[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

RAFFLES BEREIKT ZIJN DOEL.

Een schitterend gezelschap was bij den spoorwegkoning verzameld.

Ook mevrouw Hundley was aanwezig. Zij wilde de wereld bewijzen, dat zij aan de misdaad van haar man vreemd was en had zich onder de bescherming van Raffles, die ook haar tafelheer was, gesteld.

Newton was eveneens door den spoorwegkoning, onder voorwendsel van gast te zijn, geïnviteerd, hij had ook verscheidene van zijn beambten, voor dezen avond, als kellner doen vertegenwoordigen. John Raffles had opgemerkt, dat de detective dikwijls opmerkzaam naar hem keek. Dezen was de intieme vriendschap tusschen mevrouw Hundley en Raffles opgevallen. Hij veronderstelde dadelijk de mogelijkheid, dat de vermeende Edward Bird de groote Onbekende kon zijn.

Bij de inhechtenisneming van Hundley had Newton veel gehoord uit het intieme leven van den millionnair en toen ook de beschuldiging van Hundley vernomen, als zou Bird de minnaar van zijn vrouw zijn.

Daarom was het ook mogelijk, dat deze den diefstal bij Hundley gepleegd had, omdat op den dag voor de inbraak mevrouw Hundley de villa had verlaten. Het was ook mogelijk, dat zij iets van den inhoud der brandkast afwist.

De inbraak had wel het bijsmaakje van een persoonlijke wraakneming.

Onder de beambten, als bedienden verkleed, was er één, die eerst denzelfden morgen uit San Francisco was teruggekeerd.

Deze beambte was pas twee maanden bij hem werkzaam, en was voorheen in Londen aangesteld geweest.

Deze beweerde zelfs, John Raffles te kennen.

Hij heette James Green.

Toen het diner was afgeloopen, trad de assistent op zijn chef toe, en fluisterde:

„John Raffles is hier, ik heb hem herkend.”

Eenige seconden bleef Newton naar lucht happen.

Vergis je je niet, Green?” vroeg de detective met nadruk.

„Zeer zeker niet,” was het op beslisten toon gegeven antwoord.

Hun gesprek werd onderbroken door mevrouw Hundley, die aan den arm van Raffles op den detective toetrad en hem begroette:

„Ik dank u, mijnheer Newton,” zeide zij, „dat het u gelukt is, dezen ontzettenden mensch, die mij onder bedreigingen gedwongen heeft zijn vrouw te worden, in hechtenis te nemen.”

Verrast keek Newton op.

„Onder bedreigingen …?”

„Zoo is het, mijnheer.”

„Het zou mij werkelijk interesseeren, daar iets naders van te vernemen,” antwoordde de detective, terwijl zijn trekken groote spanning verrieden.

Een licht drukje op haar arm, die de groote Onbekende [26]in den zijne hield, waarschuwde haar voor verdere uitlatingen.

Hoe onmerkbaar dit ook werd uitgevoerd, Newton kreeg toch achterdocht, hetgeen nog versterkt werd, toen de mooie vrouw nu zeide:

„Ik wil liever niet over mijne privaataangelegenheden spreken.”

Den detective bleef voorloopig niets anders over dan een beleefde toestemmende beweging; toen zeide hij kort:

„Zooals gij wenscht, mevrouw Hundley.”

„Ik verzoek u mij bij mijn meisjesnaam te noemen; ik wil een misdadiger deze eer niet meer aandoen.”

„Dit kan ik u niet kwalijk nemen.”

Daarmede was het onderhoud afgeloopen. Zij wisselden nog eenige beleefde woorden en gingen toen verder.

„Gij hadt bijna iets doms gedaan,” fluisterde Raffles tot zijn begeleidster, terwijl zij verder gingen; „spreek in ’s hemelsnaam niet van de misdaad.”

Op dit oogenblik trad een jong Franschman, Henry Suchard genaamd, en die eerst sedert enkele weken in New-York als gast in de Hamiltonclub opgenomen was, op Raffles toe en liet zich aan mevrouw Hundley voorstellen.

Van verre sloeg Newton deze scène gade. Wederom voegde zijn assistent zich bij hem.

„Zijt gij geheel zeker dat Raffles onder de gasten vertoeft?” vroeg hem de chef nogmaals nadrukkelijk.

