kon gaan—gaf Henderson te kennen.
Maar Raffles had hem reeds naar zijn schuilplaats geduwd, de achterdeur behoedzaam weder gesloten, zonder haar echter op slot te draaien, en nu sloop hij de gang verder in, tot hij stilstond voor de deur van het groote voorvertrek.
Hij bukte zich en bracht zijn oog voor het sleutelgat.
En daar zag hij acht officieren rondom een groote withouten tafel zitten, waarop in het midden een reusachtige kom gevuld met punch stond.
De officieren hadden allen een glas voor zich staan, en schenen van den drank reeds meer gedronken te hebben, dan misschien goed voor hen was.
Het was zeker zeer warm in het vertrek, want zij hadden allen hun uniformen opengeknoopt en lagen lui in hun stoel, ieder met een sigaret of een pijp tusschen de lippen.
Op dit oogenblik spraken zij ongeveer allen door elkander, en een paar officieren lachten luidkeels.
Maar toen sloeg er een man met de vuist op de tafel, gekleed in majoors-uniform en met een gelaat vol rimpels en kleine zwarte, sluwe oogen, een laag voorhoofd en een reeds kaal wordenden schedel.
Het werd dadelijk stil, en de man die met de vuist op tafel had geslagen, scheen het gezag uit te oefenen over de anderen.
—En ik zeg u dat men niet behoorlijk oorlog kan [30]voeren zonder wijn en zonder vrouwen! schreeuwde hij. Voor den wijn is gezorgd—en ik verzeker u dat ik ook zorg heb gedragen voor het andere! Ik heb mijn liefje hier op geen vijf minuten gaans! Het is nu twee uur in den nacht—morgennacht om denzelfden tijd zal zij de mijne zijn, dat heeft zij mij beloofd! Welnu, kunt gij voor u hetzelfde zeggen?
Een luid gelach en geschreeuw volgde op deze woorden, en een jong kapitein riep:
—Majoor Popowitsch kan ons ook op dit gebied een lesje geven, kameraden! Wie zou dat achter hem gezocht hebben! En dat heeft niemand onzer geweten.
Majoor Popowitsch zette een trotsche borst, en liet een hatelijk lachje hooren.
—Ik vereenig het nuttige steeds met het aangename, want gij moet weten dat mijn duifje tot de Rooden behoort en ik maak mij sterk dat ik nog wel een en ander zal los krijgen. Ik ga zoo aanstonds naar haar toe, want wie weet wordt zij zelf niet door ongeduld verteerd en bekort zij den termijn, dien ik haar gegund heb, om zich op het groote offer voor te bereiden!
—Mogen wij u vergezellen, majoor, riep de jonge kapitein uitgelaten.
—Geen grapjes, kapitein, riep Popowitsch uit, terwijl hij dreigend den vinger ophief, het lieve kind is voor mij geheel alleen, en het zou den man slecht vergaan, die het zou wagen, haar met een vinger aan te raken!
—Maar men mag toch wel haar naam weten? riep een ander.
—Daar wil ik geen geheim van maken! riep Popowitsch met een ruwen lach. Het lieverdje heet Ilja Petrowitsch, en zij hoort te Kolodoserskoi thuis!
Bij het noemen van dien naam was een stilte ingetreden, want bijna alle aanwezigen kenden de familie welke dien naam droeg. Zij hadden er tenminste anderen over hooren spreken.
Maar hoewel menigeen zich er over verbaasde, dat de eenige dochter van het echtpaar zich thans hier in dit dorp bevond, achter het front van de Witten, zoo waagde toch niemand het, een opmerking te maken.
Want allen kenden den majoor en zij wisten maar al te goed, dat hij geen gekscheren verstond in dergelijke zaken.
Raffles echter had genoeg gehoord en trad haastig in de schaduw van de trap waar Henderson geduldig op het sein wachtte, in de hoop, dat hij spoedig zou kunnen ingrijpen.
—Nog eenige oogenblikken, Henderson, en de officieren zullen opbreken! zeide Raffles fluisterend.
—Laten wij hen dan gaan, Mylord? vroeg de reus verwonderd.
—Allen—op één na, vriend Henderson! antwoordde Raffles. Maar die eene zal ons dan ook niet ontsnappen, daar sta ik borg voor!
—En het meisje?
—Daar gaat hij nu heen—en wij zullen hem volgen en aldus te weten komen, waar hij haar verborgen heeft!
En nu bleven de twee mannen geduldig als katten wachten tot het drinkgelag zou worden opgeheven.
Het duurde echter nog een vol half uur.
Toen werd de deur van het groote vertrek opengeworpen en er trad een man te voorschijn, die niet al te vast meer op zijn beenen scheen te staan.
Het was Majoor Popowitsch.
Hij liep naar de voordeur, opende ze en keek in de duisternis.
Hij uitte binnensmonds eenige vloeken, waarschijnlijk omdat hij den schildwacht niet op zijn post vond, om hem de eerbewijzen te brengen, en strompelde toen de duisternis in.
Aanstonds verlieten Raffles en Henderson hun schuilplaats, op de teenen sluipend, liepen om het huis heen, en kwamen juist bijtijds, om te zien, hoe de majoor een zijpad insloeg, dat om het dorp scheen heen te loopen.
