[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

DE PARTIJ.

Bij den heer Palmer, den president van de voorname New-Yorker Hamilton Club, was avondpartij.

Het diner was reeds afgeloopen en de dames en heeren waren in levendig gesprek.

„Een heerlijke avond,” zeide Palmer tot bankier Hundley. „Ik verheug mij, dat ons nieuw Clublid, de heer Edward Bird, zich zoo spoedig de sympathie van de dames verworven heeft. Zie slechts, waarde Hundley, hij is geheel door de schoonen omringd.”

Beiden sloegen in het aangrenzende vertrek de gestalte gade van een ongeveer veertigjarigen, slanken man, wiens gelaat, niettegenstaande de trotsche aristocratische trekken, een betooverend-lieve uitdrukking had.

Hij had een monocle in het rechteroog geklemd en bracht af en toe met een gracieuze handbeweging een sigaret naar den mond. Onderwijl vertelde hij de bij hem zittende dames anecdotes uit zijn leven. De gasten van den heer Palmer behoorden, evenals hij, tot de rijksten van Amerika, ja, men kon zelfs beweren, dat dit gezelschap, behalve eenige afwezige millionnairs, uit de rijkste families van de wereld samengesteld was.

„Ik heb,” zeide Palmer tot Hundley, „een lastige ballotage wegens het toetreden tot de Hamilton Club voor den heer Bird gehad. Velen mijner vrienden vinden, dat hij te korten tijd in Amerika vertoeft. Maar het verheugt mij, dat ik het met mijn invloed doorgezet heb, dat hij lid van onze club werd. Heden is hij onze trots! Zijn manieren zijn als die van een vorst!”

Hundley, een klein corpulent mannetje, met een afstootend leelijk gezicht, antwoordde:

„Ik weet niet, wat gij aan dezen Bird ziet, Palmer. Omdat hij een zoogenaamd mooie man is, met innemende manieren, is het toch nog niet zeker, dat hij ook een eerbaar en werkelijk voornaam karakter heeft.”

Palmer trok zijn wenkbrauwen ergerlijk te zamen. „Gij vergist u, Bird is de vriend van den hertog van Connaught. Ik heb zelf de vriendschappelijke brieven gelezen.”

„Men kan den vriend van een hertog zijn en toch geen gentleman. Ik hoorde reeds van eenige mijner vrienden, dat men uw beschermeling een ironischen bijnaam heeft gegeven”.

Palmer trok mismoedig aan zijn sigaar en vroeg:

„Wat is dat voor een bijnaam?”

Hundley lachte spottend, streek zich meermalen over zijn kortgeknipt, grijs baardje en antwoordde:

„Omdat hij in de Hamilton Club schijnbaar de toonaangevende heerscher is geworden, omdat de heeren reeds zijn vesten en dassen namaken, en zelfs zij, die nooit een monocle droegen, zich er een aangeschaft hebben, daarom noemt men hem den Clubkoning. De Hamilton Club schijnt zich naar de wenschen van den nieuwen heerscher te richten. Daarbij zou ik durven wedden, dat hij niet in staat is een chèque van tien duizend dollar uit te betalen”.

Palmer lachte luid.

„Gij zijt en blijft een echte Yankee, Hundley, daar gij een gentleman naar zijn chèqueboek beoordeelt. Maar ditmaal vergist gij u toch.

Bird heeft zijn villa in het Centraal Park voor een millioen van den heer Tiffany gekocht. Ik meen, dat een man, die in onzen geldarmen tijd over zulk een som beschikt, toch wel in de gelegenheid zal zijn, een chèque van tienduizend dollar uit te geven”.

Hundley bromde iets onverstaanbaars, haalde de schouders op en zeide:

„Het komt er slechts op aan, uit welken zak deze millioenen gekomen zijn”.

„Nu word ik toch waarlijk boos”, antwoordde Palmer en knipte met een ergerlijke beweging de asch van zijn sigaar.

„Dat is belachelijk, wat gij daar zegt”.

„Heelemaal niet”, antwoordde Hundley, „hebt gij al eens van zekeren Lord Lister, den zoogenaamden Groote Onbekende, gehoord?”

„Van Raffles?”

