Umquenawis, de Machtige, is heer en meester in de bosschen. Onder de boschbewoners is niemand ook maar half zoo machtig als hij, niet een die zoo’n scherpen zin heeft om gevaren te ontdekken, of zoo’n vreeselijke kracht bezit om zich daartegen te verdedigen. Hij vreest dus niets, wanneer hij als een heerscher door de uitgestrekte wouden gaat. En wanneer ge hem voor ’t eerst in de wildernis ziet—hoe hij zich statig en zwijgend een weg baant tusschen de woudreuzen, of zich als een zware locomotief in ’t kreupelhout stort en omgewaaide boomen over snelt, met zijn neus in de lucht om den wind te onderzoeken, het breede gewei diep achterover op zijn machtige schouders, terwijl de doode boom die hem niet door wil laten krakend neerstort onder zijn stormende vaart en de elzen een snellen, kletterenden roffel op de bladen van zijn gewei slaan,—wanneer ge hem zoo ziet, rijst er een gevoel in u op als van een salueerend soldaat en ge zegt: „Zijn Hoogheid de Eland!” En al hebt ge uw geweer in de hand, nooit zult ge den doodenden loop opheffen.
… of zich als een zware locomotief in ’t kreupelhout stort en omgewaaide boomen over snelt …
bl 113 II.
De machtige kop met zijn zware gewei is voor elk huis te groot. Als hij daar zoo dwaas in een [114]kamer vol snuisterijen aan den muur hangt, zooals ge ’t gewoonlijk ziet, met zijn verschrompelde ooren, eens levende trompetten, met zijn uitpuilende oogen, eens zoo klein en scherp, en zijn reusachtigen snuit die alle verhoudingen verstoort, is hij misplaatst: een afzichtelijke wanschapenheid. Het heeft nauwelijks meer beteekenis dan een skalp op den paal voor een Indiaansche wigwam. Slechts in de wildernis met die onweerstaanbare drijfkracht van dat lichaam, die twaalfhonderd pond vol ingehouden sterkte er achter, het krakende kreupelhout onder zich en de hemelhoogwelvende bogen der sparren boven zijn kop, is hij, door dat vorstelijk overwicht, in staat een siddering door uw lichaam te jagen, hij Umquenawis, de Machtige, in zijn Wildernis. Daar alleen hoort hij thuis, en slechts wanneer ge dien kop daar ziet, hoe hij in rustige majesteit op een eenzaam punt staat uit te kijken over het zwijgende meer, of in geweldige vaart door het opgeschrikte woud stormt, zal uw hart opspringen en uw zenuwen trillen, een siddering die het trage bloed sneller doet vloeien, tot ’t zelfs prikkelt in de toppen uwer vingers, en maakt dat ge kalm naar uw kamp terugkeert met rust in uw ziel. Het is u goed Umquenawis te laten waar hij is, liever dan hem voor uw bewonderende vrienden op een vrachtwagen naar huis te rijden. [115]Al is Umquenawis heer en meester der wildernis, toch zijn er twee dingen—twee slechts en niet meer—waar hij soms bang voor is: de geur van den mensch en de ergerlijke knal van een geweer. Want er is op zijn Hoogheid den Eland gejaagd en hij heeft de vrees leeren kennen, die hem vroeger vreemd was. Maar wanneer ge diep de wildernis intrekt, waar nog nooit een jager is doorgedrongen en waar ’t geloei van een berkebast-roeper de avondstilte nog nooit verbroken heeft, kunt ge hem nog aantreffen zooals hij was voordat hij de vrees leerde kennen; daar zal hij op uw roep de berghelling nog afkomen, alles neertredend onder zijn voet en nooit in een kring gaan loopen om zijn vijand in den neus te krijgen; en wanneer hij uit zijn humeur is, zal hij u daar dan den eersten den besten boom injagen, dat ge om ’t lijf te bergen klimt als een eekhoorn die door een vos wordt nagezeten. Ik zag hem eens in zoo’n stemming op een kleinen, pezigen gids aanvallen, die een spar inklom met zijn sneeuwschoenen aan, niettegenstaande het breede netwerk waarin zijn voeten verward raakten; en geen beer zou den man dat grapje vlugger hebben nagedaan.
Wij boomden eens laat op een middag stroomop naar ’t groote meer in den bovenloop van een rivier in de wildernis. Behalve ’t gedonder van [116]watervallen in de verte achter ons en ’t frutselen van den stroom vlakbij, waren het rhythmische plonzen der vaarboomen en ’t geklots tegen mijn kleine kano, terwijl ze ’t rimpelende water doorsneed, de eenige geluiden die de stilte in het woud verbraken. Wij zwegen. Dat doen de menschen aan wie de wouden hun diepste geheimenis hebben geopenbaard en die bij elke volgende bocht der rivier een huivering kan overvallen, als het onverwachte plotseling komt.
Opeens voeren we met den boeg van onze kano, bij ’t omschieten van een kleinen kaap, pardoes op een groote wijfjeseland aan, die bezig was de rivier over te steken. Bij Simmo’s uitroep van verrassing hield ze plotseling op en keerde zich bliksemsnel naar ons toe. En daar stond ze, één groot vraagteeken van den neus tot aan den staart, terwijl de kano zijdelings aanhield op de luwte van een zware rots en daar trillend aan de vaarboomen bleef hangen, die stevig in den bodem staken.
