[Inhoud]
De wedrennen van York

De wedrennen van York

EERSTE HOOFDSTUK.

Op reis naar York.

Lord Lister, alias John C. Raffles, zat met het ochtendblad van een der vele Engelsche couranten die vóór hem lagen, in zijn ontbijtkamer geduldig te wachten, zonder dat hij een blik wierp op de kolommen druks die hij in zijn handen hield.

Af en toe keek hij het mooie park in; een park in een der prachtigste buitenwijken van Londen, waar zijn luxe villa stond, en ademde met volle teugen het frissche morgenwindje in, dat door de geopende ramen naar binnen stroomde.

De bloemen geurden met een bedwelmenden reuk, en ’t was alsof aan iederen stengel een diamanten druppel bengelde, zóó schitterde de dauw in het zonnelicht.

’t Was een heerlijke Meimorgen.

Lord Lister keek op zijn horloge en mompelde:—„Waar blijft Charly nu toch in ’s hemelsnaam?”

Toen drukte hij op een electrische schel, waarop, even daarna, James, de oude getrouwe huisknecht, binnenkwam.

Zwijgend boog hij voor zijn heer en meester.

—Waar blijft master Brand, James?

—Master Brand zal zoo aanstonds verschijnen, Lord.

—Vraag hem spoed te maken.

—Zeer goed, Lord.

Geheimzinnig, zonder eenig gedruisch te maken, vertrok James om Mr. Charly Brand, secretaris en vriend van Lord Lister, te waarschuwen dat deze met het ontbijt op hem zat te wachten.

Even later trad Charly de kamer binnen en vroeg met eenige verbazing in zijn stem, nog vóór dat hij „goeden morgen” had gezegd:

—Wacht gij op mij, Edward?

—Goeden morgen, mijn jongen—antwoordde Raffles.

—Nu ja, goeden morgen,—kibbelde Charly tegen.—Wat overkomt mij dat mijn heer en meester op mij wacht? Anders zijt gij—vervolgde hij in gewonen toon—om dezen tijd reeds lang in het park.

—Niet zoo sarcastisch, mijn waarde. Hedenmorgen wilde ik juist op je wachten.

—Maar waarom dan? [2]

—Omdat gij geld moet halen van de bank.….. Wij gaan heden op reis.

—Op reis?!?… En wij zijn pas thuis. Gisteravond laat gearriveerd. Eén nacht thuis geslapen … Me dunkt wij mogen nu toch wel eenige vacantie nemen!

—Later, mijn jongen. Nu niet. Ik wil op reis en je onmisbare hulp moet ik meenemen.

—Waarheen?

—Naar York!

—Naar York?… Wat moet je in dat gat uitvoeren?

—Den hoeveelsten hebben wij vandaag?

—Wat heeft dat er mee te maken?—vroeg Charly, die, hoewel hij meer dan anderen Lord Lister’s manier van doen kende, thans toch wel wat al te zeer verbaasd was.

—Beste jongen, je gedachten werken nog lang niet vlug genoeg. Ik spreek van York en vraag je bovendien den hoeveelsten hebben wij vandaag. Me dunkt dat is nogal duidelijk.

Even was er stilte.

Charly keek Lord Lister vragend aan.

—Als men van York spreekt, waaraan denkt men dan?

—Aan de wedrennen.

—Juist. En die worden gehouden?

—Gewoonlijk van 15 tot 18 Mei.

—En vandaag is het?.…..

—De veertiende!

—Accoord! Nu zijn wij er.

—Maar wat moet ge er dan gaan doen?… Wij die geen paarden bezitten om te rennen … die nooit wedden … die eigenlijk geen belang stellen in de hippische sport … gaan nu ineens naar York. Dát verbaast mij.

—Herinnert gij je, Charly, wat verleden jaar bij dat vermaledijde gezwendel gebeurde?

—Neen!…

—Gij hebt het zelf in ons archief gebracht. Ziehier en lees!

Meteen gaf Lord Lister aan Charly een courant met de woorden: „het roodomstreepte binnenin moet ge lezen”.

