Het daagde reeds, toen Raffles en Charly Brand te huis kwamen.
De secretaris verwonderde zich over de stilzwijgendheid van zijn vriend. Deze zat stil, in gedachten verzonken voor den haard en maakte schijnbaar geen aanstalten om naar bed te gaan.
Charly Brand stoorde hem niet. Hij zette zich tegenover hem en er verliep wel een half uur, voor Raffles opkeek en hem verwonderd aanzag.
„Ben je nog wakker?”
Charly Brand legde een hand op zijn arm.
„Je bent zoo wonderlijk stil, Edward. Zoo geheel anders dan voorheen. Ik ken je niet meer. Is je iets onaangenaams overkomen?”
Lord Lister lachte bitter.
„Zooals men het neemt, Charly. Ik zelf ben het er nog niet over eens of ik voor een geluk of een ongeluk sta. Deze vrouw is verrukkelijk mooi!”
Charly Brand schrikte hevig.
De laatste woorden van John Raffles onthulden hem ineens diens gedachten.
„Je hebt mevrouw Hundley lief?” vroeg hij zacht.
Raffles zag hem met een verdrietig gezicht aan.
„Het zou doelloos zijn, daarover te spreken, oude jongen. In den door mij ingeslagen levensweg behoort geen jonge vrouw. Het zou haar en mij ongelukkig maken.”
„Waarom? Ik geloof, dat je alle eigenschappen bezit om een vrouw, die je lief heeft, gelukkig te maken.”
Raffles lachte bitter.
Zijn hand omklemde met vasten greep den stoel Zóó vast als wilde hij zijn vingers in het hout drukken.
„Je vergeet, beste Charly, dat ik een stuk wild ben, dat door alle bestaande politiebureaux opgejaagd wordt, en dat deze jacht eerst met mijn dood zal ophouden. Ja, als een dergelijke gelegenheid zich eenige jaren vroeger had voorgedaan, dan zou misschien alles anders geloopen zijn, maar nu?”
Charly Brand keek medelijdend naar zijn vriend.
„Ik ben je meening niet toegedaan, Edward, je zoudt je onder een anderen naam ergens in het Westen— —”
Lord Lister onderbrak hem.
„Ergens op een Eskimo-eiland, op Groenland, of aan de Zuidpool een hutje bouwen, meen je, niet waar? Maar jongen, ik ben een Engelschman, dat wil zeggen uit Londen, en een bewoner van Londen heeft van af zijn prilste jeugd grootstadsvuur in zijn aderen. Nooit zal ik mij ergens anders gelukkig gevoelen dan in ons verrookte, nevelachtige en toch zoo eigenaardig mooie Londen.
„Neen, laat ons daarover zwijgen. Ik zou niet geëigend zijn voor een Eskimo-eiland, zelfs niet aan de zijde van een vrouw. Bovendien…”—hij maakte een handbeweging als sloeg hij met een degen door de lucht, „laten wij dat thema laten varen. Ik ben nu eenmaal Raffles en zal Raffles blijven.”
„Mag ik weten, wat mevrouw Hundley van je verlangde?”
„Wel” antwoordde Raffles, „ik kreeg opdracht van haar, bij haar man een klein werkje uit te voeren.
„Deze mensch heeft haar, onder bedreigingen tegen haar vader, gedwongen, zijn vrouw te worden, en zij smeekte mij, haar te bevrijden. Tot dit doel doorzocht ik de geheime laden van mijnheer Hundley, vannacht, en vond twee heel interessante dingen.
„In de eerste plaats dit document.”
Raffles haalde zijn brieventasch te voorschijn en reikte Charly Brand het document.
Vol nieuwsgierigheid las de secretaris den wonderlijken inhoud.
Hoofdschuddend staarde hij op de regels.
„Merkwaardig,” zei hij, „wat kan dit beduiden? Deze geschiedenis is mij onverklaarbaar.”
„Mij in het geheel niet,” antwoordde Raffles, „en ik hoop, de eerstvolgende dagen, dit raadsel met je op te [13]lossen. Daarna vond ik echter nog iets van veel meer gewicht.”
Bij deze woorden haalde hij uit zijn portefeuille de vier meegenomen bankbiljetten en reikte ze Charly Brand.
Verwonderd keek deze daarnaar, en wist niet wat er mee te beginnen.
„Je kunt ze voor mij inwisselen,” lachte Lord Lister, „maar kijk ze eerst eens oplettend aan.”
Charly Brand onderzocht ze verscheidene minuten, maar hij kon er niets opvallends aan ontdekken.
„Je ziet er niets bijzonders aan?”
„Met den besten wil niet.”
„Zij zijn voortreffelijk gemaakt, maar oude jongen ik betaal voor deze bankbiljetten nog geen vijf cent. Zij zijn valsch”.
