[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

Baxter vergist zich!

Toen de trein stilstond en de portieren geopend waren, namen Raffles en Charly afscheid van „de vloo” en zijn makkers en stapten zij naar den uitgang, waar verschillende personen stonden te wachten.

Raffles had een stil vermoeden dat er vele geheime agenten onder het aanwezige publiek waren en merkte al aanstonds op, dat juist op zijn persoon en dien van Charly alle aandacht gevestigd was.

Doende alsof hij niets bemerkte, overhandigde hij den controleerenden beambte zijn biljetten en liep het plein op, vóór het station.

Een commissionair, met gegalonneerde pet op, waar met gouden letters vermeld stond dat hij employé was van het „London Hotel”, trad op Raffles toe en vroeg:

—Ben Amis uit Alexandrië?

—Juist, vriend.

—Uw auto staat gereed.

—Is ’t ver naar het hotel?

—Vijf minuten.

—Dan loop ik. Zoo’n duivelsding wensch ik niet. Waarom geen paarden?

De commissionair ging een weinig achteruit, omdat Raffles met forsche stem dit vroeg en den man gestreng aanzag.

—Ik wist niet dat u een rijtuig wenschte. Zal ik er een ontbieden?

—Niet noodig.

Inmiddels hadden zich, zooals dit gewoonlijk gaat, vele menschen om Raffles verzameld, die allerlei opmerkingen te hooren gaven.

—Hoor! Wat een kaffer!… [7]

—Hij denkt dat wij slaven zijn.

—’t Is een echt aapmensch …

—De kerel durft niet eens in een auto.

—Dat belooft iets voor de wedrennen!

Dergelijke uitroepen werden vernomen en Raffles genoot met volle teugen.—„Als Baxter dit nu eens zag”—dacht hij.

Meteen werd zijn wensch vervuld. Geweldig proestend en blazend baande de dikke inspecteur Baxter, inspecteur en hoofd van Scotland Yard, zich een weg door de opeengehoopte volksmenigte en riep met groote stem:

—Doorloopen! Volksoploopen zijn streng verboden. Wat is dat hier?

Raffles keek hem onderzoekend aan.

—Wie is u?—vroeg Ben Amis.

—Wat?—schreeuwde Baxter, die ’s nachts slecht geslapen had en dien morgen buitengewoon prikkelbaar was.—Wat? Moet jij mij vragen wie ik ben? Zwartkop? Alo! Mee naar het bureau.

—Naar welk bureau?—vroeg Raffles langzaam en met nadruk.

De belangstelling van het publiek steeg met iedere seconde.…..

Een snerpend fluitje weerklonk, doordat Baxter assistentie vroeg. Niet lang daarna kwamen enkele agenten aansnellen, die op Raffles toetraden.

Charly stond doodsangsten uit.

Thans was het spel toch wel wat al te gewaagd. Nu zou Raffles eindelijk vallen in de handen van zijn vijanden, dien hij zoo innig verachte—de politie.

—Is het hier de gewoonte—riep Raffles—dat men met politie naar zijn hotel gebracht wordt?

—Geen praatjes alsjeblieft—driftigde Baxter als een brieschende leeuw.

Onmiddellijk gaf hij bevel tot uiteenjaging van den oploop en stuwden vier agenten Raffles voor zich uit, gewillig gevolgd door Charly.

Als een overwinnaar die pas van het slagveld terugkomt, liep Baxter vooruit naar het bureau van politie te York.

Hij zou dien kroeskop, dien nikker, eens mores leeren hém, Baxter! te ondervragen!

—Tuig!… is het … allemaal … en als die vervloekte Raffles nu maar komt … Dezen keer ontsnapt hij mij niet … Enfin, dit is ook al een aardig voorval!… Straks even naar Londen seinen!… ’t Kan nooit kwaad dat men weet hoe actief ik ben!…

Met dergelijke overpeinzingen liep Baxter voort en trad weinige minuten later het Yorksche bureau binnen.

Hij zette zich neer achter een schrijfbureau en keek vreemd op dat hij inplaats van den Arabier, „de vloo” zag binnentreden.

„De vloo” had gewacht totdat zijn heer en meester binnen was gekomen en was hem onmiddellijk gevolgd.

—Goeden morgen, chef!

—Jongmensch, ge komt als geroepen.

—Dat wist ik, chef.

—Wat wist jij?—beet Baxter hem nijdig toe.

—Dat ik op tijd kwam.

Baxter stond geslagen. Hij was opgesprongen en bleef voor „de vloo” staan. Hij pakte hem bij de schouders en riep:

—Jongmensch!… ik waarschuw je! Pas op! Ik ben niet in een stemming om jou brutalen toon te verdragen. Op ’t oogenblik ben ik de baas. Begrepen?

—Dat is u altijd, chef. Maar als ik u verzoeken mag, laat mij dan los. ’t Is mijn eenige goede jas en mijn salaris is niet zóó hoog dat ik mij de weelde van een nieuw pak permitteeren kan!

Baxter liet onmiddellijk „de vloo” los en zag hem uitdagend aan. Meteen vernam hij gedruisch van voetstappen en riep:

—Let eens goed op, ezelsveulen, hoe je chef handelt. Wij hebben al een goede vangst gedaan!

—Hebt u Raffles?—vroeg „de vloo” spottend.

—Spreekt dien naam niet meer uit—brulde Baxter,—anders zou het je je baantje wel eens kunnen kosten.

