[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

DE MISLUKTE MOORDAANSLAG.

Hundley was ondertusschen in een grenzenlooze woede in zijn auto naar huis gekomen en liet daar zijn dienaar José, een neger van buitengewone lichaamskracht en grootte, in zijn slaapkamer komen.

„Gij moet heden een werkje voor mij doen”, zei Hundley tot den zwarte.

De oogen van den neger blikten begeerig op.

„Hoor eens, José”, sprak de millionnair verder, „gij kent het huis in het Centraalpark van een kennis van mij, een zekeren mijnheer Bird?”

„Ja, mijnheer.”

„Gij moet nog hedennacht in dit huis sluipen, en den heer Bird met een dolkstoot bestraffen voor de beleediging die hij mij heeft aangedaan.

Hij is oorzaak dat mevrouw Hundley mijn huis verlaten heeft. Ja, als mij niet alles bedriegt, heeft zij dezen man lief.”

De zwarte tandenknarste, iets wat Hundley bevredigde. Hij wist dat José op zijn mooie vrouw verliefd was.

Hij was dus de aangewezen persoon om den gehaten clubkoning naar de andere wereld te helpen.—

Een half uur later verliet de zwarte het huis van zijn heer, en gleed als een schaduw langs de villa’s.

Hij was jaren lang een gevreesde bankroover geweest, en wel, wat niemand wist, met zijn heer te zamen.

De millionnair was, voor hij naar New-York kwam, het hoofd van een in het Westen van Amerika werkende bende geweest, had echter niet verzuimd om, zoodra hij een slag geslagen had en een millioen veroverd, het Westen te verlaten en zich als man van eer onder een anderen naam in New-York te vestigen.

Hier had hij nu sedert tien jaren een bankzaak, die hij met het gestolen geld had gevestigd. Van de geheele bende behield hij slechts den reusachtigen José bij zich. Alle overigen waren verdwenen of dood.

José was ook op de hoogte van den gevaarlijken inhoud van Hundley’s brandkast.

Op een eenzame boerderij in de nabijheid van New-York woonde een knappe, teringachtige plaatsnijder en drukker, die met het maken van de valsche vijf-dollarbiljetten was belast geweest.

Voor millioenen had de arme man, door nood gedreven, gemaakt, en was, toen Hundley hem ontsloeg en hem met enkele duizenden dollar paaide, in een New-Yorker hospitaal gestorven.

José bekeek enkele minuten het huis van mijnheer Bird, dat geheel in het donker lag.

Reeds wilde hij het hek openen, dat de villa van de straat scheidde, toen hij door een aankomende automobiel daarin verhinderd werd.

Snel gleed hij in een schuilhoek en zag, hoe de auto voor het huis van den heer Bird stilhield en de clubkoning in huis ging. Dadelijk daarop reed de chauffeur door de geopende deur in de auto-garage.

De man had niet bemerkt, dat toen Raffles de rechterzijde van de auto opende, de neger de tegenoverliggende deur opende en zich in den gesloten wagen zette.

Op deze manier was de handlanger van den millionnair in huis gekomen zonder over een hek te klimmen of een deur open te breken. Toen de chauffeur langzaam de auto in de garage bracht, opende de zwarte zachtjes de deur en sloop onbemerkt weg. In de schaduw van een kleine loods verborg hij zich, tot de chauffeur en de portier de bergplaats verlaten hadden.

Nu ging hij naar het sousterrain, opende met zijn mes een raam, en gleed er doorheen.

John Raffles, die tamelijk vermoeid was, had zich dadelijk te slapen gelegd.

Slechts Charly Brand waakte nog en las.

Plotseling legde hij het boek neer.

Het was hem als hadden de planken in den vloer gekraakt.

Gewoon op ieder geluid te letten, ging hij naar de deur en opende die op een kier. [18]

De gang was helder verlicht, aan het einde daarvan lag Raffles’ slaapkamer.

Verschrikt staarde Charly op de deur van de kamer. Duidelijk zag hij er een neger voorstaan met een geopend mes in de hand.

Dadelijk greep Charly Brand in zijn zak, haalde zijn Browning-pistool te voorschijn, richtte het op den niets vermoedenden zwarte en riep:

„Handen omhoog, of ik schiet!”

Met een schreeuw van woede sprong de neger van de deur terug en zag met rollende oogen naar Charly Brand.

Hij scheen nog te overleggen wat hij zou doen, want Charly was, bij hem vergeleken, een kleine, tengere figuur.

