Het liep tegen den bronsttijd en ’s nachts was er iets van opgewonden verwachting in de lucht. Wanneer ik zat te visschen of de beken volgde, of laat in den middag door de bosschen sloop, kwam het plotselinge loeien van een wijfjeseland soms de stilte verstoren, zoo vaag, zoo wonderlijk in de dichte struiken, dat ik het geluid maar zelden beschrijven, laat staan na kon doen, of ook maar de richting bepalen waar ’t vandaan was gekomen. Gedekt door het schemerduister van den oever, betrapte ik aan het meer wel eens een paar van die reusachtige dieren: het wijfje rusteloos, ongeduldig, achterdochtig; het mannetje nu eens geluidloos als een schaduw, dan weer de stukgereten vacht van zijn groote gewei schurend en ritsend tegen de elzen, of vechtlustig elk levend wezen dat hem in den weg kwam, en de onschuldige struiken zelfs, bedreigend in zijn prikkelbare stemming.
Eens ging ik ’s nachts met Simmo naar de landingsplaats stroomaf, vlak bij mijn tent, waar ik voor ’t eerst den langen roep van den wijfjeseland probeerde. Hij en Noel weigerden beslist het te doen, als ik niet beloofde den ouden rakker op ’t eerste gezicht neer te schieten. In den [143]laatsten tijd hadden ze hem herhaaldelijk bij ons kamp gezien, of ze hadden zijn diepe prent ontdekt op de naburige oevers, en ze begonnen bijgeloovig en bang te worden.
Een uur lang kwam er geen antwoord op onzen roep; het was, of de stilte die over het slapende meer en het woud lag uitgebreid leefde en waakte—een stilte, die nog dieper scheen te worden toen de laatste echo’s van den berkebastroeper door den berg in de verte naar ons terug waren gekaatst. Plotseling liet Simmo den toeter zakken, net toen hij hem aan zijn lippen had gebracht om te roepen.
„’n Eland in de buurt!” fluisterde hij.
„Hoe weet je dat?” gaf ik even zacht terug, want ik had niets gehoord.
„Hoe weet ik niet; ik weet het,” zei hij gemelijk. Denzelfden afkeer dien een wild dier heeft van bespied worden toont een Indiaan, wanneer hij wordt ondervraagd. Als om zijn meening te bevestigen, ontstond er plotseling een gekraak en geplas aan den anderen kant van de kleine baai tegenover ons, en een mannetjeseland sprong over den oever het meer in, nog geen vijftig meter van de plek waar wij aan de kust gedoken zaten. „Schieten, gauw, schiet hem!” riep Simmo en de angst voor dien ouden eland klonk uit zijn stem. Het beest gaf een geluid—een belachelijk hoog [144]geluidje, als ’t getoeter van een stuivers-trompetje—terwijl hij in al zijn grootte haastig langs den oever aan kwam zwaaien, onzen kant uit. „Bah! een jong mannetje, stom beest!” fluisterde Simmo en liet zachtjes een vragend Woe-oe-woe door den basttoeter suizen, om hem naderbij te brengen. Hij kwam vlak bij onze schuilplaats, maar ging toen het bosch in en liep zwijgend in kringen om ons kamp, om ons onder den wind te krijgen. Den volgenden morgen toonden zijn sporen, nog geen vijf voet van den verst verwijderden paal van mijn tent af, hoe weinig hij zich om een menschelijk verblijf bekommerde. Maar ofschoon hij wel een uur lang in kringen heen en weer liep en Simmo’s zachten roep met zijn komieke gromgeluidjes beantwoordde, wou hij zich toch niet weer op den open oever vertoonen.