„Jawel,” antwoordde de detective beslist.

„Kunt gij hem mij aanwijzen?”

„Kijk naar den heer die daar bij een palmengroep, met een dame in een zacht rose japon, staat,” antwoordde de gevraagde en wees op den begeleider van mevrouw Hundley.

„Prachtig! mijn vermoeden heeft mij dus niet bedrogen,” jubelde de chef.

„Ik zag in hem reeds sedert een uur den langgezochten Raffles.”

„Hoe gaat het met u,” vroeg op dit oogenblik mijnheer Meyer, de gastheer.

„Heel goed,” was het antwoord, „ik meen dat uw feest een gedenkdag in de gerechtelijke wereldgeschiedenis zal worden: „Raffles is hier.”

De archi-millionnair verbleekte, hoewel hij een bijzonder krachtig man met sterke zenuwen was.

„Om Godswil,” zeide hij, „houdt het stil. Al mijn gasten zouden het huis uitvluchten.”

„Wees onbezorgd, ik zal mijn maatregelen nemen, en ook de gevangenneming zal zonder opzien geschieden.”

„Ik smeek er u om.”

Hij verliet den heer Newton, die zich weder tot zijn detective wendde:

„Geef onze politieposten kennis en ga zoodanig in de voorhal staan dat gij Raffles, wanneer hij in den wagen stappen wil, kunt pakken.”

„Ik zal hem in ’t oog houden.”

„Tegelijkertijd telephoneert gij naar onze bureaux en laat dertig beambten hierheen komen en het huis omsingelen. De groote Onbekende mag in geen geval ontsnappen. Dit moet een meesterstuk worden.”

Met het onverschilligste gezicht namen zij afscheid van elkaar en toen begaf mijnheer Newton zich, nadat hij verschillende heeren en dames gesproken had, nogmaals naar den heer Bird en mevrouw Hundley.

Na eenige onverschillige woorden vroeg de detective den cavalier der mooie vrouw:

„Mag ik vragen, zijt gij van plan altijd in New-York te blijven?”

„Ik weet het nog niet,” antwoordde Raffles; „de lust tot reizen zit mij in ’t bloed. Ik houd er van, bij afwisseling, dan hier, dan daar te zijn, maar New-York trekt mij het meest van alle steden der wereld aan.”

„Dat verwondert mij, mijnheer Bird.”

John Raffles keek Newton scherp aan.

„In hoeverre?”

„Omdat gij geen koopman zijt.”

„Maar ik ben van plan, mij in New-York veel met zaken bezig te houden.”

„New-York is een gevaarlijk terrein.”

„Hoe gevaarlijker, hoe liever,” lachte Raffles.

„Nu, nu,” weerde de detective af, „men kan zich in de vingers snijden.”

„Behalve, wanneer men ze goed beschermt voor men ze aan het vuur bloot stelt. Voor alles bestaan voorzorgsmaatregelen.”

„Maar niet tegen boosdoeners,” wierp mevrouw Hundley er tusschen.

De tegenstanders wisselden een scherpen blik.

Toen lachte John Raffles geheel onbevangen, terwijl over het gezicht van Newton een uitdrukking van ergernis trok.

„Het zou toch mogelijk kunnen zijn dat gij u vergist,” zeide hij langzaam.

„Ik meen het middel te kennen, om zich voor misdadigers [27]te behoeden: men neemt ze in hechtenis.”

„Als men ze heeft.” Raffles lachte rustig bij deze opmerking.

Weder wisselden de beide mannen een blik zooals kampvechters voor het begin van den strijd.

Zooveel stond voor beiden vast: Zij schatten de kracht van hun tegenstander. Hier ontmoetten twee vastberaden mannen elkaar.

Eenige gasten begonnen intusschen op te breken, hoewel juist op dit oogenblik een beroemde zangeres van de New-Yorker opera in de muziekzaal een aria zong.

„Laat ons de muzikale uitvoering eens gaan hooren,” zeide mevrouw Hundley tot Raffles en zonder op den detective acht te slaan, nam zij zijn arm en ging in de muziekzaal.

Newton bleef alleen achter. Hij vreesde, dat hij al te zeer in de kijker zou loopen als hij den verdachte zóó op de hielen zat.