Nog eens klonk Charly Brand’s bevel:

„Handen omhoog, of ik schiet!”

Nu eindelijk liet de neger het mes vallen en hief de handen op.

Op dit oogenblik werd de deur van Raffles slaapvertrek geopend en verscheen hij zelf.

„Een aardig onderhoud in den nacht”, zeide hij kalm, en keek glimlachend naar de beide anderen.

„Ik trof hem voor je kamerdeur met het geopende mes in de hand”, verklaarde Charly Brand.

„O!” knikte Raffles, „nu herken ik den knaap. Hij is in dienst van den heer Hundley. Een merkwaardige manier om mij een bestelling over te brengen. Wat verlangt gij?”

De neger wist niets te antwoorden.

Zijn oogen keken onzeker heen en weer.

Hij verstond de beteekenis van Raffles’ woorden niet.

Deze bukte zich, en raapte het dolkmes van den zwarte op.

„Een goed wapen”, zeide hij, „waart gij bevreesd, dat u iemand hier zou aanvallen?”

De neger knarste met de tanden. Hij bemerkte nu, dat Raffles hem voor de mal hield.

„Ik zal uw wapen”, ging Lord Lister verder, „bij mijn verzameling voegen. Ga nu naar huis, en zeg uw heer, dat hij voortaan voor de uitvoering van zijn bestellingen een geschikteren dienaar moet kiezen.

Voorwaarts! En nu het huis uit!”

„Je laat hem loopen?” vroeg Charly Brand verwonderd.

„Moet ik hem ook nog gastvrijheid verleenen?” lachte Raffles. „Hij zou zich wel niet op zijn gemak bij mij voelen. En nu, goeden nacht, Charly, slaap wel.”

Rustig, als was er niets voorgevallen, zocht de Groote Onbekende zijn slaapkamer weder op. Toen begaf ook Charly Brand zich ter ruste.

Juist toen hij zich wilde nederleggen, hoorde hij weder den grond kraken.

Haastig greep hij zijn revolver en stormde naar buiten. Daar zag hij Raffles voor zich in een donkere overjas, den kraag opgeslagen en een zwarte tasch in de hand.

„Ben jij het?” vroeg de secretaris verwonderd, „waar wil je nog heen?”

„Een wandelingetje maken”, was het gewone antwoord, „ik ben binnen twee uur terug. Ik heb een prachtigen inval gekregen. Ga intusschen maar naar bed en ga slapen.”

Zonder verder op Charly Brand te letten, stapte John Raffles de gang door en was verdwenen.— —

Het was bijna morgen, toen Lord Lister, door de schemering, naar de kleine geheime deur van den wintertuin in het paleis van Hundley trad.

Met den sleutel, die hem den vorigen nacht door mevrouw Hundley was gegeven, opende de Groote Onbekende de deur en trad binnen.

Hij had verscheidene uren in de omgeving van het paleis verscholen moeten blijven en wachten, daar hij bemerkte, dat Hundley zich nog niet te slapen had gelegd.

Langs den hem welbekenden weg sloop Raffles nu in de slaapkamer van Hundley.

Wederom verdoofde hij den slapende met chloroform en opende de brandkast.

Nu nam hij alle bankbiljetten, die in pakjes verpakt waren, eruit en vulde daarmede zijn tasch. Zij was niet voldoende, hij moest van krantenpapier nog een groot pak maken.

Daarop verliet hij de slaapkamer en ging naar huis.


Het was ongeveer negen uur in den morgen, toen een krantenjongen het bureau van directeur Stamford binnentrad en hem een brief overhandigde.

Hij moest niet op antwoord wachten en verliet dus dadelijk het kantoor.

Stamford opende het couvert, nam den brief er uit, en las:

„Zeer geachte Heer!

Ik heb mij veroorloofd gisternacht inzage van uw boeken te nemen en ik hoop dat daardoor, [19]voor ons beiden, bevredigende zaakverbindingen zullen ontstaan. Gij zult tot de overtuiging gekomen zijn, dat ik een concurrent van uw verzekeringsmaatschappij ben, waartegen gij niet zijt opgewassen. Gij bezit niet zooveel millioenen, als gij, indien ik wilde, zoudt moeten betalen. Daarom doe ik u den voorslag, mij als stille vennoot in uw zaak op te nemen. Ik zal u in de toekomst alles, wat ik met mijn bezigheden verdien, voor de helft van de waarde verkoopen. Ik denk, gunstiger aanbod is u nog nooit gedaan. Ook zult gij niet spoedig iemand vinden, die u zoo tegemoet komt.

