Bird was in zijn voorname woning in de Vijfde Avenue in het Centraalpark aangekomen en ging in zijn werkkamer, waar hem een jonge man van om en bij de dertig wachtte.
„Ben je nog op, Charly?” vroeg hij en reikte zijn vriend de hand.
„Ik heb tot nu toe gelezen, en ook eenige brieven geschreven”, luidde het antwoord.
„Hoe was het gezelschap bij Palmer?”
„Uitstekend”, antwoordde Bird, „ik durf beweren, dat ik de bevoorrechte vriend van de rijkste lui der wereld geworden ben”.
„Het was waarlijk een goed idée van je, Londen te verlaten en naar New-York te reizen. Niemand is verheugder dan ik. Iederen dag beefde ik, dat Scotland Yard ons beiden zou oppakken”.
Bird lachte zachtjes.
„Je bent te angstig, oude jongen. Overigens ben ik van plan vannacht nog uit te gaan en je kunt mij begeleiden. Een wandeling in de nachtlucht zal ook jou goeddoen”.
Charly keek zijn vriend herhaalde malen aan en stapte toen, de handen in de broekzakken, de kamer op en neer.
Plotseling bleef hij voor Bird staan:
„Edward, wil je je niet eenige rust gunnen?” vroeg hij dringend. „Je hebt den laatsten tijd genoeg gewerkt, en wij hebben geen behoefte aan geld. Wij kunnen van onze middelen nog langen tijd goed leven”.
„Dat wel”, antwoordde Bird. „Ik ben ook niet van plan, mij het vermogen van wie ook, in New-York toe te eigenen, maar ik moet mij over iets oriënteeren. Stel je dus gerust, kleed je aan en ga met mij mede, Charly”.
De aangesprokene sprak, nadenkend in het vuur starende:
„Ik had gemeend, dat je je sport eindelijk zoudt opgegeven hebben. Nu drijft deze onzalige hartstocht je opnieuw in avonturen. Je zoudt hier in Amerika in alle mogelijke rust en behagelijkheid kunnen leven. Geen mensch kent je en niemand weet, dat achter den onooglijken naam Bird zich de Engelsche Lord Lister, de beruchte John Raffles verbergt”.
De Groote Onbekende liet een helder lachen hooren. Hij rekte zijn slanke gestalte nog langer uit, en zeide:
„Beste Charly, uw slecht gesternte voerde je destijds in mijn huis, en ge werdt mijn vriend en assistent. Nu heet het, meegevangen, meegehangen. En toch, mocht je berouw gekregen hebben, dat je mijn vriend zijt geworden, dan staat het je ieder oogenblik vrij, je van mij los te maken. Ik zou in dit geval zorgen, dat het je aan niets ontbreekt. Ik zou slechts degene zijn, die ontbeerde. Het leven zou mij, zonder jou, vervelen. Men moet toch iemand hebben, waarmee men van gedachten kan wisselen.”
„Ik denk er ook absoluut niet aan, je te verlaten”, zei Charly Brand, „maar ik zou van je willen, dat je meer rust neemt”.
„Ik zei je reeds, dat ik niet het plan heb, op diefstal uit te gaan, maar ik ga naar een rendez-vouz met een dame”.
Charly Brand keek hem met verschrikte oogen aan.
„Met een dame?”
„Ja, mijn vriend.”
„Ben je verliefd?”
„Dat kan ik niet zeggen; mij werd een kaartje toegestoken bij het verlaten van de soirée, waarop mevrouw Hundley mij smeekte, haar dezen nacht om drie uur in den wintertuin op te zoeken, daar zij mij iets gewichtigs heeft mee te deelen.
„Tegelijkertijd kwam een sleutel in mijn hand, waarmee ik de deur kan openen”.
„Een merkwaardig rendez-vous.”
„In hoeverre merkwaardig?” [8]
„Ik meen met betrekking tot den tijd. De dame zou toch ook op den dag gelegenheid kunnen vinden over de zaak in quaestie met je te spreken”.
