Sinds verscheidene weken was New-York in groote opschudding.
Dagelijks werden in de kranten inbraken vermeld, die in de Vijfde Avenue waren gepleegd bij millionnairs, wier villa’s in het Centraal-park waren gelegen.
Tevergeefs braken de handigste detectives zich het hoofd om het raadselachtige doel van deze inbraken toch maar te kunnen ontdekken.
Het was inderdaad een allermerkwaardigste, onverklaarbare opeenvolging van gebeurtenissen.
Want het zonderlingste daarbij was, dat er niets gestolen werd. Men zou aan een spook kunnen gelooven, zóó vreemdsoortig waren de gebeurtenissen.
Het gekste was, dat er niet één nacht voorbijging, zonder dat de onbekende dader zijn plannen volvoerde.
Niettegenstaande de nachtwachten verdubbeld waren, uitzending van speurhonden en andere veiligheidsmaatregelen genomen werden, vonden de bewoners van één der paleizen den volgenden morgen de deuren van hun brandkasten open, den inhoud keurig op het tapijt uitgespreid, vensters open, gesloten deuren geopend, schilderijen van den muur genomen, en wat er verder nog voor onverklaarbare dingen gebeuren konden.
Het was werkelijk, of een spook er huishield. Dagelijks brachten de couranten nieuwe, opzienbarende berichten.
Welk doel mocht toch de onbekende inbreker beoogen? Zou het een zenuwlijder zijn?
Waarom nam hij niet, zoodra de brandkast open was, den inhoud mede?
Waarom legde hij het geroofde op tafels, stoelen en tapijten, zonder één cent er van mee te nemen?
Zou het een waanzinnige manie zijn van een zieken geest?
Niemand, zelfs niet de scherpzinnigste kop, kon dit geheim doorgronden. Dag op dag vermeerderde zich het aantal der door inbraken getroffen millionnairs in New-York.
Niemand voelde zich meer veilig.
Een leger van detectives werd op de been gebracht, maar ook zij waren niet in staat iets te ontdekken.
Slechts één bijzonderheid was er, die den chef van het Detective-Bureau opviel.
De zoogenaamde inbraken hadden steeds plaats in een huis, waarin den avond tevoren een gezelschap was bijeen geweest.
„De dief is in het huis,” zeide Newton, de eigenaar, van een groot detective-bureau, tot den heer Harkel, [2]zijn eersten inspecteur; „hij heeft niet noodig in te sluipen. Hij moet zich onder de gasten bevinden.
„Terwijl wij op straat, of waar ook op den onbekende loeren, bevindt hij zich in alle gemoedsrust in het huis, en volbrengt de dolzinnige inbraak. Jawel, ik zeg dolzinnig, want deze zaak is toch al te gek!”
„Wie weet,” mompelde inspecteur Harkel.
Newton keek belangstellend op.
„Gij deelt mijn vermoeden niet?”
„Neen, maar ook ik zou gaarne weten, welk doel de onbekende met de zaak voor heeft.”
„Het is de eerste maal sedert mijn onderzoekingen als detective, dat een dief een brandkast opent, en zich niets van den inhoud toeëigent.”
„Misschien,” zei Harkel, „zoekt de man ergens iets bijzonders, dat hij vermoedt in een brandkast verborgen te zijn.”
Newton schudde het hoofd.
„Onmogelijk, Harkel. Dan zou de onbekende zich niet de moeite geven, en voor zijn pleizier gesloten deuren openen, vensters indrukken en dergelijke rare dingen meer.
„Neen! Achter dit alles steekt een geheim, tenzij de dader een gek is.”
De beide ambtenaren konden zich over de plannen en beweegredenen van den geheimzinnigen inbreker geen voorstelling maken.
Inspecteur Harkel dacht eenige minuten ernstig na.
„Zou het niet mogelijk zijn, mijnheer Newton, dat deze vreemdsoortige inbraken door den Engelschen meester-dief, door John Raffles, worden uitgevoerd?”
Newton keek belangstellend op.
„Deze veronderstelling is niet zonder grond. De brandkasten worden met fabelachtige zekerheid geopend. Met een zekerheid, die werkelijk verbluffend is! Het kan alleen een meester in het vak zijn, maar …” Newton keek bedenkelijk voor zich uit, en rookte nerveus:
„John Raffles kan het niet zijn, of houdt gij den meesterdief plotseling voor zóó gek, dat hij voor zijn genoegen brandkasten opent, zonder er iets uit te nemen? Dat zou belachelijk zijn.”
Op dit oogenblik meldde de dienstdoende beambte:
„Directeur James Stamford. Deze heer wenscht den heer Newton persoonlijk te spreken.”
Na enkele seconden trad Stamford, een man op leeftijd, met een echt Yankee-gezicht, op den heer Newton toe.
De detective bood den bezoeker een stoel naast de schrijftafel aan.
„Ik kom voor een merkwaardige zaak,” zoo begon de vreemde het gesprek; „ik weet niet of mijn naam u bekend is. Ik ben president van de New-Yorker Verzekerings-Maatschappij tegen inbraak en diefstal.”
Newton maakte een buiging.
„Ik ken u, mijnheer Stamford, waarmee kan ik u dienen?”
De bezoeker stak zenuwachtig een sigaret op.
„Ik leef in groote onrust. Toen ik vanmorgen, twee uur geleden, de bureaux van mijn Verzekerings-Maatschappij te Broadway betrad, was mijn personeel in de grootste opwinding.”
„Wat was er voorgevallen?”
Stamford sloeg heftig met zijn hand op de schrijftafel:
„De duivel is los in New-York. Mijn Maatschappij staat op het punt geruïneerd te worden. Al onze klanten, die tot de voornaamste millionnairs in New-York behooren, zijn in vertwijfeling.”