Om het antwoorden mogelijk te maken, wilt gij u wel van de afdeeling advertenties van de New-York Herald bedienen. Als opschrift gebruikt gij de woorden „Stipte deelgenoot”.

Ik heb vannacht bij een van uw klanten, zekeren Hundley, 1½ millioen dollar in bankbiljetten geroofd.

Ik bied u de biljetten voor een half millioen aan, dus een prachtige zaak voor u, niet waar?

Gemakkelijker dan door mij kunt gij geen geld verdienen.

Antwoordt mij of ik morgen de chèque bij uw bank kan laten afhalen. Zoo gauw als ik het geld heb, zal ik u uw eigendom toezenden.

Mocht gij soms de politie of een bureau van detectives op mij afzenden, dan zal het uw schade zijn, en niet de mijne.

Hoogachtend,
JOHN C. RAFFLES.”

Stamford had onder het lezen bijna zijn adem ingehouden, louter van opwinding.

Het zweet stond in dikke parels op zijn voorhoofd.

Nu was dan gebeurd, wat Newton hem voor eenige dagen had gezegd.

John C. Raffles, die zichzelf aandiende als de Onbekende, nachtelijke inbreker, was ongetwijfeld een niet te bedwingen tegenpartij.

Stamford herinnerde zich ook den raad, om zich met den Grooten Onbekende te verstaan.

Tevergeefs martelde hij zijn hersens om een uitweg te vinden. Ieder oogenblik kon Hundley bij hem komen, om hem te vertellen van den diefstal, waarvoor hij bij hem verzekerd was.

Stamford riep zijn beambten en beraadslaagde wat te doen.

Men kwam eindelijk tot het resultaat, op Raffles’ voorslag in te gaan.

Juist was het onderhoud afgeloopen, toen Hundley binnenkwam en aan de deur reeds uitriep:

„Men heeft mij bestolen, directeur, ik ben bestolen!”

Naar lucht happende, zonk hij in een leuningstoel.

„Hoeveel is u dan ontstolen?” vroeg mijnheer Stamford, hoewel hij het reeds wist.

„Millioenen!” steunde Hundley.

„Hoeveel millioenen?”

„Twee en een half millioen!”

Hij zag den eigenaardigen blik niet, waarmee Stamford hem aankeek.

„Twee en een half millioen?” herhaalde de directeur.

„Ja, twee en een half millioen, ik ben voor drie bij u verzekerd, zooals gij weet.”

Stamford keek met een onderzoekenden blik naar den millionnair.

„Kunt gij mij een bewijs van de grootte der som brengen, mijnheer Hundley?”

„Bewijzen? Houdt gij mij niet voor een man van eer? Gij wilt misschien nog tegenstribbelen om mij het geld uit te betalen?”

„In geen geval”, antwoordde Stamford, „maar het zou toch kunnen, dat gij u in de som vergistet.”

Hundley lachte ironisch.

„Neen, mijn waarde, als bankier vergis ik mij nooit in getallen. Gisternacht lag de genoemde som nog in mijn brandkast, en die is nu gestolen. Ik kan u twee getuigen bijbrengen, mijn kassier en mijn secretaris.”

„Ik moet u uwe onbedachtzaamheid verwijten”, meende de directeur. „Hoe kan men een dergelijke groote som in huis bewaren? Daarvoor zijn toch de banken.”

„Dat is mijn zaak”, antwoordde Hundley op ruwen toon.

„Gij moet mij de grootte der som beëedigen kunnen”, ging Stamford verder.

Hundley zette een hooge borst op en zeide:

„Ik zal het voor den rechter beëedigen.”

„Dat zal noodig zijn. Mijn maatschappij verlangt den eed. Uw polis is, naar ik hoop, in orde?”

Hundley opende zijn pelsjas en haalde een portefeuille te voorschijn.

Hij haalde er een saamgevouwen document uit.

„Hier is mijn polis!”

„Gij kunt deze bij den rechter van mijn district, [20]tot het afleggen van uw eed, deponeeren, mijnheer.”

Hundley fronste een oogenblik het voorhoofd.

„Het spijt mij, niet lang te kunnen wachten.”

„De zaak zal morgen afgeloopen zijn.”