We waren al laat voor ’t kampeeren en ’t meer was nog een heel eind stroomop. Na een paar minuten van zwijgend wachten gaf ik eindelijk het sein en de kano schoot naar boven. Maar in plaats dat de kolossale eland er in het bosch van doorging, zooals het een fatsoenlijken eland betaamd had, kwam ze recht op ons aanplonzen. [117]Simmo, die in den boeg zat, zwaaide met veel drukte zijn boom en we hieven een vereend geschreeuw aan, maar de eland naderde kalm en zeker, met het vaste voornemen om te onderzoeken wat voor een wonderlijk ding daarnet de rivier was opgekomen en de plechtige stilte had verbroken.
„’t Best maar stilhouden; zoo’n groote eland misschien kwaad doen,” mompelde Noel achter me, en we gleden weer stilletjes in de luwte van de beschermende rots terug, om nog een poosje te wachten en ’t groote beest zijn gang te laten gaan.
Wel tien minuten probeerden we op alle mogelijke manieren, door bedreigingen, door overreding, de eland uit den weg te krijgen, om haar per slot van rekening een kogel onder ’t lijf door te jagen dat ’t zoo kletste, maar een boos gestamp met haar hoeven was ’t eenige antwoord: geen de minste neiging te bespeuren dat zij den stroom aan ons wilde laten. Toen schoot me opeens een krijgslist te binnen, die ik eens heel vroeger bij toeval had leeren kennen. Ik liet mij op den naasten oever zakken, sloop door ’t kreupelhout verborgen tot achter de eland en begon takjes af te breken, eerst zachtjes, daarna hoe langer hoe harder, alsof er iets onbevreesd door het bosch naderde. De eland keerde zich op het eerste verdachte [118]gekraak vliegensvlug om, aarzelde, stak plotseling met zenuwachtige haast de rivier over, terwijl haar neusvleugels trilden en haar groote ooren heen en weer bewogen, om er achter te komen wat dat kraken toch te beteekenen had. Ze haastte zich hoe langer hoe meer, want het scherpe geluid hinderde haar gevoelige zenuwen. Het volgende oogenblik was de rivier vrij en doorkliefde onze kano het ondiepe, fronselende water, nieuwsgierig bespied door de eland, die half verscholen in de elzen stond.
Dat is bij gelegenheid een mooie krijgslist, want alle dieren worden bang voor krakende takken. Maar probeer het nooit ’s nachts, in den bronsttijd, met een mannetjeseland, zooals ik eens deed zonderdat ik er erg in had. Dan is hij geneigd u voor zijn vurig begeerde wijfje te houden, komt als een wervelwind op u losstormen, jaagt u den kouden schrik op het lijf en is pas tevreden wanneer hij u als een aap den eersten den besten boom in heeft gedreven.
Binnen een uur tijd telde ik van mijn kano uit zeven elanden, oude en jonge, en toen wij in de schemering onze kampplaats aan het groote meer bereikten en aan wal gingen, stond er een scherpe prent van een reusachtigen mannetjeseland dwars over onze landingsplaats. Het water was nog bezig er in te sijpelen, een bewijs dat [119]hij bij onze nadering de plek juist verlaten had. Hoe ik weet dat het een mannetjeseland was? In dezen tijd van ’t jaar zijn de mannetjes steeds aan ’t zwerven en hun hoefpunten zijn dan in een zuivere, gelijke kromming afgesleten. De wijfjes, die den heelen zomer in de strengste afzondering geleefd hebben om hun lompe kalfjes de geluiden en geuren en voorschriften van het woud te leeren, verplaatsen zich veel minder en hun hoeven zijn dientengevolge gewoonlijk lang en puntig.
Twee mijlen boven ons kamp liep een beekje met een lage elzenvallei aan den eenen—en een donker sparrenbosch, dicht en somber, aan den anderen kant. Toen ik een paar dagen later die plek ontdekte, leek het me een ideaal oord voor een eland om er haar schooltje te houden. Op het strand stond het vol prenten en ik wist wel dat ’k maar lang genoeg had te wachten, om de moeder en haar kalfje voor oogen te krijgen en misschien een glimp op te vangen van wat nog nooit iemand duidelijk gezien heeft, en dat is: een eland bezig haar jong te leeren hoe het zijn groote lichaam verstoppen moet; hoe geruischloos en onopgemerkt door het kreupelhout te gaan, terwijl men toch zou denken dat zelfs een vos zijn aanwezigheid daar al dadelijk verraden moet; hoe in volle vaart een omgevallen boom te nemen; hoe een jongen berk of eschdoorn met de borst neer [120]te duwen en onder zich te houden zoolang hij van den top eet—en nog een massa zulke dingen meer, die elke eland hoort te weten eer hij geschikt is om voor zichzelf te zorgen in de uitgestrekte wouden.