Charly Brand greep de courant gretig aan en las:

De reuzenzwendel te York.

Reeds meermalen is er door particulieren, zoo ook in onze wetgevende lichamen gewezen op den reuzenzwendel die gewoonlijk plaats vindt bij de jaarlijksche wedrennen te York, zonder dat men evenwel vermocht in te grijpen, om een einde te maken aan weddenschappen, die menigeen te gronde hebben gebracht.

Wat toch is het geval?

Het is thans gebleken, dat een geheime club van oplichters, of hoe men die personen gelieft te noemen, de weddenschappen met zorg hebben voorbereid en er een trust van hebben gemaakt, waardoor het mogelijk is dat alle sommen op een bepaald paard ingezet, vallen in handen van één lid der weddersclub. Natuurlijk moeten de kerels in contact staan met de jockey’s, die waarschijnlijk in de winst mogen deelen.

Bijvoorbeeld.

Er zijn twee paarden op de baan, van wie vermoed wordt dat zij om de eindbeslissing zullen moeten kampen. (Ter verduidelijking noemen wij de paarden A en B. Red.)

De club der wedders heeft zijn agenten, die schreeuwend vertellen dat zij willen wedden.

Honderden menschen—wedden is immers onze volksaard—loopen op de kerels toe en zetten op A een bedrag. Tien tegen één. Goed, de weddenschap gaat aan. De strijd begint. B is één lengte vóór. Dan roept men den wedders toe dat de mogelijkheid bestaat om te „wisselen”. Dat wil zeggen dat men de weddenschap op B kan zetten, tegen een klein verlies. Dit gebeurt meestal. Dan—B heeft inmiddels nog steeds „de baan gehouden”—begint A „op te halen”. Al meer en meer verliest B baan, totdat A geheel vóór is en vrij gemakkelijk als winner uit den eindwedstrijd te voorschijn komt.

Nu is dit al eenige jaren voorgekomen. Ook gisteren bij den eindwedstrijd. Duizenden menschen, die bij de tweede ronde „wisselden”, moesten bedragen betalen, véél hooger dan hun [3]mogelijk was, en werden dupe van onmeedoogende menschen.

De twee jockey’s werden na afloop der wedstrijden onmiddellijk in hechtenis genomen, doch moesten na verhoor op vrije voeten gesteld worden, omdat de politie geen zekerheid kon krijgen wat de oorzaak was, dat het eerst winnende paard B verloor.

Het vermoeden werd geopperd dat John C. Raffles hierin de hand heeft. Toen de politie van York haar rapporten zond aan Mr. Baxter, hoofd van het Bureau Scotland Yard, opperde deze dadelijk dit vermoeden en sprak deze den wensch uit, dat er volgend jaar nog geen wet zou bestaan op deze weddenschappen. Mr. Baxter leeft in de hoop, dat hij dan „den grooten onbekende” eindelijk eens vangen zal.

Wij voor ons vermoeden niet dat Raffles hier aanwezig was, omdat, zoolang als wij kennis dragen van de euveldaden van dezen „gentleman-boef”, hij nooit zich vergreep aan de gelden der kleine luyden.

Charly legde de courant neer en keek zijn vriend opnieuw vragend aan.

Deze zat blijkbaar in gedachten verdiept en staarde de blauwe rookkringetjes na die uit zijn pijp, welke hij steeds na het ontbijt rookte, naar boven stegen.

Zwijgend wees Lord Lister even daarna naar een andere courant.

Charly Brand nam ook deze op en, na onder de rubriek sport gezocht te hebben, las hij het volgende:

De aanstaande wedrennen.

Morgen wordt te York de inschrijving geopend van paarden en jockey’s, welke deel wenschen te nemen aan de jaarlijksche wedrennen.

Men verwacht nog meer belangstelling dan andere jaren, omdat de Londensche politie zich in verbinding heeft gesteld met de autoriteiten te York en uitgebreide maatregelen neemt met het oog op de weddenschappen.