„Zeker, van Raffles! Deze mensch werkt slechts [5]met groote vermogens, leeft als een vorst, en niemand kent hem!

Palmer lachte luid.

„En gij hebt het vermoeden, dat onze clubkoning, de heer Edward Bird, de vriend van den hertog van Connaught, misschien zelfs deze Engelschman, die John Raffles is?”

In plaats van te antwoorden, trok Hundley de schouders op en blies zware rookwolken uit.

„Dat is een prachtige inval van je, Hundley. Hebt gij dezen middag aan het diner misschien te veel van de lamsbout gegeten”.

„Waarom?” bromde de gevraagde.

„Nu,” lachte Palmer, „de bout schijnt bij u te zijn blijven zitten. Ik heb de laatste jaren maar zelden zoo’n onmogelijke opmerking gehoord, als die gij daareven deedt. Misschien houdt gij mij ook reeds voor een misdadiger? Of zijt gij er zelf soms een? Men schuift zoo gaarne wat van zichzelf op anderen”.

Hundley antwoordde met een kwaadaardigen blik, die den heer Palmer te denken gaf.

Men mompelde wel eens zeldzame dingen uit het leven van dezen pessimistischen heer. Hij was slechts door zijn huwelijk, met de mooie, geestige dochter van wijlen generaal Symond, tot de hoogere kringen van New-York toegelaten.

Palmer brak nu het gesprek af en de beide heeren betraden den salon, waar op dit oogenblik een schaterlach van de dames weerklonk.

Bird had de mouwen van zijn frak hoog opgeslagen, zijn sneeuwwit overhemd tot de ellebogen opgestroopt en vertoonde nu den dames verscheiden goocheltoeren.

Toen de twee toeschouwers binnentraden, hield hij een kostbaren ring in zijn hand. Hundley herkende dadelijk dit sieraad en een stille vloek ontsnapte zijn lippen.

Hem ergerde deze intimiteit van zijn vrouw met den clubkoning.

„Ziet dames”, riep juist Bird en hield den fonkelenden ring in de hoogte, „ik houd hem met mijn beide vingers, breng hem naar de kaars, en op het oogenblik, dat hij de vlam aanraakt, zal de gouden ring verbranden”.

Een spijtig „ach!” van de dames weerklonk. Bird hield den ring in de vlam, iedereen blikte met gespannen aandacht naar hem, toen plotseling het licht uitging. Alle aanwezigen keken gespannen naar de handen van den goochelaar. Zij waren ledig. De ring was weg. Bird keek met een vroolijk lachje naar de verwonderde gezichten van bijna al zijn toeschouwers.

„Hebt gij het verbranden van den ring aanschouwd, dames?”

„Ja!” riepen de dames.

„Toch niet”, riep Bird, „ik beweer het tegendeel. En wel, dat gij u vergist hebt.

„De ring is niet verbrand, maar, als ik mij niet vergis”,—hij trad op den heer Hundley toe, die naast Palmer stond,—„veroorloof mij, dat ik uw sigaar wegneem”.

Vóór Hundley iets kon antwoorden, had de clubkoning hem de sigaar uit den mond genomen en doormidden gebroken. Voor de verwonderde blikken der dames kwam de ring uit de sigaar te voorschijn.

„Hebt gij heelemaal niet gemerkt, dat uw sigaar zoo zwaar was, mijnheer Hundley?” lachte Bird.

„Neen”, bromde deze; „en ik houd ook niet van zulke grapjes”.

„Ziet gij, dames”, ging Bird, onbekommerd om de giftige opmerking van den millionnair, verder, „dit kunstje berust slechts op een optische misleiding. Terwijl ik met mijn vinger de vlam uitmaakte, nam ik den ring snel in de linkerhand en terwijl ik de sigaar van den heer Hundley doorbrak, en gij allen naar mijn rechterhand keekt, schoof ik den ring in de sigaar en toonde hem u daarna”.

„Alleraardigst”, riep mevrouw Hundley, „het klinkt zeer eenvoudig en toch geloof ik niet, dat een van ons u dit kunstje zou nadoen”.

In geanimeerd gesprek verliep de avond.

Ieder der gasten begaf zich naar huis met het bewustzijn, in den heer Bird een aanwinst voor de club te hebben leeren kennen.