De heeren gaven elkaar de hand. Toen verliet Hundley het kantoor.

Een uur later bevond zich Stamford weer bij Newton.

„Het is gekomen, zooals gij voorspeld hebt. Hier! lees den brief en zeg mij wat ik doen moet.”

De eigenaar van het bureau van detectives las aandachtig het schrijven, en schudde toen het hoofd.

„Deze zaak is niet in orde, mijnheer Stamford”, meende hij.

Verstomd keek deze naar den beroemden detective.

„In hoeverre, waarom?”

„Heel eenvoudig”, lachte Newton, „vindt gij het niet merkwaardig, dat Raffles opeens de door hem geopende brandkast van zijn inhoud bevrijdt, nadat hij dit steeds een dozijn keeren niet gedaan heeft?”

Stamford schudde het hoofd.

„Ik begrijp u nog niet, wat meent gij?”

„Heel eenvoudig. Ik ben van meening, dat al de raadselachtige inbraken de laatste weken door Raffles zijn uitgevoerd. Maar daarbij is nooit iets gestolen. Ik nam dus aan, dat de inbreker een zeker doel beoogde en dat dat tegen u was gericht. Een soort van afpersing. Deze brief echter bewijst het tegendeel. Want waarom nam hij tot heden toe niets van waarde weg, en waarom besteelt hij nu den heer Hundley voor twee en een half millioen dollar en biedt ze u voor een half millioen te koop aan? Deze zaak is niet in orde.”

Beiden keken nadenkend eenige minuten voor zich, toen Stamford zeide:

„Ge maakt mij in de war, er is tegenspraak tusschen Raffles en Hundley.”

„Welke tegenspraak?”

„Hundley beweert dat hem twee en een half millioen ontstolen zijn, en Raffles spreekt slechts van anderhalf.”

Newton floot scherp door de tanden, toen lachte hij en zeide:

„Een goed idée van Hundley.”

„Wat meent gij?”

„Nu, hij wil bij het zaakje verdienen. Begrijpt gij dat niet?”

„Ja! maar Hundley verzekerde mij, dat hij de schadesom voor den rechter wil beëedigen!”

„Dan doet hij een meineed!”

Stamford trommelde zenuwachtig met zijn vingers op de stoelleuning.

Newton lachte ironisch.

„Het zou een meineed zijn, die absoluut ongevaarlijk is voor Hundley, want niemand zal kunnen bewijzen, dat hij die som niet in de brandkast had.”

Newton hield de handen voor de oogen, als hinderde hem het daglicht bij het nadenken. Na enkele minuten richtte hij zich weer op.

„Bericht Raffles, dat Hundley beweert, dat hij twee en een half millioen gestolen heeft, en wacht het antwoord af.

Overigens laat gij Hundley rustig den eed doen. Zou hij werkelijk blijken een misdadiger te zijn, dan moet, niettegenstaande de moeilijkheid, geprobeerd worden, hem dit te bewijzen. Is dat gebeurd, dan moet de oude jongen heengaan, waar hij behoort, d.w.z. naar de gevangenis.

Hebt gij mijnheer Hundley medegedeeld, dat gij een brief van Raffles hebt ontvangen?”

„Neen”, antwoordde Stamford, „zooveel criminalistische scherpzinnigheid bezat ik zelf. Misschien zou ik het gedaan hebben, als de man mij niet, naar mijn meening, een onwaarheid had gezegd.”

„Verder is er nu voorloopig niets te doen”, meende de detective. „Geef bericht, en wacht de verdere ontwikkeling van de dingen af.”

Na deze woorden begaf Stamford zich weder naar zijn bureau.— —

Hundley was van de verzekeringsmaatschappij naar de Hamilton Club gesneld.

Hier wachtten hem reeds eenige journalisten op, om van hem inlichtingen over den diefstal te verkrijgen.

Hundley scheepte de reporters af en was juist van plan te gaan ontbijten, toen Lyon op hem toetrad en hem in korte woorden het besluit van de Hamilton Club, betreffende duelleeren van de leden, uiteenzette.

Hundley hoorde nauwelijks.

De geschiedenis interesseerde hem niet. Plotseling echter spitste hij de ooren.

„Ik heb u”, zeide Lyon, „een uitdaging van Bird over te brengen. Hij laat u de beslissing der wapenen over.”

Hundley liet mes en vork op tafel vallen, de bete bleef hem in den mond steken.

Hij meende niet goed gehoord te hebben.