Voor een inhechtenisneming was het nog te vroeg, eerst moest hij al zijn helpers bij elkaar hebben en wilde ook op verzoek van den spoorwegkoning zoo min mogelijk opzien baren.

En dan, het was nu toch onmogelijk, dat Raffles ongemerkt het huis verlaten zou.

Mevrouw Hundley had zich intusschen zoo ver met haar begeleider van den heer Newton verwijderd, dat deze niet in staat was hun gesprek te hooren. Zij begon nu:

„Als ik mij niet vergis, dan heeft de detective u herkend. Denk er eens over na, hoe gij het gemakkelijkst ontkomen kunt.”

Raffles lachte vroolijk.

„De diva in den muzieksalon interesseert mij meer dan Newton en al zijn detectives.”

De dame zag met angstige blikken naar hem op. Maar in het gevoel van vrees mengde zich ook een van bewondering, hoe hij zonder met de oogen te knippen het gevaar voor zich zag. Toen de zang had opgehouden maakten alle gasten zich gereed te vertrekken.

„Ga nu, wat ik u bidden mag, alleen naar de vestibule, mevrouw Hundley,” fluisterde Raffles tot zijn dame, „en bemoei u verder niet met mij. Ik moet mijn weg nu alleen vinden.”

Zij begreep hem, drukte zijn hand, keek hem eenige seconden innig aan en zeide zachtjes:

„God behoede u!”

Zij zag nog, hoe hij in het gewoel van de menigte verdween, toen ging zij naar de vestibule om naar huis te rijden.

De heer Suchard was haar behulpzaam, hing den mantel om haar mooie schouders en geleidde haar naar het rijtuig.

Hij bemerkte niet, dat de als lakei verkleede James Green hem opvallend op de hielen zat.

„Roep mijn rijtuig,” beval hij.

De verkleede detective zette een klein zilveren fluitje aan den mond en liet drie merkwaardige, kort afgebroken klanken hooren.

Dit was het teeken voor het rijtuig, dat hij besteld had, om den aangehouden Raffles in begeleiding van detectives naar het bureau te brengen.

Suchard lette er niet op, dat op het oogenblik, dat het fluitsignaal weerklonk, een aantal met stokken gewapende heeren zich om hem heen plaatsten. Het rijtuig kwam en James Green opende het portier.

„Halt! Raffles, gij zijt onze gevangene.” Met deze woorden grepen de detectives den grooten Onbekende, die de beambten van het Newton-bureau in den heer Suchard meenden voor zich te zien. (Zie de titelplaat.)

De aangegrepene was sprakeloos van verbazing, hij wilde protesteeren, maar kwam er niet toe, want in het volgende moment zat hij tusschen vier detectives in het rijtuig.

Newton, die terzelfder tijd, dat de aanhouding van Suchard plaats had, aan de achterzijde van het huis zijn beambten inlichtte, kwam juist op het oogenblik aan, dat het rijtuig met den aangehoudene en de vier detectives afreed.

Dadelijk gaf hij allen last te volgen en volgde zelf in een ander rijtuig.

Hoe verbaasd was hij echter, toen hem in plaats van Raffles, een hem volslagen onbekende werd gebracht.

„Dit moet Raffles zijn?” vroeg hij den detective die de aanhouding geregeld had.

„Jawel, dat is Raffles,” antwoordde James Green. „Hij houdt wel vol een Franschman met name Suchard te zijn, maar ik ken hem door mijn bezigheden in Londen heel nauwkeurig. Het is Raffles en niet Suchard uit Parijs.”

Newton wist hierop niets te antwoorden.

„Ik zal mij bij mijn gezant beklagen, gij zijt allemaal gek!” riep de aangehoudene; „ik ben een eerlijke man en door geen politiebureau ter wereld gezocht.”

De eigenaar van het detectivebureau maakte hieraan echter een einde, met de woorden: [28]

„Voer den gevangene weg en stel het hoofdbureau van politie van New-York hiervan in kennis.”

De detectives brachten den aangehoudene in een cel, waaruit ontvluchten onmogelijk was.