Toen Hundley met zijn vrouw naar huis reed, snorde in de nabijheid van het Centraalpark de blauwgelakte auto van den heer Bird, die hij zelf, inplaats van den chauffeur, bestuurde.

Hij matigde op dit oogenblik zijn vaart en stuurde zijn wagen naast het half geopende raampje van de coupé van Hundley.

„Goeden nacht, mevrouw Hundley. Ik hoop, u morgen bij een wandeling in het Centraalpark te mogen begroeten”.

De dame stak haar voorname, behandschoende vingers door het venster.

Haastig greep Bird er naar, een kort „goeden nacht, mijnheer Hundley”. Toen werd de motor op grootere snelheid gebracht en was in het volgende oogenblik verdwenen. [6]

„Een merkwaardige vriendschap”, bromde de millionnair tot zijn vrouw, „die gij dezen zoogenaamden clubkoning toedraagt. Men spreekt er reeds op een niet aangename manier van”.

„Bird is een charmant mensch”, antwoordde de dame, „ik zou niet weten, wat er op hem aan te merken valt. Hij is een volmaakt gentleman, iets, wat ik van andere heeren uit mijn naaste omgeving niet juist zeggen kan”.

Deze steek onder water was voor Hundley zelf. Hij zweeg een oogenblik en stak een sigaar op.

„Dat wil ik niet loochenen …” antwoordde hij. Geërgerd deed hij eenige trekken.

„Ik zal hem in ’t oog houden. Hij is ongetwijfeld een avonturier.”

Mevrouw Hundley lachte zachtjes.

„Merkwaardig, dat gij opeens den rechtschapen man uithangt. Ik wil mij toch veroorloven te zeggen, dat uw speculaties alles behalve eerzaam zijn. Als ik er alleen maar aan denk, op welke wijze gij mijn vader gedwongen hebt, mij u tot vrouw te geven. Dat was een schurkenstreek, die een eerbaar mensch nooit had klaar gespeeld”.

„Zwijg!” vloekte Hundley, „en terg mij niet. Jij weet even goed als ik, wat je vader aan mij verbond. Als ik gewild had, was hij op zijn ouden dag nog in de gevangenis gekomen; en jij laagt vandaag op straat!”

„Ik? Tien millionnairs heb ik aan iederen vinger, als ik wil”.

Een spottend, zilverhelder lachje weerklonk.

„Juist was mijn portret als dat der mooiste vrouw van New-York in de Zondagscourant openbaar gemaakt. Ik heb het dus niet noodig, te leven aan de zijde van een zoo ouden knorrigen man, als gij zijt. En daarbij, mijn vader is dood”.

„Maar niet zijn naam”, siste Hundley, „de naam van generaal Symond, die ook de jouwe is. Het hangt van mij af, of de degen van den dooden generaal op zijn graf gebroken zal worden”.

„Schoft!” Met van haat fonkelende oogen keek mevrouw Hundley haar man aan.

Met een vloek greep hij haar hand en drukte die tot zij een smartkreet uitstiet.

„Je bent brutaal!”

Met een snelle beweging onttrok zij hem haar hand.

„Ik zeg je, dat ik de eerste, beste gelegenheid zal benutten, om mij vrij te maken. Je bent een leugenaar; niemand zal je beschuldiging van den doode gelooven”.

Hij lachte hoonend.

„Probeer het maar, en ik breng je moeder, die van de misdaad van je vader afweet, nog in de gevangenis. Je vader is helaas dood, maar ik heb een schriftelijk bewijs van schuld van zijn eigen hand.”

„Ellendeling!” Zij wendde zich verachtelijk van hem af. „Ik hoop nog met jou af te rekenen, en ik zweer je, dat ik mij op den dag, dat ik ontdek, dat je mij belogen hebt, op je wreken zal”.

„Dat kun je doen”, antwoordde Hundley koud, „het bewijs, dat ik waarheid spreek, ben je zelf, mijn duifje. Je hebt, schijnt het, vergeten, dat je vader je op de knieën smeekte mij te huwen. En verder kun je je woorden sparen”.

De millionnair zweeg. De ellendeling had gelijk. Hij moest wel een vreeselijk geheim uit het leven van den gestorven generaal kennen. [7]