Eens op een middag toog ik er in mijn kano naar toe, greep een paar leliestengels beet, om het vaartuigje op zijn plaats te houden en ging stilletjes zóo liggen, dat alleen mijn hoofd nog boven den bootrand uitkwam, om te maken dat kano en mensch zooveel mogelijk op een ouden omgewaaiden boom leken. Ik wist dat het zoo zoetjes aan tijd werd dat de koe honger kreeg, maar het was nog te licht om haar jong aan den open oever te brengen. Na een uur wachtens kwam de koe voorzichtig de beek af. Toen ze den grooten boomtronk zag, stond ze plotseling stil, bleef er een minuut of twee, drie strak op turen, terwijl haar ooren heen en weer speelden, daarna begon ze gretig van de leliebladeren te eten, die langs den heelen oever groeiden. Toen ze terugkeerde volgde ik haar, nu eens door ’t kraken van een takje geleid, dan weer door wuivende toppen van ’t kreupelhout, of door de beweging van een reusachtig, donker lichaam, dat het al dien tijd zorgvuldig aan den wind hield, en ’k liet me door het groote, argelooze beest den weg wijzen naar de plek waar ze haar jong verborgen had. [121]Vlak boven mij, een kleine honderd meter het land in van den oever af, was een boom omgevallen; ’t gewicht van zijn ruige kruin had twee sparretjes neergebogen en vormde op die manier een laag hol, zoo donker, dat een uil maar amper had kunnen zien wat er zich binnenin bevond. Dadelijk zei ik bij mezelf: „hier is het;” maar daar ging me de moeder de plaats voorbij, zonder er naar het scheen eenige aandacht aan te schenken hoe ’n geschikt plekje dat daar was. Na een meter of vijftig keerde zij zich om en ging in kringen terug tot beneden de plek, steeds met ooren en neus den wind onderzoekend, terwijl ze regelrecht op me aankwam.
„Aha! ’t oude elandenkunstje,” dacht ik, want ’t was me weer te binnen geschoten dat een achtervolgde eland nooit gaat liggen rusten, voordat hij eerst een heel eind terug is geloopen in kringen evenwijdig aan zijn spoor, steeds onder den wind, om van een veiligen afstand uit te onderzoeken of hem ook iets volgt. Als hij ten langen leste gaat liggen, zal dit dicht bij zijn spoor zijn, maar onzichtbaar van daar, zoodat hij u kan hooren of ruiken in ’t voorbijgaan. En wanneer ge een heel eind verder de plek bereikt waar hij terugkeerde, is hij al mijlen ver en jakkert voort onder den wind, zoo snel dat de breede streken van uw sneeuwschoenen er kinderspel bij zijn. [122]Ge kampeert dus maar op de plek waar hij gelegen heeft, en neemt zijn spoor ’s morgens weer op.
Toen de groote koe zich omdraaide en met geweldige stappen terugkwam, wist ik dat ik haar jong in het sparrenhout zou vinden. Maar zou het niet omgekeerd gaan, en zij mij vinden en uit haar gebied jagen? Ge kunt er nooit zeker van zijn wat een eland wel zal doen als zij u bij haar kalfje aantreft. Gewoonlijk draven ze weg—eigenlijk bijna altijd—maar soms rennen ze uw kant uit. Er kwam nog bij dat ik al jaren lang trachtte een moeder-eland te bespieden als ze haar onderwijs gaf. Ik liet me dus op handen en voeten zakken en kroop onder den wind weg, om als ’t eenigszins mogelijk was buiten ’t bereik van den onderzoekenden neus der moeder te blijven. Ze kwamen gestadig nader;—’t was verwonderlijk hoe geruischloos haar bewegingen door het dichte warrelruig waren,—tot ze op de plek stond waar ik een oogenblik te voren geweest was, en plotseling hevig verschrikt haar kop in de lucht wierp. Aan de bladen en de vochtige aarde hing daar nog een flauwe geur van mij. Een korte wijl stond ze als een beeld en liet vorschend de lucht door haar neus gaan; toen ze echter in den wind niets ontdekte, keerde ze zich langzaam naar mij toe om [123]ooren en oogen te gebruiken. Ik lag al dien tijd doodstil achter een mossigen boomtronk en ze zag me niet. Op eens keerde zij zich om en blaatte zachtjes. Dadelijk ontstond er beweging in het sparrenhol, een blatend antwoord, en een elandenkalf krabbelde voor den dag en draafde regelrecht op de moeder aan. Zwijgend werd er stilte geboden—onbegrijpelijk voor mijn menschenverstand.
De moeder boog haar grooten kop naar den grond. „Ruik dat eens; let daar eens goed op en onthoud het,” zei ze op haar manier, en ’t kalf boog zijn kopje naast den haren en ik hoorde het de bladeren besnuffelen. Toen zwaaide de moeder wild met haar kop, duwde het kleine ding van het pad af en dreef het haastig voor zich uit van dat oord weg—„Vooruit, haast je wat, onraad!” zei ze nu, en af en toe zette ze haar onderricht kracht bij door een zetje van achteren, dat ’t kalfje over de moeilijke plaatsen heenhielp. Zoo ging ’t den heuvel op: het kalf verbaasd en nieuwsgierig, maar de harde kop aan zijn dij herinnerde hem er toch steeds aan dat hij maar had te gehoorzamen, terwijl de moeder zich zoo nu en dan omwendde om te snuiven en te luisteren, tot ze geluidloos tusschen de donkere dennen verdwenen.