„Ik heb mij vreeselijk vergist”, zeide Newton tot inspecteur Harkel, „ik heb een heel ander spoor gevolgd; ik zou den zoogenaamden clubkoning, een lid van de Hamilton club, een zekeren mijnheer Bird, die hier in het Centraal park een villa bezit, en de intieme vriend van mevrouw Hundley is, gevangen genomen hebben.”

„Werkelijk een geluk, dat dit niet het geval is geweest,” antwoordde de inspecteur, „het zou een groot schandaal gegeven hebben.”

„Dat is zoo! Ik hoop nu maar, dat James Green geen bok geschoten heeft.”

„Dat is onmogelijk,” sprak de andere tegen, „want Green is eerst sedert vier weken in Amerika en was, zooals gij zelf weet, tot zijn aankomst in New-York in dienst van Scotland Yard in Londen. Hij moet dus Raffles precies kennen.”


Gedurende dit gesprek bevond zich Raffles in de werkkamer van den spoorwegkoning, waar hij zich onder den divan verborgen hield.

Hij moest wachten, tot het personeel zich te ruste had begeven.

Bijna twee uren moest hij in deze ongemakkelijke houding vertoeven. Toen stond hij op, gleed geluidloos als een schaduw in de slaapkamer van den spoorwegkoning, verdoofde hem op de gewone manier met chloroform en nam den sleutel van de brandkast, die in de werkkamer stond, van het nachtkastje weg.

Het was nu gemakkelijk voor hem de geldkast te openen.

Langen tijd doorzocht hij de documenten en vond eindelijk dat, wat hem interesseerde: een geheime overeenkomst, over een trustverbintenis tusschen den spoorwegkoning en een kolensyndicaat, dat tegen de wetten van de Vereenigde Staten was.

Nu legde hij, als bij de vroegere inbraken, de in de brandkast bewaarde papieren uit de kast op de schrijftafel en verliet de werkkamer.

Hij was, wat de bedienden bij zijn aankomst niet bemerkt hadden, zonder pelsjas uit zijn auto in huis gekomen, daardoor hadden zij, bij het heengaan der gasten, niet bemerkt dat zich nog iemand in huis moest bevinden, want alle jassen en pelzen hadden hun bezitter gevonden. John Raffles zette nu den kraag van zijn rok op. Nu haalde hij uit zijn achterzak een fijngewerkte zijden jas te voorschijn, eveneens een dun zijden mutsje, zooals de sportlui wel dragen.

De sweater trok hij over zijn frak aan, zóó dat dit kleedingstuk geheel was bedekt en het zijden mutsje zette hij op, daarna sloop hij naar het sousterrain der villa.

Hij klom door een geopend venster naar binnen en een half uurtje later zat hij tegenover zijn vriend Charly in zijn studeerkamer.

Reeds in de morgenbladen kon men de opzienbarende berichten van de inhechtenisneming van den lang gezochten John Raffles vinden.

Stamford, de directeur van de Verzekeringsmaatschappij, was overgelukkig.

Hij ging naar de telephoon, belde Newton op en wenschte hem geluk met dit groote succes.

Nauwelijks echter had hij de gehoorbuis neergelegd, toen een besteller hem een brief bracht.

Hij vertrouwde zijn oogen niet, toen hij las:

„Zeer geachte Heer!

Ik heb mij veroorloofd, dezen nacht bij den spoorwegkoning een document weg te nemen, dat voor hem van meer waarde is dan uwe verzekeringspolis. Daar ik nu uit uwe kantoorboeken weet, dat de spoorwegkoning voor tien millioen dollar bij u verzekerd is, zoo verzoek ik u, volgens onze laatste zaakverbindingen, mij voor vijf millioen dollar op mijn rekening te schrijven, die ik tegen overgave van het document van u verlang.

Tegelijkertijd verzoek ik u, den heer Meyer ervan in kennis te stellen, dat ik mij dit document heb toegeëigend, en daarvan door een notaris alhier een nauwkeurig afschrift zal laten nemen dat ik, tot mijn eigen veiligheid, gedurende mijn oponthoud in Amerika zal bewaren.

Wil ook de goedheid hebben, er den heer Newton opmerkzaam op te maken, dat ik dit document bezit en dat hij mij op het oogenblik dat hij mij de eer van een bezoek zou waardig keuren, zou dwingen dit schriftstuk aan den president uit te leveren.

Hoogachtend,
JOHN C. RAFFLES.