Lord Lister was opgestaan en toen hij bemerkte dat Charly gereed met lezen was, zeide hij:

—Natuurlijk moeten wij dien Baxter weer opnieuw een lesje geven. Als er werkelijk zulk een zwendel is, dan ga ik er ook naar toe met de vaste begeerte en besliste zekerheid een einde te maken aan al dat gedoe, dat mij vreemd is.

—Wat kan het je schelen?

—Veel.

—Och, de wereld wil immers zoo. Iedereen doet toch alles om zich ten koste van anderen te verrijken. Soms zelfs onder den schijn van philantropie of iets dergelijks. Waar bemoei je je mee. Ga op reis. Trek er uit. Laat den boel voor wat ze is en … geniet.

—Charly! Charly! Wat sla je door! Zeker, ik denk ook wel eens: waarom leef ik niet als een gewoon man? Maar, beste jongen, ik geloof dat ik gauw dood zou gaan. Emotie moet ik hebben. Als iedere zenuw gespannen is, dan leef ik pas. Soms spijt het mij dat ik geen club heb opgericht. Een club die alle beroerde dingen bestreed, die opkwam voor de door het leven of de omstandigheden getrapten, die altijd zóó blijven als een slaaf … Ach, wat jij … jij hebt er vanmorgen uitstekend slag van om mij te stemmen tot tegenweer—vervolgde Raffles.—Wij zullen dit gesprek staken en onmiddellijk maatregelen nemen.

—Welke?—vroeg Charly nu, die begreep dat Raffles niet van zijn plannen af te brengen was.

—Zooveel mogelijk moet er bekend gemaakt worden, dat de Arabier Ben Amis met zijn hengst Aldabaran de wedstrijden zal meemaken.

Vragend zag Charly Brand naar Lord Lister. Hij begreep er niet veel van. Raffles zag dit en zeide:

—Mijn beste Charly, het blijkt mij dat gij slecht van geheugen zijt. Heb ik niet—zoo vervolgde hij in eenen adem door—direct na die bekendmaking, verleden jaar, gezorgd dat ik een edel rijdier kocht? Oefende ik mij niet? Is alles niet gereed voor de wedrennen?

—En gij verkocht den hengst?

—Ha! Ha!…—lachte Raffles,—ja, in schijn. Inderdaad staat hij thans te York op mij te wachten.

—Wie moet het dier berijden? [4]

—Ik zelf.

—Ge breekt den nek.

—Misschien! Dan zijt gij meteen verlost van een lastig heer, Baxter van zijn nachtmerrie en de wereld van een onbekenden misdadiger, die er nu eenmaal behagen in schept met alles wat zoogenaamd recht en wet is, van ganscher harte te spotten.

—Jij verweet mij dat ik in een kwade stemming was, doch vermeen te mogen opmerken dat ook gij niet ver van pessimisme zijt.

—Dank je wel voor je gratis advies, Charly! Me dunkt, ge kunt nu wel even een chèque in klinkende munt omzetten, niet?

Charly begreep dat hij gaan moest, wilde hij zijn heer en vriend niet al te zeer in een „booze bui” brengen.

Hij stond op en ging heen, terwijl Lord Lister achter bleef, droomend voor zich uit starend in de blauwe lucht, die boven hem zich uitspande als een hemelsch schoon tapijt.

Enkele minuten verliepen er.

Toen stond Raffles op. Een zachte glimlach speelde hem om de lippen, terwijl hij mompelde: „Wat kunnen mij eigenlijk de menschen schelen? Hoofdzaak is dat ik gelukkig ben. Goddank behoef ik nooit te vragen om hulp of iets dergelijks. Als ik dood ga laat ik de wereld een naam na, of die goed of kwaad is, wat kan mij het schelen? Misschien noemen ze het krankzinnig … maar ik heb geleefd!…

Met deze woorden trad hij een soort van kleedkamer binnen.

Een acteur die zich voor een bepaalde rol schminken moest, had hier alle middelen gevonden welke noodig waren zichzelf te veranderen in den een of anderen persoon, welke noodig was in en bij het tooneelspel.