Wel een week en langer waarde ik op die plek rond, maar ofschoon ik de twee een enkelen keer in ’t bosch of aan het strand bespeurde, ik zag [124]geen kans iets naders omtrent Umquenawis’ geheimen te weten te komen. Elanden krijgen les in afgelegen, lommerrijke valleien, buiten ’t bereik van spiedende oogen. Maar eens, toen mijn kano bij ’t aanbreken van den dag om een grazige landtong kwam schieten, stonden daar de moeder en haar kalf tot aan de knieën in de lelieblaren. Met een schreeuw joeg ik mijn bootje regelrecht op het jong aan.
Nu heeft een jonge eland, of rendier, een heele poos noodig, om bij plotseling dreigend gevaar te leeren dat hij niet zijn eigen, verschrikten zin moet volgen, maar den weg dien zijn moeders staart hem wijst. Dit is het eerste ding dat jonge hertjes goed van hun moeder leeren; maar rendieren zijn van nature of dom, of goed van vertrouwen, of ze branden van nieuwsgierigheid; en elanden met hun groote kracht kennen van huis uit geen vrees, zoodat deze noodzakelijke les maar traag geleerd wordt. Wanneer ge op korten afstand een rendier- of elandmoeder met haar jong verrast en oogenblikkelijk op hen afschiet met een paar harde kreten om ze van de wijs te brengen, bestaat er kans dat de moeder ’t kreupelhout in zal springen waar ze veilig is, en het kalf het meer in of den oever langs, waar het ’t gemakkelijkst loopt.
Zoo heb ik verscheiden keer jonge elanden en rendieren gesnapt, of zwemmende, of vastklevende [125]in de modder, en als ik ze naar den oever terug had gedreven, gekeken hoe de moeder voorzichtig weer voor den dag kwam en hoe ze ’t verloren schaap behandelde. Ik pagaaide eens naar een jongen, halfvolwassen mannetjeseland toe, en toen ik naast hem was, greep ik het ruige haar op zijn rug beet en liet me een meter of honderd naar de volgende landtong voorttrekken, terwijl ik onder de bedrijven zijn gezicht bestudeerde.
Toen mijn kano op de beide elanden afschoot, deden ze net zooals ik verwacht had: de moeder joeg met reusachtige, plonzende sprongen, dat modder en water vroolijk om haar heenvlogen, naar het woud toe, terwijl het kalf langs den oever rende, verward raakte in de bladen van de waterlelies en op een drassige plek terechtkwam, waar hij met wanhopig geblaat tot over zijn rug inzakte en zijn kop omwendde om te zien wie ik was.
Ik liet mijn kano op den oever loopen en ging zonder haast of opgewondenheid rustig naar dien kleinen baas toe. Neus, oogen, ooren ondervroegen mij, en toen hij zag hoe ’n onschuldig iets hem bang had gemaakt, veranderde zijn angst langzamerhand in nieuwsgierigheid. Hij probeerde zelfs zijn onhandige, kleine pooten in mijn richting uit de modder te trekken. Ondertusschen stormde de moeder aan de hevigste opwinding ten prooi in het kreupelhout rond en riep haar kalf. [126]
Ik had het kleine dier bijna bereikt, toen de wind den sterken geur naar hem toedreef dien hij een paar dagen geleden in het bosch had leeren kennen, en hij liet een schril geblaat hooren. Tot antwoord kraakte het in ’t kreupelhout, klonk hoefgestamp—dat kon niet anders dan een waarschuwing voor me zijn aan een veiligen terugtocht te denken—en daar kwam de moeder het kreupelhout uitzetten, met oogen zoo rood als die van een wild zwijn en het lange haar op haar rug steil overeind, als een vreeselijke borstel. „Wacht nu maar niet totdat ik „ruk in” tegen je zeg, maar scheer je weg—ieieunh! unh!” gromde zij, en in een ommezien had ik mij uit de voeten gemaakt en was naar het meer gesneld, waar ik zoo gauw de diepte het veroorloofde dook als een otter en onder water bleef zwemmen, om de aandacht van de oude furie te ontgaan. Maar ik hoefde geen krijgslisten te gebruiken; dat merkte ik toen mijn hoofd weer heel voorzichtig voor den dag kwam. Het was haar genoeg dat ik vluchtte; hoe kon haar even weinig schelen alsof ze een Boeren-generaal was geweest. Regelrecht kwam ze op haar kalf toe, duwde haar grooten kop onder zijn lichaam en beurde hem ruw uit de modder, om hem daarna voor zich uit het kreupelhout in te drijven.