N.B. Zoudt gij, wat mogelijk is, geen vijf millioen dollar bezitten, zoo wilt gij de chèque wel door den heer Meyer laten uitschrijven”.

[29]

Wanneer een bliksemstraal vóór Stamford in de aarde was gedrongen, had dit geen grootere uitwerking kunnen hebben. Raffles zou gevangen genomen zijn, en hier hield hij een brief van hem in de hand. Hij behoefde niet lang over dit raadsel na te denken. Opnieuw belde de telephoon.

„Hallo, wie daar?”

„Hier Meyer! Kom dadelijk bij mij, ik ben bestolen!”

„Ik zal komen! Ik weet het reeds!”

Hij legde den hoorn neer en wilde weg gaan. Daar belde het opnieuw.

„Hallo, wie daar?”

„Hier Newton, kom dadelijk bij mij, de duivel is losgebroken. Wij hebben den verkeerde gepakt, want ik heb een brief van Raffles ontvangen.”

„Ik weet het al. Ik ga eerst naar den heer Meyer en kom dan naar u toe; of beter nog, kom naar den spoorwegkoning, dan kunnen wij elkaar daar treffen.”

Hij was reeds aan de deur en wilde zich naar den heer Meyer begeven, toen hij nogmaals opgebeld werd.

„Hier Rockefeller, wie daar?”

„Hier Stamford, wat is er?”

„De duivel hale u en onze politie.

Ik ontvang daar juist dezen brief:

Waarde Heer!

Ik gaf mij de eer, de vorige week bij u in te breken, en niets weg te nemen. Ik geef u de verzekering, dat het mij niet veel moeite zou kosten, dit bezoek te herhalen.

Ik zal dit echter niet doen, wanneer gij belooft, ieder jaar op een bepaalden dag, tien duizend dollar aan de armen van New-York te geven.

Openbaar uwe weldadigheid in de New-Yorker couranten, en tegelijk ook den datum waarop de uitbetaling zal volgen.

Mocht gij op mijn voorstel niet ingaan dan zal de verzekeringsmaatschappij bij welke gij tegen inbraak en diefstal verzekerd zijt, niet in staat zijn, u de schade te vergoeden die ik u door de uitoefening van mijn sport, zal doen lijden.”

„Maar dat is toch werkelijk ongehoord” schreeuwde Stamford.

„Jawel, ongehoord, maar wat moet men doen? Wilt gij mij een verzekeringspolis voor vijftig millioen dollar uitreiken?”

„Onmogelijk”.

Het telephoongesprek werd afgebroken, weer wilde mijnheer Stamford naar de deur snellen om den heer Meyer te bezoeken, maar ook nu kwam hij de kamer niet uit want alweer tingelde de telephoon.

Hij had nauwelijks den moed de gehoorbuis weer aan het oor te houden. Weder maakte zich één der bij hem verzekerden bekend, en begon hem mededeeling te doen van den inhoud van een brief van denzelfden inhoud als die aan Rockefeller.

Dikke zweetdroppels parelden den directeur van de verzekeringsmaatschappij op het voorhoofd.

Hij zag in, dat hij tegenover Raffles machteloos was.

En ononderbroken luidde het belletje van de telephoon, zoodat hij niet bij Meyer kwam.

De millionnairs van New-York waren zenuwachtig geworden. Stamford had het gevoel, alsof men in een mierenhoop geroerd had en de beesten nu over hem heenliepen.

John Raffles had aan al de millionnairs, die door hem bezocht waren, geschreven. Aan allen, waar hij ingebroken had, zonder iets weg te nemen.

De millionnairs kwamen tot de overtuiging, dat geen verzekeringsmaatschappij der wereld in staat zou zijn, hun de schade te vergoeden, die de groote Onbekende in staat was hen te doen lijden. Eerst laat ’s avonds kwamen Newton en Stamford bij den heer Meyer.

Den volgenden morgen stonden in de New-Yorker dagbladen verscheidene gelijkluidende advertenties.

De millionnairs van Amerika schenen plotseling door een weldadigheidskoorts te zijn aangetast.

Allen verklaarden in groote, vet gedrukte advertenties, dat zij den armen van New-York ieder jaar een bepaalde, groote som wilden uitbetalen.