„Gij wilt wel de goedheid hebben, mij uwe secondanten te zenden, opdat wij alles verder regelen”, zeide Lyon zakelijk. [21]

Lyon had, na deze woorden, zijn visitekaartje naast het bord van Hundley gelegd, groette en trok zich terug.

Nauwelijks was hij weg of Hundley sloeg met de vuist op tafel, en schreeuwde:

„De geheele Hamilton Club schijnt plotseling gek te zijn geworden. Ik zie er van af, als een Europeaan met iemand te vechten.”

Een clublid, dat zijn uitlatingen gehoord had, kwam naar hem toe, en zeide:

„Ik zal uw woorden aan het bestuur mededeelen en verzoek u in naam van de Hamilton Club, dadelijk de lokaliteiten van onze vereeniging te verlaten.”

„Goddam”, bruischte Hundley op, „spaar uw voorden maar, lafbek.”

Daarop keerde de toegesprokene zich kalm om, ging naar de bedienden en beval hen, den heer Hundley het gebouw uit te zetten.

Er volgde groote opschudding.

De millionnair kon slechts met geweld verwijderd worden.

Toen hij thuis kwam, raasde hij als een losgelaten stier.

Alleen de gedachte aan de twee en een half millioen, die de maatschappij hem moest uitbetalen, matigde hem wat.

Inmiddels was het laat in den namiddag geworden en brachten de avondbladen de volgende annonce:

STIPTE DEELGENOOT.

Wij hebben vernomen, dat niet anderhalf millioen, maar twee en een half millioen zich in uwe handen bevindt. Wij zijn bereid, u voor de uitbetaling van deze som, de verlangde chèque te overhandigen.

„Prachtig”, lachte Raffles, „òf die menschen probeeren mij te misleiden, òf zij zijn zelf beetgenomen.

Hoogstwaarschijnlijk is het het laatste. Ik zal dadelijk antwoorden.”

Met de eerste morgenpost ontving mijnheer Stamford den volgenden brief:

„Zeer geëerde heer!

Uw advertentie heeft mij verrast. Als ik twee en een half millioen bezat, zou ik een grootere som van u verlangd hebben. Ik verzeker u echter, dat dit niet het geval is. Ik ben van een pijnlijke nauwgezetheid in zaken. Ik verwacht uw antwoord onder bekend opschrift.

Hoogachtend,
JOHN RAFFLES.”

Wederom snelde Stamford naar Newton en toen deze den brief gelezen had, zeide hij:

„Gij kunt op Raffles staat maken, mijnheer Stamford. Deze Hundley probeert u te bedriegen. Wanneer gij u voor grootere schade wilt vrijwaren, zendt Raffles dan de chèque, dan kunnen wij met Hundley onderhandelen.”— —

Den volgenden morgen las Raffles een tweede advertentie:

STIPTE DEELGENOOT.

Wij zijn bereid, u de chèque te geven, maar gelijk oversteken!”

Het was tegen den avond, en Stamford wilde juist zijn bureau verlaten, toen hij op de trap werd aangesproken door een besteller van het New-Yorker Centraalstation.

„Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Zijt gij mijnheer Stamford, de president van de verzekeringsmaatschappij?”

De directeur keek den pakdrager oplettend aan, en antwoordde:

„Jawel, mijn naam is Stamford.”

„Ik moet een brief aan u afgeven en op antwoord wachten.”

De geadresseerde nam den brief en las hem. Hij luidde:

„De besteller heeft in zijn handtasch de anderhalf millioen. Zendt gij daarvoor de chèque.

Ik maak er u opmerkzaam op, dat als gij het gevraagde niet zendt, maar den bode toch het geld afneemt, gij dezen nacht grooter schade door mij zult lijden.

Hoogachtend,
JOHN RAFFLES.”

Stamford liet den besteller in zijn kantoor, opende de handtasch en zag dat zij tot het randje met vijf-dollarbiljetten gevuld was.

Toen begon hij het geld met behulp van twee assistenten na te tellen.

Bijna een uur had hij noodig om zich er van te overtuigen, dat de inhoud goed was. [22]

Toen gaf hij, zooals de Groote Onbekende verlangd had, de chèque aan den man.

Met een „goeden avond, heeren”, verliet de besteller het kantoor.

Stamford waagde het niet, hem door een van zijn ondergeschikten te laten volgen.

De bode begaf zich ondertusschen naar het groote Centraalstation en trad in de vestibule voor het loket.