Dat was ruw en streng optreden, maar ’t was goed voor het jong, want het moest weten wat verstandig [127]is in het bosch. Uit de verte keek ik naar de lijn van trillende twijgtoppen in ’t kreupelhout, die aangaf welken weg ze namen, en volgde hen daarna zachtjes. Toen ik ze terugvond in het schemerdonker van de zware sparren, was de moeder bezig haar kalf de flanken te likken, dat het niet te plotseling af zou koelen na zijn ongewone bad. Alle woede en ruwheid waren verdwenen; teeder boog ze haar grooten kop over het dwaze, plompe jong, droogde, warmde het al likkend en streelend zijn arme flanken, terwijl ze het in moedertaal toefluisterde dat het nu weer geleden was en dat hij ’t een volgenden keer wel beter zou doen.
Er waren nog meer elanden aan het meer, en alle even besluiteloos als de groote koe en haar kalf. Waarschijnlijk hadden de meeste nog nooit voordat wij kwamen een mensch gezien, en ’t verlangen om te weten wat ze wel zouden doen, wanneer ze voor ’t eerst dat vreemde, tweebeenige schepsel zagen, hield mij in voortdurende spanning.
Als een eland mij rook voordat ik hem zag, maakte hij stilletjes dat hij ’t bosch inkwam, om, zooals alle dieren in hun natuurlijke omgeving doen, op een veiligen afstand de kat uit den boom te kijken. Maar als ik toevallig onverwachts tegenover hem stond, en de wind zond zijn neusgaten geen waarschuwing, [128]dan was hij gewoonlijk hoegenaamd niet bang en heel nieuwsgierig.
Het allergevaarlijkst echter was de groote mannetjeseland wiens prent bij onze aankomst op het strand stond. Het was een oud, leelijk, gemelijk beest dat in zijn eentje leefde, met een humeur dat altijd op ’t punt stond om uit te barsten en ruzie te zoeken met al wat zijn pad waagde te kruisen of Zijn Edele iets te vragen. Ik ben er nooit achter kunnen komen, of hij misschien een verstooteling was, gemelijk geworden doordat hij te lang alleen geleefd had, of dat hij soms een oude kogelwond droeg, wat beide een verklaring zou kunnen zijn voor zijn vijandige gezindheid tegenover den mensch. Een heel eind naar beneden werd tien jaar geleden aan de rivier een jager door een mannetjeseland dien hij gewond had gedood; en ’t kon best wezen dat Noels bewering waar was en dit hetzelfde beest was, dat met een geheugen even onverbiddelijk als dat van een Indiaan zijn wrok gekoesterd had.
Voordat we dit samen hadden uitgemaakt, trof ik toevallig op een middag den grooten mannetjeseland, en ’t scheelde weinig of ik had mijn verdiende loon gekregen voor mijn domheid. Ik had zitten visschen en kwam op mijn terugweg naar de tenten een landtong omroeien, toen ik me plotseling tegenover een mannetjeseland bevond, [129]die aan ’t eten was van de waterleliebladen. Ik was geruischloos aangekomen—de eenige manier om in ’t bosch wat te zien te krijgen—en hij had er niet het flauwste vermoeden van dat er zich behalve hijzelf nog iemand in de buurt bevond.
Hij was bezig zijn grooten kop onder water te steken, tot alleen het tipje van zijn gewei er nog maar boven uitstak, en op den bodem rond te neuzen tot hij een leliewortel vond. Op ging de kop, met een ruk trok hij den wortel er uit en stond hem dan uiterst voldaan stukje voor stukje op te kauwen, terwijl het modderwater hem langs zijn snuit droop. Wanneer alles verorberd was, tastte hij onder de leliebladen op dezelfde manier weer naar een wortel.
Zonder hard na te denken over ’t gevaar dat ik mogelijk zou loopen, begon ik me voorzichtig naar hem toe te bewegen. Als zijn kop onder water was, werkte ik de kano stilletjes vooruit door gewoon de pagaai heen en weer te wentelen, zonder dat ze boven ’t water uitkwam. Dadelijk als zijn gewei weer verscheen, staakte ik het en dook in mijn kano, tot hij zijn sappige hapje op had en weer onderdook voor wat nieuws. Dan kon ik gemakkelijk weer verder gaan zonder ontdekt te worden.
Twee of drie keer achter elkaar was dit gelukt en nog steeds was het groote monster, dat gelukkig [130]met den rug naar me toe stond, zich van geen kwaad bewust, had er geen flauw vermoeden van dat er iemand naar hem keek. Weer verdween zijn kop onder water—maar ditmaal niet zoo diep; ik was echter te veel van mijn spannende spel vervuld, om er op te letten dat hij ’t eind van een wortel boven de modder gevonden had en dat zijn ooren uit het water staken. Een waterrimpel, veroorzaakt door den boeg van mijn kano, of ’t zwakke gefrutsel van een lelieblad tegen den zijkant, bereikte hem. Onverwachts schoot zijn kop uit de bladen te voorschijn, snuivend draaide hij zich met een geweldig geplas om, en daar stond hij, sidderend, ooren, oogen, neus, al wat aan hem was naar mij gericht; ’t was als overstelpten ze mij met vragen, zoo uitdagend dat ze oogenblikkelijk antwoord eischten. Ik hield me kalm, ofschoon ik eigenlijk veel te dicht bij dien kolos was om me op mijn gemak te voelen, tot een ongelukkige bries den boeg van mijn kano nog meer naar den kant dreef, waar hij nu dreigend en niet meer vragend stond. De borstels op zijn rug gingen overeind staan en ik besefte dat me maar een seconde tot handelen overbleef. Om op gang te komen maakte ik met den boeg van mijn kano een zwaai, in plaats van voorzichtig achteruit te gaan. Door die beweging kwam ik wel wat dichter bij hem, maar ik [131]kreeg er een kans door om langs hem heen te schieten. Hij sprong overeind bij de eerste plotselinge beweging; ’t roode vuur fonkelde uit zijn oogen en hij stoof recht op de kano af—een, twee plassende sprongen—en ’t reusachtige, wollige gewei zwaaide vlak boven mij en de hoeven waren opgeheven voor een doodelijken trap.