John Raffles haalde de schouders op, stak een sigaret op en keek naar de groote, staande klok, die zooeven twee zware slagen deed hooren.
„Wie weet, Charly. Mevrouw Hundley zal dit zaakje op den dag niet kunnen oplossen. Wij zullen het haar maar overlaten. Ik neem je als wacht mede.
„Het is nu twee uur in den nacht, over een half uurtje zullen wij opbreken”.
Ter zelfder tijd, dat Raffles en zijn vriend de Vijfde Avenue afliepen, was het huis van den heer Palmer door meer dan een half dozijn detectives onder aanvoering van den heer Newton bezet. Tevergeefs wachtten zij op het bezoek van den eigenaardigen inbreker.
Newton had geen geluk.
Hij had gehoopt, dat de onbekende inbreker de soirée van den heer Palmer zou benutten, om na afloop daarvan zijn raadselachtige misdaad te volvoeren.
Newton bevond zich onder de gasten en hem was de heer Bird, om zijn prachtige goocheltoeren verdacht toegeschenen.
Door een heer uit het gezelschap had hij zich inlichtingen omtrent Bird laten geven en had vernomen, dat de verdachte de clubkoning van de Hamilton club was.
Mismoedig zat Newton in de werkkamer van Palmer en kortte den nacht met rooken en lezen.
Toen hij den volgenden morgen in allervroegte het huis verliet, was zijn gevolgtrekking als zou de inbreker zich steeds onder de gasten bevinden van het huis waar hij zijn slag wilde slaan, zeer geschokt. Er was bij Palmer niet ingebroken.
Het paleis van Hundley, dat eveneens in de vijfde Avenue lag, was een van twee zijvleugels voorzien gebouw. De linker zijvleugel bewoonde zijn vrouw, terwijl hij in de rechter zijn kamers had.
Beide vleugels waren verbonden door een middengedeelte, waarin zich de eetzaal, de salons en bibliotheek bevonden waaraan zich weder een met een koepel bedekte wintertuin aansloot.
Hundley was na een koel „goeden nacht” van zijn echtgenoote naar zijn vertrekken gegaan. Mevrouw liet haar kamermeisje heengaan, met de opmerking dat zij alleen wenschte te zijn.
Spoedig heerschte diepe rust in het groote gebouw.
Toen de kleine schoorsteenpendule drie heldere slagen liet hooren, stond mevrouw Hundley op, en begaf zich naar den wintertuin. Spoedig daarop kwam Raffles als een schaduw achter een groep palmen te voorschijn en begroette haar met een „goeden morgen!”
Zij schrikte eerst over zijn onverwacht verschijnen, hoewel zij hem verwacht had.
Toen reikte zij hem de hand.
„Volg mij, mijnheer,” fluisterde zij; daarop voerde zij den bezoeker uit den wintertuin door de donkere salons in haar boudoir.
John Raffles was met de beeldschoone vrouw alleen! Het was een gevaarlijke situatie, als de heer Hundley door een of ander toeval in het boudoir zou komen.
„Gij hebt mij geroepen, mevrouw Hundley, en als gentleman heb ik aan uw roep gehoor gegeven. Wat wenscht gij van mij?” begon de groote onbekende het gesprek, nadat de dame hem met een handbeweging verzocht had plaats te nemen op een met ijsbeervel bedekten lederen zetel. Toen reikte zij hem een zilveren sigaretten-etui en zette zich eveneens in de naaste nabijheid van den bezoeker om daardoor luid spreken te vermijden.
Zij lachte hem met haar mooie oogen toe, toen ook zij zich een sigarette had opgestoken, en den kostelijken rook langzaam in de lucht blies.
„Ik ken u, mijnheer Bird,” zeide zij na een pauze, „en weet, wie gij zijt.”
Zij beloerde als een slang haar offer, of deze woorden ook eenige uitwerking op Raffles zouden hebben. Maar deze nam onverschillig een sigarette en liet, na het aansteken, den brandenden lucifer, tot het einde toe door het vuur verteren. Daarna keek hij haar glimlachend aan en antwoordde:
„Dat dacht ik wel en daarom ben ik juist gekomen. Mag ik vragen, waar gij mij hebt leeren kennen?”