Raffles zette zich neder voor een kaptafel en nadat hij zich ontdaan had van jas en vest, begon hij zich langzaam en met zorg te schminken.

Zoodra hij daarmede gereed was, kleedde hij zich in een Arabisch kleed, dat slechts een zeer klein onderdeel vormde van de uitgebreide collectie kleedingstukken in die kamer aanwezig.

Een uur later, toen Charly terugkwam, zat Ben Amis in een salon te wachten.

—Indien ik niet wist dat gij het waart, Edward, dan zou ik waarachtig denken dat een Arabier hier zat.

—Van dit oogenblik af ben ik dat ook. Hebt ge alles gereed?

—De koffers moet ik nog pakken.

—Vlug dan. Vergeet vooral de uniform van politie-inspecteur niet.

—Binnen een half uur is alles gereed.

—Zorg er voor dat gij ook een Arabier zijt.

—Ik?

—Maakt gij al weer bezwaar?

—Neen!… Maar … ik …

—Ga maar mede. Ik zal je wel even helpen.

—   —   —   —   —   —   —   —   —   —

Twee en een half uur later liepen twee Arabieren op het West-End-station te wachten op den trein die naar York ging.

—Zou Baxter er al zijn?—vroeg Charly, die den naam droeg van Saraj.

—Misschien wel—antwoordde Ben Amis, alias Raffles.—Let op! Daar is „de vloo”.

Inderdaad stapte enkele seconden later Mr. Marholm, de secretaris van Mr. Baxter, langs de beide vrienden en keek hen onderzoekend aan.

Mr. Marholm had den bijnaam van „de vloo” en was als zoodanig in het gansche politiecorps en bij de pers bekend. Ook Raffles wist dit en noemde hem nooit anders.

—Waar „de vloo” is, zal ook de meester wel wezen!—meende Charly.

—Zwijg, Saraj,—gebood Ben Amis.—Men let op ons. Opgepast. Speel je rol goed, mijn jongen!

„De vloo” draaide om de beide vrienden als een mug om een kaars. Raffles merkte dit tot zijn genoegen op, want het was misschien een reden dat „de vloo” bij hen zou komen zitten. Tot overmaat van smart—tenminste voor „de vloo”—werd deze aangesproken door twee andere heeren.

Raffles had hen nog nooit gezien, doch vermoedde intuitief dat het geheime agenten van Baxter waren.

Langzaam kwam de trein, die op het enkele spoor, [5]waaraan York, verscheidene mijlen verder, lag, het station binnen gerangeerd.

Het was niet bijzonder druk. Wel zag men verschillende typen van paardenliefhebbers, paardenkooplieden, enzoovoort, enzoovoort, maar bijster veel belangstelling was er nog niet.

Dat kwam overmorgen pas.

Heden was het immers slechts inschrijving!

Raffles met Charly talmden net zoo lang totdat zij wisten waar „de vloo” plaats genomen had en traden toen ook dezelfde coupé binnen.

„De vloo” wreef zich vergenoegd de handen en keek triomfantelijk de beide Arabieren van ter zijde scherp aan.

Rustig, flegmatiek, ging Raffles te werk, reikte den controleerenden beambte zwijgend zijn biljet over en rolde zich een cigarette met onmiskenbare handigheid.

Even een snerpend fluitje, en de trein zette zich in beweging.…..

—Nu gaat het er op los, heeren!—sprak „de vloo” tot zijn beide reismakkers, die eveneens tegenover Raffles en Charly zaten.

—Ja! Mr. Marholm—antwoordde de een.—’t Zal mij werkelijk interesseeren of Raffles er is.

—Mij ook. Hoewel ik—vervolgde „de vloo”—het niet geloof. Die meening van Mr. Baxter deel ik niet.

Raffles wees naar buiten en sprak eenige Arabische woorden tot Charly, die teekenen van instemming gaf.

—Wat moeten die snuiters?—fluisterde een der geheime agenten tot „de vloo”.

—Weet ik niet—antwoordde deze terug.

—Zouden zij Engelsch verstaan—informeerde de ander.