Onmiddellijk liet ik me overboord vallen met een schreeuw om het monster bang te maken, terwijl ik de kano tusschen ons in deed kantelen. Ik hoorde een splinterend gekraak achter me, terwijl ik mijn armen uitsloeg om in ’t diepe water te komen, en toen ik me op een veiligen afstand omdraaide, had de eland met een van zijn scherpe hoeven door den bodem van mijn omgekeerde kano getrapt, en probeerde op een alleronhandigste manier zijn poot tusschen de cederhouten ribben uit te krijgen waarin hij vastzat. Hij scheen bang te zijn voor dat vreemde, zwijgende ding, dat hem bij een poot te pakken had, want hij gromde en sprong terug en zwaaide opgewonden met zijn gewei; maar elk oogenblik werd hij razender.
Het eenige dringende wat mij nu dadelijk te doen stond, was te zorgen dat de kano niet kort en klein getrapt werd; alle andere overwegingen vervlogen bij de gedachte, dat, als het monster nog nijdiger werd en hij boven op mijn kano zou [132]springen, zooals hij doet als hij iemand dooden wil, één sprong dat ranke ding onherstelbaar vernielen zou en wij ginder de gevaarlijke rivier in een vurenhouten bootje van eigen maaksel zouden moeten trotseeren. Vlug zwom ik naar land en spartelde en gilde en draafde toen weg om de aandacht van den eland te trekken. Oogenblikkelijk kwam hij achter mij aan—uuh! uuh! tsjok-tsjokketie—tsjok! tot hij zoo dicht bij me was, dat het me wel wat onplezierig werd en ik ’t water weer inging. Hij volgde, al dieper en dieper, tot het water aan zijn flanken stond. De bodem was modderig en hij zette zijn pooten voorzichtig neer, maar ik hoefde niet bang te zijn dat hij achter mij aan zou zwemmen, want hij weet tot hoe ver hij gaan kan, en als hij er tot zijn schouders in staat, moet hij ophouden.
Toen hij me niet verder na wilde komen, zwom ik naar de kano en sleepte ze naar diep water. Umquenawis stond nu stom van verbazing te staren naar dien wonderlijken vischmensch. Voor ’t eerst doofde de roode gloed in zijn oogen en zijn ooren flapten heen en weer als vlaggetjes op den wind. Hij deed geen poging mij te volgen, maar bleef vol verbazing pal staan staren, tot aan zijn schoften in ’t water, terwijl ik hooger op de landtong aan wal ging, mijn kano omdraaide en ’t water er uit liet loopen. [133]
De pagaai hing nog aan haar touw—waar ze in hachelijke avonturen altijd hoort—en ik gooide ze in de kano. Dat geratel wekte Umquenawis uit zijn verbazing, alsof hij uitdagend geweigeklepper tegen de elzestammen gehoord had. Met machtige sprongen flodderde hij het water uit en kwam langs den oever aanschommelen, vreeselijk grommend en tsjokkend. Hij had den mensch weer gezien en ’t was hem nu klaar dat het geen visch was;—uuh! uuh! ieieuuh—uuh! gromde hij met een schuddende, plotselinge kronkelbeweging van nek en schoften bij den laatsten kreet, alsof hij mij al onder zijn hoeven voelde. Maar voordat hij de landtong bereikte, had ik mijn flanellen overhemd in ’t gat van de kano gestopt en dreef ik al weer veilig. Hij liep langs den oever met me mee, tot hij ’t geluid van stemmen uit het kamp hoorde, waarop hij zich oogenblikkelijk omkeerde en in de bosschen verdween.
Een dag of wat later had ik weer een eigenaardige ontmoeting met dien ouden knorrepot. ’k Was bezig met mijn kijker het meer af te zoeken, toen mijn blik op iets viel dat ik voor een paar zwarte eenden bij een grazigen oever hield. Ik pagaaide er heen zonder een oog van hen af te wenden, totdat het was alsof er tusschen hen in een worteltronk uit het water rees. Voordat ik mijn kijker weer in orde had, waren ze verdwenen. Ik liet [134]mijn kijker hangen en pagaaide gauwer; misschien waren ze wel aan ’t duiken—iets ongewoons voor zwarte eenden—en zou ik ze kunnen snappen. Daar had je ze weer en, floep! daar kwam die oude worteltronk ook weer voor den dag. Vlug als de wind bracht ik mijn kijker aan mijn oogen—en opgelost was het raadsel: de twee eenden waren de tippen van Umquenawis’ groote gewei; de worteltronk, die er tusschen in verrees, zijn kop, die boven kwam om adem te halen.