Na een poosje trad een oude man met witten baard op hem toe, wisselde eenige woorden met hem, nam de chèque en verdween in het gewoel van de menigte. Het was Raffles zelf geweest.

Terzelfdertijd was Stamford naar Newton geijld en deed hem mededeeling van de ontvangen anderhalf millioen.

„Bericht den heer Hundley, dat hij het geroofde geld van u kan terug krijgen”, lichtte hem de detective in. „En wacht dan af, of hij er op staat, de twee en een half millioen terug te krijgen. Mocht dit het geval zijn en legt hij den eed af, dan zal ik in functie treden.


Hundley wreef zich vergenoegd in de handen, toen hij den brief ontving betreffende de beslissing van de aangelegenheid met de verzekeringsmaatschappij.

Hij was de eerste, die den volgenden morgen het kantoor van Stamford betrad.

Hoe verstomd was hij echter, toen Stamford hem anderhalf millioen in vijf dollarbiljetten begon uit te betalen!

„Maar dat is mijn eigen geld”, zeide hij.

„Zoo is het”, antwoordde Stamford, „het is ons, door onze agenten, gelukt den dief het geld weer afhandig te maken.”

„Maar er mankeert een millioen aan”, uitte Hundley na een kleine pauze.

Deze uitlating had Stamford niet verwacht.

Hij geloofde niet, dat Hundley een schelm zou zijn.

„In waarheid, mijnheer Hundley? Vergist gij u niet”, vroeg hij daarom.

„Wat drommel, mijnheer Stamford. Ik herhaal u nog eens, dat ik toch wel zal weten hoeveel geld ik bezit!”

„Gij zoudt ons dus de grootte der som, zooals, wij verlangen, beëedigen?”

„Met tien eeden!”

„Goed; vergezel mij dan naar den rechter.”

Na een half uur was de zaak afgeloopen.

Daardoor was Stamford gedwongen, om Hundley het ontbrekende millioen uit te betalen, wat voor hem zoo goed als de ondergang van zijn maatschappij was.

Hij overlegde nog, hoe hij dit gevaar kon afwenden, toen de telephoon op zijn schrijftafel belde en hem beduidde, dat iemand hem wenschte te spreken.

Hij ham de gehoorbuis en riep:

„Hier Stamford. Hallo, wie daar?”

„Hier Newton. Is mijnheer Hundley nog bij u?”

„Jawel!”

„Hebt gij hem de anderhalf millioen in vijf dollarbiljetten al uitbetaald?”

„Nog niet. Zij zijn nog hier.”

„Hoe is het met den eed?”

„Mijnheer Hundley heeft hem reeds afgelegd. Wij komen van den rechter.”

„Zoo? Dat is gek. Houd hem nog een half uurtje bezig. Ik ontving zooeven een brief over uwe aangelegenheid van Raffles. Kom zoo dadelijk bij u.”

Stamford legde de gehoorbuis neder en wendde zich tot Hundley.

„Gij wilt misschien zoo goed zijn een half uur te wachten, tot ik de bank bericht heb gezonden van de uitbetaling van de chèque aan u.”

„Daartoe ben ik gaarne bereid, en ik ben blijde mijn geld weer terug te krijgen.”

De directeur gaf voor, andere zaken te moeten afdoen en verzocht den heer Hundley in een kamer te treden, waar boeken en tijdschriften lagen.

Er verging dan ook nauwelijks een kwartier of Newton stapte in het kantoor van Stamford.

Na korte begroeting zeide de detective:

„Deze Raffles is werkelijk een uitstekende persoonlijkheid. Hij heeft mij een schelm in de netten gejaagd, die ik anders nooit te pakken had gekregen.

De man behoort tot die klasse van menschen, die bij ons hun misdaden onder bescherming der wet uitvoeren, in een vorm dat wij nauwelijks vat op hen hebben. Waar is het geld, dat Raffles u zond en dat hij van Hundley wegnam?”

Stamford opende den grooten handkoffer en legde een pakje vijf dollarbiljetten op tafel.

Haastig trok de detective er een banknoot uit, hield haar tegen het licht en begon haar ernstig te onderzoeken.

Verwonderd keek Stamford naar deze bezigheid.

„Houdt gij ze voor valsch?”

„Ja”, antwoordde Newton, „de geheele zaak is daardoor aan het rollen gekomen, dat John Raffles mij dezen morgen in een brief mededeelde, dat ik bij [23]u een van de handigste vervalschers van Amerika ontdekken kon. Intusschen heb ik vastgesteld, dat deze biljetten werkelijk valsch zijn.”