Mr. Marholm of-te-wel „de vloo” gevoelde zijn roeping en zeide met tamelijk veel gewicht: „dat zullen wij eens vragen”.

—Reist u naar York?—vroeg hij daarop aan Raffles.

—Om u te dienen,—antwoordde deze in eenigszins gebroken Engelsch.

—Deelnemer aan de wedrennen?—informeerde „de vloo”.

—Mag ik u een weervraag stellen?—vroeg Ben Amis met een vreemden lach om de lippen. Ineens vervolgde hij:—Vraagt u dit, omdat gij zelf ook deel zal nemen aan de rennen?

„De vloo” beet zich op de lippen.

Hij had zulk een woord niet verwacht van den Arabier.

Toen zeide hij:—Ik reis in mijn kwaliteit van politie-ambtenaar.

—O! Heeft men hier daar de politie bij noodig? Bij ons in Alexandrië is dat gansch anders. Daar is het zelfs feest voor de politie als er wedrennen plaats hebben.

Zoo écht kinderlijk, naïef had Raffles dit gezegd, dat geen der politiemannen er ook maar één minuut aan twijfelde, of deze man sprak in volle overtuiging.

„De vloo” was gewonnen en toen Raffles met een onderdanige buiging hem een cigaret aanbood, was hij het die, met zeker air, vroeg naar de wedrennen van Alexandrië, naar de reis, naar paarden, kortom naar alles wat een Arabier belangrijks te vertellen weet aan een Westerling zooals Mr. Marholm was!…

En Raffles antwoordde hem met beleefde voorkomendheid, zoodat de reis buitengewoon aangenaam en vlug verliep.

York lag niet zoo heel ver van Londen en ware het niet dat hier jaarlijksche wedrennen werden gehouden die over de gansche wereld—vooral in de sportkringen—een grooten naam hadden gemaakt, zoo ware York een vergeten plaatsje geweest, zóó onbeduidend was het.

Charly zat gedurende de gansche reis maar stil voor zich uit te zien. Hij lette goed op wat er gesproken werd en verbaasde zich er over dat Raffles weer met onnavolgbare handigheid den toestand beheerschte en met de politieambtenaren deed wat hij zelf wenschte.

Toch was Raffles niet geheel tevreden. Hij vroeg zich af „waar Baxter toch wel wezen mocht”?

Misschien ziek?

Dat zou jammer wezen. Want hij—Raffles—had zich al verheugd in de mogelijkheid Mr. Baxter eens een nieuw avontuur te laten beleven. [6]

Vragen naar hem kon hij niet, zonder eenige verdenking op zich te laden.

Zoo zat Raffles gedurende de laatste minuten te denken, toen hem plotseling een plan te binnen schoot.

—Mag ik u een vraag doen?—vroeg Raffles onnoozel aan „de vloo”.

—Met genoegen, en kan ik deze beantwoorden, dan zal zulks mij zeer aangenaam wezen.

—Vanmorgen las ik deze courant—hierbij haalde Raffles een courant te voorschijn—dat de politie uit Londen maatregelen nam te York. Waarvoor is dat?

„De vloo”, blijde dat hij een gewichtige houding aan kon nemen, vertelde Raffles de knoeierijen der weddenschappen en der jockey’s.

—Rijdt een uwer paarden ook mee?—vroeg „de vloo” na zijn verhaal.

—Ja. Mijn Arabische hengst „Aldabaran”—antwoordde Raffles.

—Hebt u een Engelschen jockey?

—Neen. Ik rijd zelf.

—Men zal u willen omkoopen.

Ben Amis’—alias Raffles—oogen glinsterden onheilspellend.

—Ik ben niet om te koopen!—zeide hij norsch, zoodat „de vloo” zich haastte zijn verontschuldigingen aan te bieden.

—Ik wilde u alleen maar even waarschuwen!

—Dank u!—sprak Raffles.

Nog enkele minuten … en de trein liep het station van York binnen.

Het spel zou beginnen.

Raffles voelde zich in „stemming”.