’t Was een drukkend heete middag; zwermen vliegen en muskieten vlogen er rond en Umquenawis had er heel wijsgeerig iets op bedacht om ze kwijt te raken. Hij lag in ’t diepe water op een modderbed en zijn heele lichaam was onder. Als de vliegenzwerm die hem treiterde bij zijn kop kwam, liet hij dien langzaam zinken, zoodat ze door ’t water verjaagd werden. Toen ik naderbij kwam, kon ik door mijn kijker zien hoe een zwerm er boven de golfjes wolkte of het uitstekende gewei bedekte. Na een poosje ontstond er dan een borrelend gegrom in de modder, als Umquenawis de lucht uit zijn groote longen blies. Daarna kwam zijn kop traag boven water om adem te scheppen tusschen de opstijgende luchtblazen, vielen de vliegen weer als een wolk op hem neer en verdween hij weer, lodderoogend onder het neerzinken, met een uitdrukking van volmaakte tevredenheid. [135]
Het kwam eigenlijk niet te pas die zalige rust te verstoren, maar ik wou graag iets naders weten van den norschen, ouden tiran, die mij zoo weinig wellevend behandeld had; dus ik ging weer voorzichtig op hem af, schoot voort als zijn kop verdween, en bleef stil liggen elken keer dat hij opdook om adem te halen. Ten langen leste kreeg hij mij in ’t oog en stoof doodelijk verschrikt overeind. Ditmaal blonk er angst in zijn oogen. Daar had je dien menschvisch weer, dat wezen dat èn op ’t land èn in ’t water leefde en zoo stilletjes kon naderen, dat zijn zinnen waarop hij altijd zoo vertrouwd had hem niet waarschuwden. Een oogenblik stond hij ingespannen te turen, maar toen de kano zonder aarzelen, snel en onversaagd recht op hem aangleed, waadde hij het water uit, tot hij den woudzoom bereikt had achter de grasstrook, elk oogenblik stilstaand, om zich om te draaien en te kijken en den wind te onderzoeken. Daar gekomen stak hij zijn neus in de lucht, legde zijn groote gewei achterover op zijn schoften en baande zich als een zware locomotief een weg dwars door de ruigte, dat de elzen onder ’t gaan vroolijk om hem heen kraakten en kletterden. De volgende ontmoeting vormde er een merkwaardige tegenstelling mee. Ik was eens ’s nachts met mijn lantaarn aan ’t visschen en kwam dicht langs een plek waar ik dikwijls de prent van den [136]ouden kolos gezien had. Hij was er niet en ik sloot mijn lantaarn en vervolgde mijn weg langs de kust, luisterend of er ook boschbewoners op uit waren. Toen ik een minuut of wat later terugkwam, hoorde ik een verdacht geplons op die plaats. Ik opende de lantaarn weer en daar stond Umquenawis, mijn geweldige eland, grootsch en reusachtig tegen den donkeren achtergrond, met oogen die gloeiden en fonkelden van dreigende verbazing over dat plotselinge licht. Hij was een meter of twintig van mij af langs den oever door de dikke ruigte komen loopen—zooals ik den volgenden morgen uit zijn prent kon nagaan—maar hij was met zijn logge lichaam zoo geruischloos door de boomen gegleden, telkens stilstaand om te luisteren, en bij elken tred op den grond tastend of er ook verraderlijke twijgjes lagen, eer hij met zijn volle gewicht neerkwam, dat ik geen geluid vernomen had, ofschoon ik op hem verdacht was en mijn ooren gespitst hield in de doodelijke stilte die over het meer lag.
Misschien was het uit nieuwsgierigheid, of door de onaangename gewaarwording van begluurd en achtervolgd te worden door den menschvisch, die niet bang voor hem was en hem toch geen kwaad deed, maar ten langen leste werd Umquenawis er toch door naar onze tenten gedreven om eens een onderzoek in te stellen. Op een keer was Noel [137]bezig kleeren van mij in ’t meer uit te spoelen, toen hij als door een ingeving gedrongen zijn hoofd omdraaide, en daar stond de groote eland hem ingespannen te bekijken, half verscholen in de dwergsparretjes. Noel liet oogenblikkelijk zijn spulletjes in den steek en liep wat hij loopen kon onder de struiken langs den oever door, terwijl hij me hard toeriep dadelijk te komen en ’t geweer mee te brengen. Toen we terugkwamen had Umquenawis de kleeren in de modder getrappeld en was even geluidloos weer verdwenen als hij gekomen was.