De pers meende eerst, dat de millionnairs gek waren geworden, maar daarna werden zij, bij toeval, gewaar, wie de werkelijke oorzaak van deze weldadigheidsmanie was en daardoor ook het doel van de zoogenaamde inbraken, waarbij niets gestolen werd.

Wekenlang sprak men in New-York van niets anders dan van John C. Raffles’ meesterstuk om in te breken en niets te stelen.

De groote Onbekende echter was met zijn vriend Charly Brand afgereisd, en Newton waagde het niet, den heer Bird, van wien hij wist, dat hij eigenlijk de zoo lang gezochte Raffles was, te vervolgen.

Lord Lister had zich met zijn vriend en secretaris naar het Zuiden begeven, om daar den begraven schat van den heer Symonds op te graven, wat hem ook gelukte [30]en de dochter van den generaal werd later aan de zijde van een braaf, welgesteld man zeer gelukkig.

Vier weken later was de eerste betaaldag namens den millionnair Rockefeller aan de armen van New-York.

Wanneer een vreemdeling toentertijd voor de eerste maal naar New-York was gekomen, dan zou hij gemeend hebben, dat de geheele stad zich in een waanzinnige vreugderoes bevond.

De kinderen staken, evenals op den dag der bevrijding, vuurwerk af, en droegen vaandels rond, waarop in gouden letters gedrukt stond:

Drie hoera’s voor John C. Raffles!

[Inhoud]

Het volgende deel (No. 29) is getiteld:

HET INDISCHE RAADSEL. [31]

[Inhoud]

HET MISDADIGERSKWARTIER VAN NEW-YORK.

Naverteld door G. M.,
redacteur van de Evening-Post te New-York.

Zeer nauw verbonden met de Italiaansche wijk in New-York is daar de zoogenaamde China-town in de Bowery.

Er bestaat wellicht geen tweede plaats ter wereld, waar zooveel gevaarlijke en griezelige inbrekersspelonken, moordenaarsholen en dievenkelders zijn aaneengerijd als in deze geheele stadswijk.

Stel u voor een huizencomplex, doorsneden door nauwe, bochtige, hoekige straten en bebouwd met woningen van vijf, zes of meer verdiepingen.

Het heele stadsgedeelte is bijna één aaneengegroeide massa.

De muren der huizen zijn doorgebroken en vol geheime verbindingsdeuren, de straten zijn ondermijnd en houten galerijen overwelven de ontelbare binnenplaatsen.

Het geheel is als een groot net, een labyrinth, dat niet te ontwarren is.

Nooit, zoolang als deze reusachtige schuilhoek der Italiaansche misdadigers bestaat, was de Amerikaansche politie er in doorgedrongen vóór het optreden van Petrosino.

De toegang tot het district wordt verleend door een Italiaansch danslokaal, waarin iederen avond langstaartige Chineezen en deernen van de allerergste soort de vreeselijkste zwelgpartijen vieren.

China-town was een der plekken, waar Petrosino het liefst arbeidde.

Hij kende de omgeving beter dan de bewoners der buurt.

Op mijn vriendelijk verzoek nam hij mij en Rudolf Christians, een bekend tooneelspeler van den koninklijken schouwburg en de lieveling uit de Berlijnsche residentie, mede op nachtelijken strooptocht door het beruchte en levensgevaarlijke misdadigerskwartier.

Eerst enkele dagen geleden was daar door Italianen een vreeselijk misdrijf gepleegd, een misdaad, zóó afschuwelijk, dat iemand de haren te berge rezen alleen reeds bij het lezen van dit beestachtig bedrijf.

De kapitein van een Engelsch koopvaardijschip was door een blanke Chineesche vrouw in het misdadigerskwartier gelokt.

Daar was de man door een paar wijven dronken gevoerd. Toen dit was geschied, bedwelmde men hem met een bekend Chineesch verdoovingsmiddel en toen was hij naar een onderaardsche gang gesleept.

Daar had men hem zijn zware beurs, zijn kostbaar horloge en zijn ringen afgenomen.

Toen had men den ongelukkige van alle kleeren ontdaan en daarna een dier afschuwwekkende misdrijven op hem gepleegd, waartoe alleen maar Italianen in staat zijn.