Zich dicht tegen de huismuren drukkend, volgden de beide mannen hem op de hielen.
Ongeveer tien minuten later stond Popowitsch stil voor een klein huis, geheel uit hout opgetrokken en zocht in zijn zak naar den sleutel.
—Zoodra je ziet, dat hij den sleutel in het slot steekt, sla je hem neer! fluisterde Raffles den reus toe.
—Gij kunt op mij rekenen, Mylord! antwoordde Henderson.
Popowitsch had eindelijk den sleutel uit zijn zak te voorschijn gehaald en stak dien in het slot.
Op hetzelfde oogenblik was Henderson bij hem en met een enkelen vuistslag velde hij hem ter neder, zoodat de ellendeling als een blok omviel en bewusteloos bleef liggen. [31]
Maar ongelukkig had hij een luiden kreet geslaakt, die ver gehoord moest zijn.
—Snel, Henderson! riep Raffles. Wie weet, heeft men dien kreet vernomen! Wij moeten ons haasten! Houdt hier de wacht en geef het sein, als er onraad dreigt! Ik ga naar binnen om het jonge meisje te bevrijden!
Hij draaide den sleutel in het slot om en snelde naar binnen.
Het huis was geheel in het duister gehuld en Raffles moest op den tast zijn weg zoeken.
Maar eensklaps hoorde hij zacht weeklagen achter een deur, welke hij juist voorbij gegaan was.
Hij keerde op zijn schreden terug en een paar trappen deden de deur krakend openvliegen.
Raffles stond in een klein vertrek, dat schaarsch door een kleine lamp verlicht was.
En bij dat licht zag hij een schoon, jong meisje aan een tafel zitten, met een klein fleschje in de trillende hand en dat nu met doodelijk verschrikte oogen naar den vreemdeling staarde.
—Ongelukkige! Wat had gij willen doen! kreet Raffles.
Hij sloeg het fleschje met een snelle beweging van zijn hand uit de vingers van het meisje en trok haar overeind.
—Ga dadelijk mede! beval hij. De tijd dringt! Gij zijt Ilja Sykorsky?
—Die ben ik! antwoordde het jonge meisje toonloos. Maar wie zijt gij toch en wat wilt gij?
—Ik kom u redden van de schande en den dood! riep Raffles. Vraag niet verder, maar volg mij! Iedere seconde toevens kan u noodlottig worden—u en mij! Ik ben een vriend van Iwan Dobrinsky—laat u dat voldoende zijn!
Daar klonk een snerpend gefluit door den winternacht.
—Vlug! Vlug! drong Raffles aan. Dat is het sein, dat men ons gehoord heeft!
Hij trok het meisje met zich mede, en snelde de kamer uit, de gang door, en naar de deur.
—Het is tijd, Mylord! zeide Henderson op zachten toon. Daar komen al mannen aan, die den kreet zeker hebben gehoord!
—Op weg dan! Er zijn hier vliegmachines buiten het dorp! Het is onze eenige kans op redding! Aanstonds is overal alarm gemaakt!
Geheel versuft door dit plotseling gebeuren, waarvan zij zich niets kon begrijpen, liet Ilja zich medevoeren.
Zoo snel zij konden, liepen de drie personen de straat ten einde, of liever het pad, dat buiten het dorp voerde.
Er zou nu geen sprake meer van kunnen zijn op de zelfde wijze als zij gekomen waren, den terugtocht te aanvaarden.
Reeds klonken achter hen de voetstappen hunner achtervolgers.
Maar daar stonden de tenten, die de reddende machines beschermden!
Zij vlogen er op toe en bereikten ze, juist toen de achtervolgers zich over het lichaam van den bewusteloozen majoor heenbogen.
Het was hun geluk, dat de soldaten niet aanstonds begrepen wat er eigenlijk was voorgevallen, en in het eerst meenden, dat de majoor het slachtoffer van een wraakzuchtigen ondergeschikte of van een roover was geworden.
Want nu konden zij de tent binnengaan en een lichte jachtmachine naar buiten rollen, vóór de wachtpost achter de tent, uit twee soldaten bestaande, ter plaatse was.
De mannen waren zoo verbaasd over wat zij zagen, dat zij een paar kostbare seconden voorbij lieten gaan, alvorens van hunne geweren gebruik te maken.
En die seconden waren voor Henderson juist voldoende geweest!
Zijn vuisten vielen als twee smidshamers op twee hoofden neer, en de wachtposten rolden als kegels om.
Raffles had de benzinetank nagezien en tot zijn vreugde bemerkt, dat deze niet meer behoefde te worden gevuld.
Blijkbaar stonden de machines daar gereed, om op het eerste bevel te worden gebruikt.
Ilja, half bewusteloos, werd aan boord getild en Henderson draaide met een krachtigen zwaai van zijn arm de schroef aan.
Het toestel kwam in beweging.
Onder een der vleugels doorduikend, heesch de reus zich in het schuitje, juist toen onder luid geschreeuw [32]een aantal soldaten kwamen aansnellen, die in het wilde op de machine begonnen te schieten.
Maar reeds verhief zich het ranke toestel pijlsnel en bijna rechtstandig in de lucht, welke in het Zuid-Oosten reeds zacht rose gekleurd begon te worden—de kleur, welke het beste paste in deze gelukkige omstandigheden!