Maar nu begonnen de Indianen aan te dringen; ze hadden ’t over den jager die omgekomen was, en beweerden dat het geen twijfel leed of dit was diezelfde eland; ze wilden van me dat ik het monster zou dooden en de bosschen verlossen van een werkelijk gevaar. Maar Umquenawis leerde al bang voor me zijn en ik dacht dat ik er den schrik wel in zou hebben voordat de zomer gedaan was. Zoo geschiedde het ook, maar eer ’t zoover was, hadden we bijna een drama beleefd. Op een keer kwam er een houtzoeker—een eenzelvige, stille man, die met bijna dierlijk instinct den weg in de bosschen wist te vinden, wiens werk het was de wildernis door te trekken om het meest geschikte terrein uit te kiezen voor ’t kappen later—aan ’t meer; en omdat hij onkundig was [138]van onze aanwezigheid, kampeerde hij aan een bron, een paar mijl stroomaf. Ik zag den rook van zijn kampvuur van het meer uit, waar ik aan ’t visschen was, en werd nieuwsgierig wie er hier in de groote eenzaamheid was gekomen. Dat was ’s morgens. Tegen de schemering ging ik er heen, om den vreemdeling welkom te heeten en hem uit te noodigen, als hij er zin in had, onze kampplaats te deelen. Ik vond hem stijf en pijnlijk bij zijn vuur, waar hij bezig was brood met rauwe ham te eten, zoo hongerig als een wolf. Met éen oogopslag bijna had ik ook gezien dat de grond bij den boom omgewoeld was en overal in de rondte zag ik de hoefafdrukken van een grooten eland.
„Hallo, kameraad! Wat is er aan de hand?” zoo begroette ik hem.
„Heb je een geweer bij je?” vroeg hij met een echte, gebrouwde Iersche r in zijn uitspraak en geen aandacht schenkend aan mijn vraag. Toen ik van ja knikte, sprong hij op mijn kano toe, greep mijn geweer beet en draafde het bosch in.
„Een rare Chinees; misschien een beetje van de wijs, doordat hij te lang alleen in de bosschen is geweest,” dacht ik en begon den omgewoelden grond en de elandsprent te onderzoeken, om voor mezelf uit te vinden wat er gebeurd was.
Maar er was niets vreemds in het vriendelijke, open gezicht dat me aanzag, toen de vreemdeling een [139]halfuur later weer uit het kreupelhout kwam. „Die leelijke, ouwe rakker heeft me hier in dezen boom de laatste tien uur als een lijster op een tak laten zitten; en geen slok heb ’k door mijn keel gekregen en geen hapje in mijn maag, voor den drommel! Hij verdween net toen u kwam—ik dacht dat ik hem zijn fratsen wel met een kogel betaald kon zetten,” zei hij verontschuldigend, terwijl hij mij mijn geweer teruggaf.
Daarna vertelde hij mij, bij zijn vuur gezeten, het heele verhaal. Hij had dien morgen net zijn vuur aangestoken en was bezig zijn natte kousen uit te trekken om ze te drogen, toen er een hevig gekraak en geknor achter hem ontstond en er een mannetjeseland als een bezetene uit het kreupelhout te voorschijn brak. De houtzoeker was overeind gesprongen en was hem ontweken en had zich, toen de eland weer omzwenkte, in een boom gezwaaid, waar hij schrijlings op een tak was blijven zitten, terwijl de eland steunend en stootend den grond onder zich met zijn scherpe hoeven beukte. Den heelen dag had deze het beleg volgehouden, trok nu eens listig af om zich in het kreupelhout te verstoppen, en kwam dan weer woest aanzetten, als de houtzoeker een poging aanwendde om van zijn ongemakkelijke zitplaats naar beneden te komen.
Een poosje voordat ik kwam was er iets eigenaardigs [140]gebeurd, dat al weer, als zooveel andere dingen in de bosschen, er op schijnt te wijzen hoe sommige dieren—misschien wel allemaal, de mensch niet uitgezonderd—nu en dan een zesden zin bezitten, waar naam en verklaring voor ontbreken. Ik was nog een halve mijl of meer er vandaan, verborgen door een landtong, en pagaaide zwijgend, pal tegen den wind in;—er kon onmogelijk iets van mij te zien zijn, of geur of geluid van me ook maar op eenig bekend zintuig van welk dier ook inwerken—en toch begon de reus zich niet op zijn gemak te voelen. Hij verliet zijn post onder den boom en ging er zenuwachtig in kringen om heenloopen, rondkijkend, luisterend, zijn groote ooren heen en weer bewegend, terwijl hij bij elken stap onderzoekend in den wind snoof en zijn hoeven neerzette alsof hij op heete kolen trad. Plotseling keerde hij zich om en verdween geruischloos in het kreupelhout. McGarven, de houtzoeker, die geen flauw vermoeden had dat er behalve hijzelf nog een mensch aan ’t meer zou wezen, had den eland met stijgende verbazing en wantrouwen gadegeslagen, omdat hij hem van den een of anderen boozen geest bezeten waande. Tijdens zijn langdurig verblijf in de bosschen had hij honderden elanden ontmoet, maar hij was nog nooit tevoren lastig gevallen.
Met den vinger aan den trekker en ziedend van [141]kwaadheid, had hij den voet van het dier opgenomen, dat recht op den berg was aangeslopen, eerst voorzichtig en daarna met groote, wiegende schreden.—„Nou, ’t is een rare snuiter hoor!” zei hij, terwijl hij zijn verhaal eindigde. [142]