Na een poosje sloop ik voorzichtig naar de plaats waar ik het laatste takje onder zijn hoeven had hooren kraken. Simmo weerhield me en fluisterde iets van gevaar, maar ik had een vraag in mijn hoofd, waarop ik nog nooit een bevredigend antwoord had gekregen. Waarom zal een mannetje altijd op zoo’n lokroep afkomen? Men neemt aan—en terecht, geloof ik—dat hij komt in de meening dat het geluid door een wijfjeseland gemaakt wordt. Maar hoe zijn scherpe ooren zoo’n tastbaar bedrog niet zouden kunnen onderscheiden is het [145]geheimzinnigste dat er in de bosschen bestaat. Ik heb massa’s jagers en Indianen hooren lokken, allen op verschillende wijze, en soms heb ik zelf met een weeklacht uit mijn bastroeper een mannetje uit het bosch te voorschijn doen komen, maar nog nooit klonk mij een lokroep in de ooren, die ook maar de geringste overeenkomst had met het loeien van een wijfjeseland zooals ik ’t vaak in de bosschen beluisterd had. En ik heb ook zelf nooit een wijfjeseland een geluid hooren maken, of iemand ontmoet die het gehoord had, dat iets leek op den „langen roep” der jagers, dien ze met goed gevolg gebruiken om het mannetje uit de verte naderbij te lokken. Anderen nemen aan—en daar is wel wat voor te zeggen—dat het mannetje minder bevreesd, minder bezorgd in dezen tijd van het jaar is en alleen komt om ’t geluid te onderzoeken, zooals hij en de meeste dieren in de natuur doen bij alles wat ze vreemds of onbekends hooren. De Indianen uit Alaska spannen een dierenhuid als een soort tamboerijn en slaan er met een dikken stok op om een mannetje te lokken, maar dit geluid zou wel eens iets kunnen hebben van een dier vele eigenaardige, loeiende kreten, die ik van een wijfjeseland in de wildernis gehoord heb. En van twee gevallen is me bekend dat er mannetjes afkwamen op bijlslagen tegen een houtblok; een klank, die in de verte wel iets heeft van ’t eigenaardige [146]getsjok-tsjok waarmee de mannetjes hun wijfje lokken. Zoo kokkelt de kalkoensche haan en trommelt de patrijs en stampt het rendiermannetje tegen een paal of hollen boom, met dezelfde dwaas-verliefde verwachtingen.
Hoe ook beschouwd, het is iets met zooveel tegenstrijdigheden, dat iemand zich wel wacht voor een te stellige meening. Hier hadden we nu zoo’n „stom beest”, dat geen vrees kende, en me daarom misschien licht zou kunnen brengen in die duistere zaak. Ik zei Simmo dat hij door zou gaan met zachtjes roepen, terwijl ik naar ’t bosch toekroop, om te zien wat het uitwerkte.
Het was overal stikdonker, behalve op den open oever. Je moest je weg op den tast zoeken, en de voeten net zoo neerzetten als de eland zijn pooten. In weerwil van mijn voorzichtigheid zwiepte er plotseling een struik en kraakte er een takje. Dat werd oogenblikkelijk beantwoord met een haastig geritsel stroomop, waar het mannetje op mij afsloop. Hij had de beweging gehoord en kwam nu aan, om te kijken of het zijn tergende wijfje soms was, klaar om er haar ongenadig van langs te geven zooals dat zijn gewoonte is, omdat ze hem zoo’n last bezorgde, en om haar met stompen voor zich uit buiten het bosch te drijven, waar hij haar goed in het oog kon houden en er voor zorgen dat zij geen verstoppertje meer speelde. [147]
Ik bleef onbeweeglijk achter een boom staan, met mijn handen om een tak boven mij geklemd, klaar om me buiten zijn bereik te zwaaien als hij een aanval deed. Een schimachtig, donker gevaarte drong vlak vóór mij uit het duistere bosch en stond stil. Tegen het flauwe licht van het meer, dat door het netwerk van takken scheen, teekende zich de groote kop met het gewei als een omgekeerde boomwortel af; maar ik zou nooit hebben geweten dat er een levend wezen stond, als er dat zachte, klokkende gerommel niet was geweest, dat het mannetje met zijn keel gaande hield, een soort van zware minneklacht, die stellig diende om zijn ontwijkende wijfje te kennen te geven dat hij in de buurt was.
Hij deed nog een stap in mijn richting, waarbij hij even langs de bladeren schuurde, terwijl een zacht, klaaglijk geknor blijk gaf van zijn verlangen. Nog twee passen, en hij zou me ontdekt moeten hebben, toen er gelukkig een smeekend gegorgel en een gelijkmatig plop-plop-plop—een eland, die in ondiep water ging—van den oever stroomaf weerklonk, waar Simmo zich verscholen hield. Onmiddellijk keerde het mannetje zich om en glipte weg als een schaduw tusschen de schaduwen. Een paar minuten later hoorde ik hem wegrennen, den kant uit waar hij het eerst verschenen was.