Mevrouw Hundley legde haar linkerhand zacht op zijn arm.
„Gij herinnert u mijner waarschijnlijk niet meer. Het is reeds vijf jaar geleden. Ik ontmoette u op een diner bij den graaf Van Winston. Gij werd mij toen voorgesteld als officier bij het Engelsche leger, wij wisselden eenige woorden samen en toen hebt gij mij vergeten.”
„Waart gij toen reeds gehuwd?”
„Neen,” antwoordde zij met iets bitters in haar stem, „ik had dit geluk nog niet leeren kennen. Mijn vader leefde toen nog. Misschien herinnert gij u mijn meisjesnaam: Alice Symond, dochter van generaal Symond.”
Raffles haalde ontkennend de schouders op.
„Gij moet mij verontschuldigen, mevrouw Hundley, [9]maar ik herinner mij uw naam niet meer. Het gezelschap was dien avond te talrijk.”
„Ja, over de honderd personen,” knikte zijn metgezellin, „maar ik herinner mij uw persoon zoo duidelijk, als ware het eerst gisteren geweest. Gij staakt, zonder u een compliment te willen maken, heel voordeelig bij de andere heeren af.”
John Raffles maakte een lichte buiging, boog zich over haar hand en kuste die.
Zij sprak verder:
„In denzelfden nacht had een merkwaardige diefstal in het huis van den graaf plaats. Een portefeuille met gewichtige documenten verdween uit zijn schrijftafel. Twee dagen later las ik in de couranten, dat de zoogenaamde Engelsche officier de papieren verduisterd had, en dat Lord Lister, de groote onbekende, John Raffles was geweest.”
„Heel juist,” lachte deze, „gij hebt een uitstekend geheugen, mevrouw!”
„Ik heb al die jaren met de grootste belangstelling alles gelezen, wat over dezen genialen man werd openbaar gemaakt, en dikwijls hoopte ik, dat het toeval mij gunstig mocht zijn en ik hem nog eens mocht ontmoeten.”
Raffles maakte een toestemmende beweging.
„Het toeval was u gunstig, mevrouw Hundley. John Raffles is bij u.
„Waarmee kan ik u dienen?”
Mevrouw Hundley drukte zijn hand, zag hem met smeekende oogen aan, en fluisterde:
„Met zeer veel! Met bevrijding uit de ellendigste slavenketenen, die een misdadiger mij gesmeed heeft. Slechts een man als gij kan mij helpen.”
„Ik ben daartoe bereid, mevrouw Hundley, op welke wijze kan ik dat doen?”
Mevrouw Hundley rukte haar stoel nog iets nader, zoodat haar hoofd bijna op Lord Lister’s schouder rustte, en hij haar adem voelde.
„Kort na deze soirée bij den graaf riep mijn vader mij naar Amerika terug en deelde mij mede, dat ik een rijken New-Yorker bankier moest trouwen.
„Ik wilde niet! Mijn hart behoorde een ander. Maar mijn vader smeekte mij, aan zijn wensch gehoor te geven en zeide mij, dat, zoo ik niet toestemde, de man, die om mijn hand had verzocht, de heer Hundley, hem in de gevangenis zou brengen.
„Bedenk eens, generaal Symond, de held van den vrijheidsoorlog!
„Ik geloofde niet aan een misdaad van mijn vader, tot mijn moeder mij inlichtte en mij zwoer, dat het waar was. Ik zou de prijs zijn om den heer Hundley te doen zwijgen.”
John Raffles zag haar doordringend aan.
„Deelde uw vader of moeder ook mede, aan welk misdrijf uw vader zich zou hebben schuldig gemaakt?”
Mevrouw Hundley schudde het hoofd.
„Noch mijn vader, noch mijn moeder, gaven mij nadere opheldering daarover.