Newton lachte.
„Gij zijt werkelijk in een moeilijk parket, mijnheer Stamford. Ik weet, wat u bezighoudt. De raadselachtige, geheimzinnige inbraken in de millionnairshuizen. Ingeval de onbekende inbreker overal buit had gemaakt, zoudt gij geen geld genoeg hebben om uw klanten de schade te vergoeden.”
„Gij hebt gelijk, mijnheer Newton.”
„Een speculatiezaakje op de voortreffelijkheid van de politie,” lachte deze; „schiet deze te kort, dan hebt gij te betalen.”
„Helaas,” mompelde de directeur, „maar het gekste is, dat deze onbekende gisterennacht de bureaux van mijn Maatschappij bezocht heeft, en niettegenstaande de beste alarmsignalen, onze beide brandkasten geopend heeft.”
„Is er iets ontvreemd?”
„Wij hebben ons geld op de bank. Maar—” hier maakte de directeur een pauze en rookte zijn sigaret op—„de onbekende nam onze kasboeken er uit en heeft zich daaruit op de hoogte gesteld van onze klanten en voor welke som zij bij onze Maatschappij verzekerd zijn.”
Newton en zijn inspecteur wisselden op dit oogenblik een blik van verstandhouding. Hun werd plotseling het doel van de belachelijke inbraken duidelijk.
Nu nam de directeur een visitekaartje uit zijn portefeuille, legde dit voor Newton op de schrijftafel en zei: [3]
„Dit kaartje liet de onbekende op mijn schrijftafel, in een couvert, achter.”
Newton nam het visitekaartje en las het.
In het volgende oogenblik sprong hij van zijn stoel op, en staarde op het kaartje, alsof hij een spook zag.
Inspecteur Harkel kwam op zijn chef toe en wierp eveneens een blik op het elegante stukje papier.
Ook hij schrikte.
„John C. Raffles,” mompelde hij.
„Jawel,” stemde directeur Stamford toe. „John Raffles, de Engelsche meesterdief, was dezen nacht de onbekende bezoeker van onze bureaux. Als het in New-York bekend wordt, dat Raffles hier is en werkt, dan kan mijn Maatschappij haar deuren sluiten. Tegen hem is de politie machteloos.”
„Juist,” antwoordde de detective. „Raffles is in staat uw zaak ten gronde te richten. Misschien kunt gij met hem een overeenkomst treffen.”
„Een waardig antwoord voor een detective!”
Newton haalde onverschillig de schouders op.
„Ik dacht dat het een verstandig antwoord was.”
„Verstandig? Tot heden toe dacht ik, dat het het beroep van de politie was, zulke menschen als dezen Raffles onschadelijk te maken en te pakken.”
Newton glimlachte.
„Zeker, beste directeur. De politie is er om misdadigers te pakken; inbrekers zijn er om te stelen, en gij zijt er om de bij u verzekerde klanten het gestolene te vergoeden. Maar ik meen, dat gij in de eerste plaats er belang bij hebt niets te behoeven te vergoeden. Wanneer wij een misdadiger pakken en achter slot en grendel zetten, kunt gij daaruit geen voordeel trekken.”
„Gij hebt gelijk,” antwoordde de directeur, „maar tot nu toe heeft Raffles nog niet de brutaliteit gehad, zich bij ons aan te melden.”
Om den mond van Newton speelde een fijn lachje.
„Ik geloof zeker, dat, als ik Raffles ken, hij zich tot u wenden zal. Ik geloof zoowaar, dat de meeste van al die inbraken op u gemunt zijn. Hij wil u toonen dat gij evenzoo machteloos tegenover hem staat als de politie. Wat meent gij, inspecteur Harkel?”
„Ik ben van dezelfde meening, mijnheer Newton.”
Stamford trommelde zenuwachtig op de schrijftafel, toen stond hij op, reikte den detective de hand tot afscheid en zeide:
„Ik betaal u duizend dollar, als gij dezen Raffles onschadelijk maakt. Tot nu hebt gij toch de gevaarlijkste inbrekers achter slot en grendel gezet.”
„Beste directeur,” merkte Newton hoofdschuddend op, „Scotland Yard, het hoofdbureau van de Londensche politie, probeert reeds sedert twee jaren een veel grootere som, als premie voor de inhechtenisneming van den grooten onbekende, te verdienen. Mits ons het toeval te hulp komt, zijn wij, detectives, in dit geval de domsten. Waarom zou er niet eens een verstandiger zijn? Neem toch Raffles als stille vennoot in uwe zaak op!”
Directeur Stamford moest ondanks de ernstige aangelegenheid lachen.
„Ik meen het in ernst,” zeide Newton. „Gij zoudt u voor groote verliezen vrijwaren. Denk er eens over na!”
„Wat wilt gij tegen Raffles beginnen?”
„Ik?” Newton keek nadenkend in de voorbijtrekkende rookwolkjes van zijn sigaar. Plotseling sloeg hij verscheidene malen door de blauwe rookwolkjes.
Verwonderd keken Stamford en de inspecteur hem aan.
„Wat doet gij?” vroeg Stamford.
„Meent ge, dat ik den rook in mijn hand houd?”
„Zeker niet, mijnheer Newton. Ziet gij mij voor zoo dom aan dit te gelooven?”
„Ik geloof het ook niet,” zeide de inspecteur.
„Allright, vergelijk dan de rookwolken met Raffles. Ik ben nòch gek, nòch houd ik mij met nuttelooze dingen bezig. De Groote Onbekende is, wat ik zonder schaamte beken, door de Voorzienigheid of door zijn ouders met meer verstand bedeeld dan ik. Neem hem als compagnon, dat zou een resultaat wezen waarmee ik u gelukwenschen kon.” [4]