Na dien avond vond de schemering hem altijd in [148]de buurt van onze kampplaats. Hij was overtuigd dat er een wijfje zich ergens dichtbij verstopt hield, en hij zou haar vinden. We hoefden maar een paar keer uit onze kano of van den oever te lokken, en een oogenblik later hoorden wij hem dan aankomen met zijn geluidje van een stuiverstrompet, tot hij eindelijk met zoo’n sprong op het strand te voorschijn stoof, dat door ’t gekraak en geplons alle echo’s ontwaakten. Toen, eens op een avond dat wij naast een zware rots in de donkere schaduw den jongen eland lagen gade te slaan zooals hij daar langs de kust zwierf in het maanlicht, knorde Simmo zachtjes om hem naderbij te lokken. Op dat geluid schoot er een grooter mannetje, waar wij geen vermoeden van gehad hadden, uit het kreupelhout vlak naast ons en plonsde recht op de kano aan. Onze redding hadden we alleen hieraan te danken, dat we zoo gauw mogelijk handelden. Simmo zwaaide den boeg om, gaf zelf een kreet van schrik, en ik pagaaide er van door, terwijl de eland, die ons in het zwakke licht voor het tergende wijfje hield, dat wel een week had gelokt en zich schuilgehouden, ons in ’t diepe achtervolgde. Wat dezen eland betreft, hier bestond in alle geval niet de minste twijfel dat hij afgekomen was op wat hij voor het lokken van een wijfje hield. Maanlicht is op een paar pas afstand bedrieglijk, en toen ’t zachte knorren uit de schaduw van het [149]zware rotsblok klonk, was hij er zeker van ten langen leste het preutsche schepsel gevonden te hebben en had hij zich uit zijn schuilplaats te voorschijn gestort, vastbesloten haar in ’t oog te houden en niet weer te laten ontsnappen. Daarom zwom hij achter ons aan. Als hij er op uit was geweest om het een of andere onbekende geluid of een mogelijk gevaar te onderzoeken, dan zou hij nooit van land zijn gestoken, want daar alleen hebben zijn groote kracht en zijn wonderlijke zintuigen vrij spel. In ’t water kan hij geen kwaad, evenmin als de meeste andere in ’t wild levende dieren.
Ik pagaaide voorzichtig en zorgde dat ’k hem voor was, maar bleef toch zoo vlak bij, dat ik als ’k over mijn schouder keek het glinsteren van zijn oogen kon zien en de golfjes die wegkringelden voor zijn grooten, duwenden snuit. Na een poosje gezwommen te hebben begon hij argwaan te krijgen voor dat gekke ding dat hem altijd maar even ver voorbleef, of hij gauw of langzaam zwom, en zwenkte hij af naar het strand toe, terwijl hij klaagde van teleurgesteld verlangen. Ik ging hem langzaam achterna en liet hem een eindje vóorkomen, maar net toen zijn pooten weer grond kregen, vroeg ik Simmo fluisterend zoo verleidelijk te gorgelen als hij maar kon. Op dat lokken keerde de eland zich bliksemsnel om en plonsde ons weer roekeloos achterna. Ik leidde [150]hem naar den overkant, waar het jonge mannetje nog aan den oever heen en weer zwierf en smeekend om zijn geheimzinnig wijfje riep.
Ik verwachtte een gevecht als de medeminnaars elkaar ontmoetten, maar ze schonken weinig aandacht aan elkaar. Hen felle, natuurlijke jaloezie, van wier uitbarstingen ik meer dan eens getuige was geweest, scheen geweken te zijn voor hun gemeenschappelijken tegenspoed, voor hun gemeenschappelijke ellende. Geen zweem nu meer van angst—maar ze zwierven langs den oever heen en weer, of stormden roekeloos door het moeras, als de bedrieglijke geuren en echo’s hen her en der dreven in hun waanzinnig zoeken.
In een van de rustpoozen van ons opwindende spel schalde plotseling heel in de verte op de berghelling de uitdagingskreet van een koningseland uit de opgeschrikte bosschen. Simmo hoorde het, keerde zich om in den boeg en fluisterde opgewonden: „Weer een! Nu ouwen rakker stellig lokken!” en zijn toeter opheffend gaf hij het lange, rollende loeien van een wijfje. Een luider trompetgeschal antwoordde van de helling; toen ging ’t geluid verloren in het gekraak, waarmee de eerste beide elanden aan weerskanten van de kano den oever opstormden. Maar nu letten we nauwelijks op het tooneel in de nabijheid: onze geheele aandacht was gevestigd [151]op een schor, brullend geloei—Ioe-ioe-ioe! errioe! r-r-r-runh-unh! begeleid door een ratelend, knappend kraken van ’t kreupelhout. Het jongste mannetje hoorde het, stond een oogenblik als een groot, zwart standbeeld in het maanlicht te luisteren, en glipte toen weg in de schaduwen langs den oever stroomaf. Toen het grootere mannetje het hoorde, kwam hij langs de kust aanzwaaien en loeide bij elken tred een wilde uitdaging terug naar het weergalmende bosch.