„Valsch?” Charly Brand onderzocht nogmaals maar kon er niets verdachts aan ontdekken.
„Toch is het zóó,” knikte Raffles. „Het is nauwelijks te zien, want ze zijn meesterlijk gemaakt, maar aan het papier kan men het voelen. Een verduiveld knap werkje. Het fijnste gevoel in de vingertoppen is er voor noodig om dit duivelswerkje als onecht te herkennen. Ik heb al menig valsch bankbiljet in mijn handen gehad, moet echter toegeven, dat ik nog nooit zoo’n knappe vervalsching gezien heb. Van deze biljetten zou men millioenen kunnen uitgeven, zonder den minsten argwaan bij kassiers op te wekken.”
„Vergis je je niet?” vroeg de secretaris op twijfelenden toon.
„Geen kwestie van”, lachte de Groote Onbekende, „dan zou ik Raffles niet moeten zijn. Ik onderzoek iedere zaak tienmaal scherper dan anderen.
„Met deze ontdekking hoop ik overigens met den heer Hundley goede zaken te doen.”
Het was tegen den middag van denzelfden dag, dat Hundley in het boudoir van zijn vrouw kwam.
Hij wilde haar verzoeken met hem uit rijden te gaan, daar hij hoofdpijn had.
Het was de nawerking van de chloroform die Raffles hem in den nacht had toegediend. Hij vond zijne echtgenoote met haar kamermeisje bezig, haar toiletten, wasch en verder alles wat haar toebehoorde, in koffers te pakken.
Verwonderd keek de millionnair naar deze bezigheid en vroeg eindelijk:
„Wat gebeurt hier, wat beduidt dat?”
Mevrouw Hundley zag hem met een spottend lachje aan en mat hem van het hoofd tot de voeten.
„Dat beduidt, mijnheer, dat ik uw huis verlaat en naar mijn moeder terugkeer. Ik heb geen zin langer uwe tirannie te verdragen.”
De millionnair werd aschvaal in het gezicht. Groote woede maakte zich van hem meester. Hij balde zijn vuist, trad dicht voor zijn vrouw en schreeuwde met van woede heesche stem:
„Wat beteekent dat? Wilt gij mijn goeden naam hier in New-York door het slijk sleuren? Gij geeft dadelijk aan uw kamermeisje bevel, alle koffers weder uit te pakken.”
Mevrouw Hundley lachte luid en riep tegen het meisje, die bij het binnenkomen van den huisheer met haar werk had opgehouden:
„Maakt wat voort, en stoort u niet aan wat deze heer zegt.”
Den heer Hundley stokte van woede bijna de adem.
„Wilt gij mij gehoorzamen of niet?” schreeuwde hij.
„Zoek een hond om u te gehoorzamen, niet een mensch”, was het rustige antwoord
Deze woorden brachten den heer Hundley buiten zichzelf van woede. Hij zag in dat deze vrouw haar plan om hem te verlaten, werkelijk zou uitvoeren.
Hij rende in de kamer op en neer. Plotseling bleef hij voor zijn vrouw staan, terwijl het sissend over zijn lippen kwam:
„Is dat de dank, dat ik van de dochter van een misdadiger een eerlijke vrouw maakte?”
Nauwelijks waren deze woorden gesproken, of mevrouw Hundley hief haar hand op en in het volgende oogenblik sloeg zij den woedende midden in ’t gezicht.
Een zinnelooze razernij maakte zich van den heer Hundley meester.
Zijn oogen sprongen bijna uit de kassen.
Hij rukte een zilver fluitje te voorschijn en floot er meermalen op.
„Eruit met jullie!” schreeuwde hij de kamermeisjes toe.
Twee krachtig gebouwde negers stortten nu in de kamer en bleven aan de deur staan.
„Hé! José en Tom!” riep Hundley. „Pakt deze daar en houdt haar vast.”
Met katachtige sprongen stortten zich de beide negers op mevrouw Hundley die als vastgenageld bleef staan.
Maar toen de eerste neger haar aanvatte, stootte zij hem terug, taste in den zak, en haalde een kleine revolver te voorschijn. [14]
„Terug, ellendelingen, of ik maak van mijn wapen gebruik.”
„De duivel zal je halen,” woedde de millionnair. „Pakt deze vrouw,” schreeuwde hij opnieuw.
Een van de zwarten wilde nogmaals op haar indringen.
Daar knalde een schot Een fijne kruitdamp trok door de lucht, en de dienaar stortte met een luiden smartuitroep, beide handen tegen het dijbeen drukkend, neer.
Mijnheer Hundley stond als versteend. Dat had hij niet verwacht. Maar het beste moest nog komen.
„Eruit!” riep mevrouw Hundley en hief de revolver opnieuw. „Waagt het niet nog eens, mij aan te raken, ellendige creaturen!”