„Maar ik geloof, dat Hundley den sleutel tot dit geheim bezit. Nu wilde ik u verzoeken, mij bij de opheldering behulpzaam te willen zijn. Ik zelf geloof er niet aan, maar ben ervan overtuigd, dat Hundley de schurk is, die mijn vader in zijn goedmoedigheid tot een of andere gevaarlijke onderneming heeft verleid. Dus wilt gij mij helpen?”
„Zeker, met het grootste genoegen. Geef mij slechts den weg aan, om ons doel te bereiken.”
Zij draalde eenige seconden, als schuwde zij, het woord uit te spreken; daarna fluisterde zij, haar mond heel dicht bij zijn oor brengende:
„Door een diefstal!”
John Raffles lachte.
„Zijt gij bevreesd?” vroeg mevrouw.
De groote onbekende keek haar lachend in de oogen, terwijl hij zeide: „Zie ik er zoo bang uit?” Toen sprak hij, ernstiger wordend, verder: „Het is minder gevaarlijk voor mij, een diefstal te volbrengen dan in het gezelschap van zoo’n mooie vrouw te zijn.”
„Denk nu niet aan mij, maar aan dat wat wij voor hebben. Het is niet gemakkelijk. Het handelt om een diefstal, die nog hedennacht volbracht moet worden. In de slaapkamer van mijn man zult gij een koffer vinden, die met geheime sloten zoo goed verzekerd is, dat niemand dan Hundley alleen hem weet te openen. Daarin, meen ik, zullen wij de oplossing van het misdrijf van mijn vader verborgen vinden.
„Mijn moeder en ik zouden u op onze knieën danken, als het u gelukken mocht, ons uit de handen van dezen schurk te bevrijden. Gij kunt het. Altijd weer las ik in de couranten, dat gij u het lot van ongelukkige menschen aantrok en hen met uw kunst geholpen hebt. Help mij nu ook, en ik zal u danken, zooals nog nooit iemand u dankbaar is geweest.”
In hare opwinding had zij haar mooie handen op zijn schouders gelegd, en zag hem met, van ingehouden tranen, vochtige oogen aan.
John Raffles stond langzaam op.
„Gij moet veel geleden hebben, mevrouw Hundley. [10]Maar troost u. Ik zal u helpen. Wacht mij hier op, in uw boudoir.”
Vóór de dame iets kon antwoorden, had hij de kamer verlaten en was in den wintertuin geijld. Daar zat Charly Brand en rookte een sigaar.
Hij schrikte, toen zijn vriend zoo plotseling voor hem stond.
„Geef mij de tasch met werktuigen, die gij hebt meegenomen, Charly. Ik heb tegen verwachting een klein werkje te doen.”
Charly Brand reikte het kleine, zwartlederen etui en zeide beslist:
„Ik vermoedde, dat gij heden nog te werken hadt.”
„Wees onbezorgd,” zeide Raffles, „het is geheel zonder gevaar, wat ik te doen heb.”
Daarna ging hij door de salons, naar den zijvleugel waar Hundley sliep. Als een schaduw sloop hij door de rijk gestoffeerde ruimten.
Een zwaar, prachtig uitgesneden bed stond in het midden. Kostbare, zijden tapijten en berenhuiden bedekten den grond, prachtige oude kasten en gobelins volmaakten de inrichting.
Hundley lag onder een rood zijden deken en snurkte.
Niettegenstaande Raffles zich van den vasten slaap des millionnairs overtuigd had, nam hij uit zijn zwart taschje een fleschje met chloroform, drenkte daarmede een stukje watten en bedekte mond en neus van den slapende.
Opmerkzaam lette hij op de werking van het verdoovingsmiddel tot hij na enkele seconden het watje wegnam en in den haard wierp.
Dadelijk ging hij aan het werk.
Tegen den muur stond een oude, houten koffer, die rijk met oud houtsnijwerk en zilver beslag was versierd. Een slot was er niet aan te ontdekken.