Met hoefspijkers hadden de beesten den ongelukkigen man, die in de zwaarste verdooving daar nederlag, zijn handen en voeten vastgespijkerd op den vloer.

En toen had men nog een schrikwekkend, onbeschrijflijk schandaal op hem begaan, waarvan gelukkig slechts zelden of nooit wordt gehoord.

Na een verdooving van meer dan vier-en-twintig uren ontwaakte de rampzalige man uit zijn bewusteloosheid en ontdekte toen den ontzettenden toestand, waarin hij zich bevond.

Met de kracht der vertwijfeling rukte hij zich onder de vreeselijkste pijnen van de spijkers los en, als een [32]waanzinnige, overstroomd door bloed, vloog hij de straat op.

Totaal krankzinnig geworden, moest men hem naar een hospitaal overbrengen.— — — — — — — — —

Opiumkitten van de allerergste soort; werkplaatsen waar valsch geld wordt gemaakt, onderaardsche putten, waarin de misdadigers hun ongelukkige, wanhopige slachtoffers voor goed laten verdwijnen, bevinden zich in de beruchte China-town.

De werkelijkheid, de naakte, droeve, vreeselijke werkelijkheid hier herinnert aan de ongebreidelde fantasie van de vervaardigers der bloederige schandaalverhalen.

En toch is alles, wat ik hier mededeel, niets dan de nuchtere waarheid.

Zelfs de kracht, het vernuft van een Petrosino stond machteloos tegenover deze inbrekersholen.

Met zijn electrische zaklantaarn in de linker, een revolver in de rechtervuist, liep hij voor ons uit door de eindelooze stille gangen.

Onze rij werd gesloten door een der dapperste, kranigste mannen, die onder Petrosino werkten en die, evenals hij, een electrische lantaarn en een gespannen revolver in de handen droeg.

Wij hielden onzen adem in, want Petrosino had ons gewaarschuwd, geen enkele schrede ons van hem te verwijderen.

Voorzichtig rondtastend, als liep hij over onzeker ijs, schreed hij voorwaarts.

Af en toe, als reusachtig groote nachtvlinders, schoven ons Chineezen voorbij, geluidloos voortsluipend op hun vilten schoenen en in het schijnsel der electrische zaklantaarns flikkerde het ons duivelsch tegen uit die scheefstaande oogen.

Spookachtig grijnsden ons die uitgemergelde gelaatstrekken der Mongolen aan.

Af en toe klonk een schel krijschen op.

Dat was het gillende lachen of zingen der blanke Chineesche vrouwen, die vertoefden in de woningen, aan weerszijden der gang gelegen.

Een zoetige lucht van opium, de slechte reuk van Italiaansche koeken—en dan plotseling in het donker een scherpe lichtstraal—Petrosino stoot een deur open en wij treden een groot restaurant binnen, met overdadige weelde gestoffeerd.

In de ruimte zitten, rookend en spelend, Chineezen en Italianen aan tafeltjes.

Blanke Chineesche vrouwen bedienen de gasten.

Ons troffen vijandige blikken van alle kanten.

Haat en woede teekende zich af op de meeste gelaatstrekken, toen de in de zaal aanwezige gasten Petrosino bemerkten.

Hij van zijn kant echter had niets dan een lachje vol minachting over voor zijn omgeving.

Hij kent ze alle, stuk voor stuk.

Geen enkele der hier aanwezige galgenvogels, die niet reeds overrijp was voor den electrischen stoel.

Maar hier in China-town heerschte eeuwige wapenstilstand tusschen Petrosino, zijn detectives en de Italiaansche misdadigers.

Hier was inderdaad een inhechtenisneming uitgesloten.

En van alle politie-mannen durfde ook slechts Petrosino het te wagen, deze plaats te betreden.

Misschien was het wel de openlijke verachting voor alle gevaar, door hem zoo duidelijk aan den dag gelegd, die de knapen ervan weerhield, hun wraak op hem te koelen.

In dien nacht, toen Christians en ik hem vergezelden, verzocht ik Petrosino, dat hij mij iets van zijn levensherinneringen zou vertellen.

Hij beloofde het.

Misschien kan ik in een volgenden keer een en ander mededeelen van de wederwaardigheden van dezen hoogst belangwekkenden man. [33]