Er ontstond een onheilspellende stilte ginds op den bergrug, waar alles een oogenblik tevoren in wilde beroering geweest was. Simmo zweeg ook, want het rumoer was angstwekkend geweest, met het slapende meer onder ons, en het wijde woud, waar de stilte woont, omhoog langs den heelen gezichteinder zich uitstrekkend tegen de lucht. Maar de lust om te plagen tintelde mij door ’t heele lichaam, toen ik den toeter greep en het zachte, smeekende geluid liet hooren dat een wijfjeseland in dergelijke omstandigheden zou gemaakt hebben. Als een schot werd het antwoord teruggekaatst, en daar kwam de reusachtige eland naar beneden—boms, krak, r-r-runh! tot hij als een wervelwind den open oever opstormde, waar het andere mannetje hem met een uitdagend gebrul tegemoetsprong.
Simmo smeekte mij toch maar te schieten, schieten, [152]en duwde me opgewonden toe dat die „ouwe rakker”, zooals hij hem noemde, nu gevaarlijker zou zijn dan ooit, wanneer ik hem liet ontsnappen; maar ik stuurde de kano slechts nog nader bij het plassende, brullende gedruisch in de schaduwen stroomaf.
Toen ik ze een oogenblik later met een zwaai langs den oever legde, was er een vreeselijk tweegevecht gaande. De mannetjes stootten krakend op elkaar, met een schok alsof ze hun kop te pletter zouden loopen. Modder en water vlogen over hen heen, hun groote geweien klapperden en ratelden als metalen platen onder het rukken en duwen, terwijl ze als duivels grauwden in hun geweldige worsteling. Maar de strijd was te ongelijk om lang te duren. De „ouwe rakker” was van den berg komen neerdaveren, in zoo’n vreeselijke woede ontstoken en met zoo’n kracht, dat alles er voor moest wijken. Met een snellen uitval haakte hij het gewei goed vast, zooals hij ’t hebben wilde, wrong met een draai van zijn stevigen nek en schouders den kop van zijn tegenstander op zij, en een forsche sprong van zijn doorgebogen achterlijf voltooide het werk. De andere eland sloeg met een smak neer, als een pijnboom door den bliksem getroffen, en toen hij zich weer op de been wentelde, sprong het oude, woeste mannetje op hem af en stiet hem de onderste takken van zijn [153]gewei in de flank. Nog een oogenblik—en beide elanden waren krakend in het bosch verdwenen, de een met reusachtige schreden om het veege lijf te bergen, de ander door het knapperende kreupelhout vlak achter hem aan, herhaaldelijk als een stormram uitvallend, grommend als een kolossale, wilde beer in zijn zegepralende woede. Zoo verdween de wilde jacht den heuvelrug over in het daarachter gelegen dal en de Stilte sloop geheimzinnig als een Chineesche keizerin terug in haar verontrust gebied.
… en een forsche sprong van zijn doorgebogen achterlijf voltooide het werk.
bl. 152, II.
Op een landtong stroomop, van achter een zwaren, door den storm gevelden boom, kwam de andere jonge eland behoedzaam voor den dag en ging, telkens stilstaand om te luisteren, langs het strand naar het tooneel van den strijd toe. Uit elken schroomvalligen stap, uit elke stille beweging was te lezen dat er in hem omging: wie het laatst lacht, lacht het best!… Een zacht geluid uit mijn toeter stelde hem gerust, zijn vertrouwen kwam terug; nu zou hij dat raadselachtige wijfje wel vinden, dat zooveel drukte veroorzaakt had, en er met haar van doorgaan, voordat de overwinnaar van zijn achtervolging terug zou zijn gekeerd. Hij liep snel in zwaaienden gang en in zijn keel gorgelde den zachten lokroep. Toen weerklonk op den heuvelrug plotseling weer een brullende uitdagingskreet en kraken in ’t kreupelhout. Daar [154]kwam de „ouwe rakker” weer aan om zijn belooning; onmiddellijk verloor de jonge eland al het vertrouwen uit zijn houding en hij gleed het bosch in—zonder geluid, zonder beweging bijna—het was alsof een schaduw zich oploste in nog dieper schaduw. Geruischloos sloot het kreupelhout zich achter hem en hij was verdwenen.
Den volgenden dag bij het ochtendkrieken vond ik mijn ouden eland een mijl stroomaf aan den oever, en in zijn gezelschap het groote wijfje, met het jong waar ze mij eens van weggejaagd had nog steeds gehoorzaam achter zich aan. Ik liet ze ongemoeid en dacht aan de machtige nakomelingschap, die eens van den berg zal komen neerdaveren, om het hart van jager of zwerver in verrukking te brengen en hun een schok van ontroering te geven, als zij aan het meer terugkeeren en het loeien van den bastroeper weer over het slapende water en de opgeschrikte bosschen zal schallen. Wie ze dooden wil, laat hij zijn gang gaan; ik heb Umquenawis, den Machtige, gezien, zooals hij was voordat hij vrees leerde kennen, en dat is mij genoeg. [157]