John Raffles bekeek het voorwerp opmerkzaam en begon op de zilveren arabesken te drukken en te schuiven. Hij had zich niet vergist. Door deze te verschuiven werden eenige sloten vrij. Nu nam Raffles uit zijn werktaschje eenige zeldzaam gevormde langstelige, stalen steeksleutels en probeerde daarmede de sloten te openen. Eindelijk sprong de deksel op.
Raffles die een ijzeren cassette of geld had verwacht te vinden, blikte teleurgesteld op den inhoud.
Zij was opgevuld met allerlei rommel waar de vrouwen van houden. Linten, bloemen, balwaaiers, zijden doekjes, snuisterijen enz. maar iets merkwaardigs vond hij niet onder den inhoud.
Zorgvuldig legde de groote Onbekende stuk voor stuk op den grond. Toen hij het laatste voorwerp uit de kist genomen had, ontviel hem een zucht. „Ah!” Hij ontdekte nog een tweeden deksel.
Hij klopte met den vinger er tegen en hoorde uit den klank dat er een holte onder was.
Het duurde eenigen tijd, tot hij de geheime veeren, die dit deel der kist sloten, ontdekt en geopend had.
Een klein kistje stond er in. Raffles nam het eruit en brak het open. Er lag een geel geworden papier in.
Haastig opende Raffles het en las:
„Hij, die dit document leest, wordt medeweter van een misdrijf, dat ik, ondergeteekende, tegen de regeering der Zuidelijke Staten, gedurende den krijg tegen de Noordelijke Staten, gepleegd heb.
Ik heb een krijgsschat van drie millioen dollar van mijn regeering verduisterd en deze den 17en Maart 1853 te Keddisfurt begraven.
Ik was destijds de adjudant van generaal Averill.
Wanneer gij te Keddisfurt bij den wegwijzer der beren vijftig schreden, na zonsopgang, gaat, en u, na middernacht, denzelfden afstand naar rechts wendt, dan kruisen zich daar twee wegen. Hier ligt een steen. Daarop maakte ik als teeken een kruis. Daaronder zult gij het geld vinden.
Ik wil dat daarvoor een weeshuis zal gesticht worden te St. Louis, voor kinderen van gekleurde ouders.
Geteekend in het jaar 1870.
THEODOR SYMOND,
Generaal der Ver. Staten.
John Raffles schudde het hoofd, nadat hij het document gelezen had.
„Zonderling,” mompelde hij, „wat dàt mag beteekenen?”
Hij stak het schriftstuk in zijn borstzak en bracht de kist weer in orde.
Toen sloot hij haar en onderzocht verder het vertrek.
Aan den tegenovergelegen muur bevond zich een brandkast.
Uit nieuwsgierigheid, om de constructie te onderzoeken, trad de groote Onbekende er op toe en bekeek haar.
Hij had de gewoonte wanneer hij een brandkast zag, deze te openen.
Dat was zijn sport!
Zonder eenige belangstelling, alleen om de constructie der sloten te leeren kennen, hield hij zich met de kast bezig en plotseling sprong de zware deur open.
Met zijn zaklantaarntje lichtte hij bij, en zag dat de kast vol dikke pakken bankpapier lag. [11]
Raffles was niet van plan, iets weg te nemen.
Slechts om vast te stellen hoe groot de hier liggende som was, nam hij er een pakje uit en bladerde het door.
Het waren vijf dollar biljetten.
Reeds wilde Raffles ze weg leggen toen hij schrikte.
Hij trok er een bankbiljet uit, liet het verscheidene malen door de vingers glijden, hield het boven het licht van zijn electrische lantaarn, en legde het toen zorgvuldig op een klein tafeltje.
Toen trok hij een ander biljet uit een ander pakje te voorschijn.
Wederom onderzocht hij het als de eerste keer. Een spottend lachje speelde om zijn mond, en hij legde het bij het andere.
Toen nam hij weer een nieuw pakje uit de kast en nam dezelfde proef.
Ook hieruit legde hij twee bankbiljetten terzijde.
Toen maakte hij alles weer in orde, sloot de kast en stak de vier ontvreemde vijf dollarbiljetten in zijn brieventasch.