Stamford nam nu ook een biljet onder het vergrootglas, en na een zorgvuldig onderzoek, nadat hij door Newton op de kenmerken was opmerkzaam gemaakt, zag hij, dat al de 300,000 biljetten prachtig waren nagemaakt.

„Geef hem nu de chèque. Al het overige laat gij aan mij maar over. Hij zal mij niet ontkomen”, meende Newton na een poosje. „Waar bevindt zich de heer Hundley nu?”

„In de kamer daar!” was het antwoord.

„Goed, breng mij dan daarheen, en zeg dan tot mij, zóó, dat de bankier het hoort, dat ik tot na de afwikkeling der zaak bij Hundley moet blijven.”

Nu wendde zich de directeur tot den millionnair.

„Mag ik verzoeken, mijnheer Hundley, de chèque is uitgeschreven”, zeide hij.

De bankier ging met Stamford in diens kantoor, en zoodra de deur gesloten was, verliet hij door den tweeden uitgang het bureau.

Een half uur later reden twee rijtuigen in de 5e avenue bij de Trust-Bank voor.

Uit de eerste stapte Hundley, die de bekende tasch met het geld droeg, en ging in huis.

Eenige seconden later stapten uit het tweede rijtuig drie heeren, die eveneens met haastige schreden het gebouw binnentraden.

De kassier had juist zooeven de chèque als goed erkend, en vroeg nu of mijnheer Hundley het geld niet op conto wilde laten staan.

„Jawel”, antwoordde de bankier, „maar ik wensch de som van 20,000 dollar dadelijk uitbetaald te krijgen.”

Het duurde geruimen tijd, tot alle formaliteiten vervuld waren en de kassier de twintig duizend dollar in bankbiljetten had uitgereikt.

Hundley stak de banknoten in zijn brieventasch en wilde juist naar zijn rijtuig terug gaan, toen een heer op hem toetrad, hem doordringend aanzag, en vroeg:

„Mijnheer Hundley?”

„Jawel. Wat wenscht gij van mij?” was het antwoord.

„Mijn naam is Newton.”

Op dit oogenblik waren twee detectives naderbij gekomen en pakten met vasten greep ieder een handgewricht van Hundley.

Met loodkleurig gezicht staarde deze op de mannen.

„Wat beduidt dat?”

„Niets anders, dan dat gij onder verdenking van valschmunterij en meineed in hechtenis wordt genomen en voor het gerecht gevoerd”, verklaarde Newton met koude stem.

Nu eerst begreep Hundley de gevaarlijke positie, waarin hij zich bevond. Hij probeerde zich te bevrijden, maar tevergeefs.

Snel als de wind had zich het gerucht van de inhechtenisneming aan de bank en in de straten verbreid.

Nieuwsgierig omringden de employés van de bank den aangehoudene, die luid tegen zijn inhechtenisneming protesteerde.

Op straat had zich een groote menigte verzameld en omringden den heer Hundley, die geboeid, naar zijn rijtuig gevoerd werd, met bedreigingen.— —

Reeds tegen den middag brachten de couranten het bericht van de aanhouding en het ontdekken van anderhalf millioen in valsche bankbiljetten. Tegelijkertijd voegden de couranten er de interessante mededeeling aan toe, dat deze ontdekking het gevolg was van een inbraak van John Raffles en dat men in den komenden tijd op uiterst interessante misdaden moest gevat zijn.

„Waar is Raffles?” vroegen de couranten.

„Wie is Raffles,” gingen zij verder.

De groote Onbekende echter zat zeer gemoedelijk in zijn werkkamer en rookte uiterst vergenoegd een sigaret, terwijl mevrouw Hundley tegenover hem zat.

„Gij zijt vrij, mevrouw,” zeide hij tot zijn mooie bezoekster. „Och! bedank mij niet, gij zijt de aanleiding tot de inbraak bij den u opgedrongen echtgenoot, en tot ontdekking van zijn misdaad.”

Mevrouw Hundley keek droevig naar haar metgezel.

„Hebt gij werkelijk heelemaal geen sympathie voor mij, Lord Lister?”

De groote Onbekende keek haar enkele seconden ernstig aan.

„Wanneer dat werkelijk het geval was, mevrouw, zou mijn verstand mij verbieden, deze sympathie noch mijzelf noch u te bekennen.