De niet gewonde zwarte hief zijn steunenden kameraad van den grond en sleepte hem naar buiten. De millionnair volgde hen.
Op den drempel van de kamer keerde hij zich nogmaals om, balde de vuist tegen zijn gemalin en riep:
„Binnen vier-en-twintig uur zal de wereld vernemen, dat uw achtbare vader een misdadiger is geweest.”
Een overhalen van den haan liet hem spoedig het vertrek ontvluchten.
Hijgend van woede stormde hij naar zijn slaapkamer en opende de kist. Hij wilde het document, dat hij sedert verscheidene jaren bewaarde, uit het geheime vak halen en als wapen tegen zijn vrouw gebruiken.
Haastig wierp hij den inhoud van de bovenste afdeeling op den grond, en opende het geheime vak.
Duizelend deinsde hij achteruit. Hij zag dat het document verdwenen was.
Hij wilde, hij kon het niet gelooven.
Nogmaals boog hij zich over de kist. Met sidderende vingers bevoelde hij de kanten, zocht als een waanzinnige rond maar niets was te vinden. Het document was verdwenen. Half bedwelmd zonk hij op den dichtst bijzijnden zetel, en staarde verscheidene minuten voor zich heen, voor hij weder denken kon.
Hij overlegde.
Wie zou het document gestolen hebben?
Nog twee dagen geleden had hij het zelf in de hand gehad, nog gisteren was mevrouw Hundley hem onderdanig geweest, omdat zij wist, dat hij een dergelijk schriftstuk bezat.
Het kon dus slechts dezen nacht gestolen zijn en mevrouw Hundley moest het bezitten.
Daarom haar plotselinge vlucht uit het huis!
Daarom was zij niet langer bang voor hem.
Maar hoe had zij het aangelegd?
Wie zou geweten hebben, hoe de geheime sloten van den koffer te openen.
Dit alles bleef een raadsel.
Hij zelf was indertijd als directeur van een bank in bezit van dit document gekomen.
Mijnheer Symond, de vader van zijn vrouw, had bij hem een safe gehuurd, waarin hij waardevolle papieren bewaarde.
Gedurende zijn presidentschap aan de bank, had mijnheer Hundley steeds de grootste belangstelling voor de depôts van zijn cliënten.
Hij schuwde de gemeenste misdaden niet, en doorzocht ’s nachts de in de bank bewaard liggende papieren.
Op deze manier had hij het document van den heer Symond gevonden en het zich eenvoudig toegeëigend.
Toen Symond het verlies bemerkte en hem daarover, ondervroeg, antwoordde hij koelbloedig:
„Het interesseert mij niet, misschien vergeefsche, onderzoekingen naar den begraven schat te ondernemen, mij interesseert alleen dat gij een misdrijf hebt begaan.
„Daar gij nu echter een dochter hebt, van wie men zegt, dat zij de mooiste vrouw van New-York is, en ik haar wil bezitten, zoo verklaar ik hierbij, dat ik bereid ben het stilzwijgen te bewaren als gij mij uwe dochter tot vrouw geeft.”
Mijnheer Symond, die zijn goeden naam wilde redden en die in zijn jeugd, in een vlaag van lichtzinnigheid, toen hij zag dat de Zuidelijke Staten zouden verliezen, den hem toevertrouwden krijgsschat voor de Noordelijke Staten wilde redden, vervulde den wensch van mijnheer Hundley.
Spoedig daarop stierf de generaal.
Toen de bankier in den namiddag zijn villa verliet, vernam hij van den portier, dat zijn vrouw, met de koffers, reeds het huis verlaten had.
Om zich te verstrooien ging hij naar de Hamiltonclub en begon, na gedineerd te hebben, veel te drinken.
Hij was reeds goed aangeschoten, toen Palmer in de club kwam en lachend riep:
„Hundley, ik moet je de groeten overbrengen van je vrouw. Ik trof haar met Bird op een wandeltoertje in het Centraalpark.”
Hundley stond langzaam op en ging met wankelende schreden op Palmer toe:
„Laat mij met rust met deze vrouw,” stotterde hij; „dat wil ik je echter wel zeggen, dat als ik dezen [15]Bird, dezen zoogenaamden clubkoning aantref, hij mijn vuisten zal voelen. Hij is degeen, die naar het schijnt, mijn vrouw het hoofd op hol heeft gebracht.”
Een ademlooze stilte volgde op deze woorden.
En zooals het wel meer met toevalligheden gaat, juist op dit oogenblik trad Bird, alias Raffles de zaal in, met een roode nagelbloem, de lievelingsbloem van mevrouw Hundley, in het knoopsgat.
Met een vriendelijk lachje begroetten hem de vrienden, die hij in de club had leeren kennen.