„Uitstekend,” mompelde hij, toen hij de slaapkamer verliet, om in het boudoir terug te keeren.
Hoofdschuddend staarde de dame op het document dat Raffles haar toonde.
„Wat kan dàt beteekenen?”
„Was het u bekend, dat uw vader in den oorlog der zuidstaten tegen de noordelijke staten heeft meegevochten?”
„Ja,” antwoordde mevrouw Hundley, „mijn vader heeft als zeventien-jarige jongeman den oorlog meegemaakt Hij was tot zijn laatste levensjaar een fanatiek aanhanger van het zuiden.”
De groote Onbekende dacht verscheidene minuten na, rookte een sigaret en antwoordde:
„Ik denk, dat het geval eenvoudiger is op te helderen dan ik aanvankelijk geloofde. Mijnheer Hundley heeft dit document slechts door toeval in zijn bezit gekregen.
„Hij dreigde u met een aanklacht waarvoor uw vader wel niet gestraft zou worden maar toch schade aan zijn goeden naam ondervonden zou hebben.
„Ik denk, mevrouw Hundley, dat ik probeeren zal, den schat van uw vader te vinden. De hoofdzaak echter is, dat gij door het ontfutselen van dit schriftstuk van uw man bevrijd kunt worden.
„Men zou den heer Hundley uitlachen, wanneer hij een beschuldiging tegen uw vader zou uitbrengen. Buitendien heb ik bij den heer Hundley een geheim ontdekt, waarmee ik mij den eerstvolgenden tijd zal bezighouden.
„Wees dus onbezorgd, mevrouw. Ik heb den man in mijn macht. Gij zijt van hem verlost.”
Een zucht van verlichting ontsnapte de borst der vrouw. Zij boog zich om de handen van Raffles te kussen.
Lord Lister weerde haar zacht af.
„Laat mij gaan,” zeide hij na een pauze, „spoedig zal de morgen aanbreken en ik mag door niemand gezien worden.”
Hij hief de voor hem knielende op, en wilde naar de deur gaan.
Toen vloog de jonge vrouw op hem toe, sloeg haar armen om zijn hals en riep snikkend uit:
„O! Edward, ik heb u zoo lief!”
De groote Onbekende keerde zich om. Hij zag haar in de gloeiende oogen, voelde het snelle kloppen van haar hart en had zijn geheele zelfbeheersching noodig om zich niet neder te buigen en de schoone vrouw te kussen.
Zacht maakte hij haar armen van zijn hals los.
„Gij weet niet wat gij zegt,” fluisterde hij, „bedenk tegen wien gij deze woorden spreekt.”
Toen sloeg zij opnieuw haar armen om zijn hals en antwoordde:
„Ik weet het maar al te goed, Edward. Ik weet alles, en toch heb ik u lief, zooals slechts een vrouw een man kan liefhebben. Sedert ik u den eersten keer zag, vervolgt mij uw beeld. Om u verzette ik mij tegen het huwelijk met dezen gehaten Hundley. Had ik geweten, waar gij waart, dan zou ik al lang reeds naar u toe gekomen zijn om u nog eens te zien en om u te zeggen, hoezeer ik u liefheb.
„Ik zou gelukkig zijn, als ik als een gewone meid, u kon dienen. Stoot mij niet van u, ik zal alles doen wat gij verlangt. Ja, ik zal u zelfs helpen bij alles wat gij doet. Bedenk, een vrouw kan veel!”
Lord Lister, die in de moeilijkste, gevaarlijkste uren nooit zijn koelbloedigheid verloor, wankelde een oogenblik en werd zwak. Al zijn tot nu kunstmatig bewaarde zelfbeheersching, dreigde hem te verlaten.
Hij boog zich tot de mooie jonge vrouw neer, sloeg zijn armen om haar hals, en kuste haar.
Slechts enkele minuten duurde deze roes, toen maakte hij zich met een onstuimige beweging uit haar armen vrij en fluisterde innig:
„Tot weerziens, Alice!” [12]