„Laat ons goede vrienden blijven. Ik mag mij niet aan een vrouw binden. Mijn sport verbiedt het mij. Gij zijt niet de eerste, die mij op den weg treedt, en probeert mij mijn levensdoel ontrouw te doen worden.”

„Gij vergist u, Lord Lister, ik wil u niet van uw sport aftrekken. Integendeel!

Ik wil uwe trouwe deelgenoot zijn, u helpen zooveel als in mijn vermogen ligt.” [24]

Raffles stond op.

„Het spijt mij wel, mevrouw, maar gij zult wel begrijpen dat ik mij er alleen toe in staat acht, en geen hulp noodig heb. Laat ons, bid ik u, dit gesprek afbreken. Gij zijt een lieve, mooie vrouw, en zult zeker den man vinden, die u gelukkig maken kan.”

De oogen van mevrouw Hundley hadden zich met tranen gevuld. Langzaam stond zij op, trok een kostbaren ring van haar vinger en hem Raffles reikende, zeide zij:

„Laat mij u tenminste een aandenken geven. Ook zou het mij zeer verheugen, indien gij mij daarvoor een ander aandenken vereeren wildet.”

Dankend kuste Raffles de hem aangeboden hand, toen trok hij van zijn ringvinger een prachtige robijn van zeldzame grootte en stak hem met een smartelijk lachje aan de hand der mooie vrouw, die snikkende haar gelaat in haar zakdoek verborg.

„Laat ons nu scheiden, mevrouw Hundley, leef wel!” kwam na een korte pauze zacht van de lippen van Lord Lister.

Nog eens kuste hij haar hand, en begeleidde haar naar de deur van zijn werkkamer.

„Ik zal u, zoo spoedig ik den schat heb opgegraven, bericht doen toekomen, zoodat gij in staat zult zijn, volgens den wensch van uw vader, het geld te besteden.”

„En zullen wij elkaar nog eens weerzien?”

„Ik weet het niet,” gaf Raffles toonloos ten antwoord, toen wendde hij zijn gezicht af, en stiet uit:

„Kwel ons beiden toch niet zoo, mevrouw, en laat alles aan de toekomst over.…”

Nog een laatsten, smartelijken blik wierp de jonge vrouw op haar edelen redder, toen verliet zij, als een treurende, het huis.

Lord Lister bleef nog een uur alleen en liet toen door zijn kamerdienaar Charly Brand roepen.

De jonge man keek zijn vriend met een onderzoekenden blik aan.

„Je ziet bleek, wil je niet wat rusten?” vroeg hij bezorgd.

„Ik denk dat in plaats van rusten, werken een weldaad voor mij zal zijn. Ik heb de laatste dagen heelemaal vergeten, welk groot werk ik mij voorgenomen had in New-York af te doen.

Deze Hundley heeft mij heelemaal van mijn voornemen afgebracht. Armoede en rijkdom zijn hier veel grooter dan waar ook in de wereld. Daar zal en moet de rijkdom voor de armoede zorgen.

„Ik ben vandaag op een soirée bij den spoorwegkoning Meyer geïnviteerd.

Zooals mij uit de boeken van de verzekeringsmaatschappij bleek, is deze man voor een bedrag van tien millioen dollar tegen inbraak verzekerd. Hij is de laatste in de rij der millionnairs, die ik mijn bezoek toegedacht heb.

„Dan is mijn plan, dat ik hier uitwerken wil, rijp.”

„Wil je mij niet beter inlichten? Ik kon tot heden nog niet wijs worden uit je merkwaardig doen en laten en welk doel je met deze grappige inbraken beoogt. Je verricht een reuzenwerk en neemt geen cent van de millionnairs. Zooals gezegd, je handelwijze is raadselachtig.”

„Absoluut niet, mijn jongen; ik heb voor een bepaald doel, namelijk, om arme menschen te helpen, jaarlijks een bepaalde som noodig. Een som die niet hoog genoeg kan zijn. De Amerikaansche multimillionnairs moeten mij die betalen.”

Charly Brand rookte nadenkend zijn sigaret.

„Ik begrijp daarom toch niet, wat je van plan zijt te doen. Hoe wil je hen daartoe dwingen?”

Raffles lachte vroolijk en klopte Charly Brand op den schouder:

„Door vrees en verstand. Maar het is heel goed dat je niet alles begrijpt, oude jongen.” [25]