Palmer was intusschen naderbij gekomen en had hem de hand geschud. Dan bracht de voorzitter zijn mond bij het oor van den juist binnengetredene en fluisterde:
„Vermijdt alle ruzie met Hundley. Hij is dronken.”
Hundley sloeg deze scène met bloed beloopen oogen gade.
Plotseling verhief hij zich uit zijn zetel nam een half geleegde champagneflesch en smeet die naar Raffles.
„Daar hebt gij een gedachtenis, hond!” schreeuwde de aangeschotene woedend.
John Raffles wendde snel het hoofd ter zijde, waardoor hij geen nadeelige gevolgen van den worp had.
„Hij is dronken,” riepen eenige heeren, „laten de bedienden hem weg brengen.”
Doch nauwelijks had de razende deze woorden gehoord, of hij riep uit:
„Wat, gij wilt mij hier uit gooien? De duivel zal dengene halen, die het waagt mij aan te raken.”
Hij trok een groote Texas revolver uit zijn zak en hield die op Raffles gericht.
Van schrik verstijfd stonden de clubleden daar en zagen naar de scène.
Slechts Raffles lachte.
Hij haalde een sigaretétui te voorschijn, als wilde hij een sigaret opsteken.
Echter, toen hij het opende, viel het op den grond.
Onwillekeurig keken alle aanwezigen er naar, ook Hundley.
Raffles alleen niet! Hij benutte het oogenblik dat Hundley het voorwerp met zijn oogen zou volgen.
Snel sprong hij op Hundley toe, trok hem de revolver uit de hand en stiet den dronken man in zijn zetel terug.
De clubleden hadden het doel van dit spelletje begrepen en riepen: „Bravo!”
Toen pakten zij Hundley op en brachten den zich als een razende werende, uit de zaal.
„Dat had gevaarlijk kunnen worden,” meende Palmer, terwijl Raffles de patronen uit de revolver haalde.
„Hij was dronken,” antwoordde Lord Lister, de schouders ophalend, „en heeft een onverklaarbare woede, tegen mijn persoon gericht.”
„Hij gelooft,” antwoordde Palmer, „dat gij de minnaar van zijn vrouw zijt.”
John Raffles richtte zich hoog op, klemde zijn monocle in het oog en antwoordde daarop:
„Ik verzeker alle aanwezigen hier, dat de heer Hundley zich vergist. Overigens, heeren, verzoek ik u, mij bij deze aangelegenheid te willen helpen. Ik ben van plan om, zooals het onder gentlemen, gebruikelijk is, den heer Hundley rekenschap te vragen voor deze gemeene beleediging.”
Verwonderd keken allen naar Raffles.
Een dergelijk verlangen was in een Amerikaansche club iets buitengewoons. Men kende hier niet de manier om een beleediging in een tweestrijd uit te vechten als in Europa.
„In ieder geval,” sprak Raffles, „moet ik eerst nog onderzoeken of de heer Hundley in de termen valt, zich als man van eer met mij te meten.”
Gezamenlijke clubleden waren opgetogen over de idée van Raffles om met Hundley te duelleeren.
Het was iets nieuws, iets bijzonders.
Iedereen bood zich als secondant voor Raffles aan.
Niemand wilde daarentegen voor Hundley opkomen.
Zij waren allen trotsch op hun clubkoning.
Alleen Palmer schudde bedenkelijk het hoofd en zeide, nadat de algemeene opwinding over het ophande zijnd duel een weinig bedaard was, met vroolijk gezicht:
„Heeren, om te duelleeren moeten er twee zijn. Ik geloof niet, dat Hundley de vordering van den heer Bird zal aannemen.”
„Oho!” riepen de clubleden, „dan wordt Hundley van de lijst van de club geschrapt”
„Ook dat is nog de vraag,” antwoordde Palmer, „het is bij ons in Amerika geen gewoonte om te duelleeren.”
„Dan zullen wij het zijn,” riep mijnheer Lyon, een bekend New-Yorksch advocaat, „die deze gewoonte in onze club invoeren.
„Ik stel voor, heeren, nu wij vanavond toch bijna voltallig aanwezig zijn, over dit besluit te stemmen.”
„Allright,” riepen de leden, „wij zullen stemmen.” [16]
De bedienden van de club moesten zwarte en roode balletjes brengen.
Toen nam Lyon zijn hoogen hoed en de heeren wierpen er hun balletje in.
De zwarten beteekenden neen, de rooden ja.
Toen Lyon de balletjes telde, was er slechts één zwarte in.
Hiermede was dus het besluit genomen, dat de leden van de Hamilton Club in de toekomst een beleediging in een duel zonden uitvechten.
Lyon bood zich bij Raffles als secondant aan en deze nam het aanbod dankend aan.
De heer Palmer echter en nog eenige oudere heeren werden tot eereraad benoemd, om in dergelijke aangelegenheden een besluit te nemen. [17]