Nog was Baxter niet geheel uitgesproken of de deur werd geopend en omringd met en door de vier agenten, traden Raffles en Charly binnen!

—Ah!—riep Raffles, zoodra hij „de vloo” zag,—dat noem ik een geluk. U, noch ik, had gedacht dat wij elkander zoo spoedig zouden weerzien. Vertel mij eens, wat ik u bidden mag, is dit de gewoonte in [8]Engeland dat men vreemdelingen door de politie laat opbrengen?

„De vloo” keek eerst naar Raffles, toen naar Charly, daarna naar Baxter en toen weer naar de beide Arabieren.

Daarop barstte hij in een welgemeend lachen uit, wat Baxter zóó woedend maakte dat hij uitriep:

—Er uit!… Er uit!… En voorgoed!… Jij ellendig mormel, parodie der menschheid, paskwil … ezelsveulen, moet jij lachen?… Hè?… Spreek op.…

„De vloo” maakte aanstalten om heen te gaan!…

—Neen, blijf hier!… schreeuwde Baxter!…

—En ik moet gaan.

—Blijf!… gebood Baxter met harde stem.—En antwoord mij. Wie is dat?—Hierbij wees hij op Raffles.

—Ik maakte met dezen charmanten Arabier kennis in den trein. Hij komt van Alexandrië en ik kan mij absoluut niet voorstellen wat u in hem „een goede vangst” noemt.

—Zoo!… Hm!… Hm!… De kerel was onbeleefd.

Raffles had tot heden toe gezwegen en zich een houding gegeven alsof hij absoluut niets van het geheele gesprek begreep. Hij schrok quasi op toen Baxter het woord tot hem richtte.

—Uw naam?

—Ben Amis.

—En van uw makker?

—Saraj.

—Hoe?

—S. a. r. a. j.—spelde Raffles.

—Heidensche namen—bromde Baxter!—Waar vandaan?

—Alexandrië.

—Heb je papieren bij je?

—Zeker heb ik die. Maar heb ik gestolen? Kwaad gedaan? Op het consulaat te Londen heeft men mij met alle eer behandeld. Ik zal een aanklacht indienen wegens deze behandeling. Een dienaar van koning Menes heeft recht op een betere behandeling.

Baxter verschoot een weinig van kleur.

„De vloo”, die zijn chef al zoo menigmaal had zien falen, en de agenten, die Baxter gedurende één dag kenden, doch hem niet konden respecteeren, genoten van de brutaliteit waarmede deze Arabier tegen den chef durfde optreden!

Heel wat kalmer dan zooeven vroeg Baxter de reden van den volksoploop.

—Kan ik het helpen—vroeg Raffles—dat het publiek mij aangaapt met een bijzondere belangstelling? Is het mijn schuld dat men nooit een Arabier heeft gezien? Ligt het aan mij dat de bediende van het „London Hotel” mij in een auto—een duivelsding!—wilde stoppen, wat ik niet verkoos? Uw optreden, mijnheer, was ongerechtvaardigd. U kende mij niet. Evenmin ik u. Als u in uniform geweest waart, dan had ik gezien dat u een autoriteit was. Nu vermoedde ik dat gij een nieuwsgierige waart. Dat moest u bedacht hebben. De Engelsche politie, vooral die uit Londen, heeft in de wereld een goeden naam, en wij hadden nooit kunnen denken dat wij deze ervaring zouden opdoen. Uw schuld is het, mijnheer de inspecteur, dat de couranten zullen vermelden dat Ben Amis, de grootste paardenbezitter van Alexandrië, door Engelsche politie-beambten is opgebracht. Dat zal men u nooit vergeven en ik zal u aanklagen.

—Ja maar …—hakkelde Baxter uit het veld geslagen …

—Neen!… Neen!… Neen!… mijnheer, eenige vergissing is mogelijk, maar niet een zooals deze. Zoekt u een misdadiger? Iemand die hier is of komen zal? Maar, bij Mohamed’s baard, zie ik er dan uit als een misdadiger?

Het geval werd tragisch.

Baxter transpireerde groote druppels zweet.

Hij werd angstig.

Het gelaat van „de vloo” stond in spanning. Ieder oogenblik had hij willen uitbarsten in lachen.

Raffles’ gelaat stond onheilspellend donker.

—Rukt uit!—commandeerde Baxter tot de vier agenten, die nog steeds stonden te wachten.

Glimlachend verwijderden zij zich.

Toen stond de inspecteur op en zeide zichtbaar geroerd:

—Mijnheer Ben … Ben … Ben!… hoe is ’t ook weer?… Eh … Ben … Amos.… [9]

—Ben Amis—verbeterde „de vloo”.

—Houd je mond, vlegel!—brulde Baxter, blij dat hij zijn toorn op een onschuldige kon doen losbranden!—’t Is jouw ezelachtige schuld dat ik deze onschuldige lieden arresteeren liet.

Mijn… schuld? Nu nog mooier!

—Zeker, stommerd! Jij had het je tot plicht moeten rekenen mij direct in kennis te stellen van je reis. Dan had dit alles niet kunnen gebeuren. Jij zult nooit leeren! Nooit wordt jij een goed politieman. Jij en die … die … Raffles zijn twee ellendelingen!

Ben Amis, alias Raffles, voelde ineens veel sympathie voor „de vloo”.

Baxter ging voort:

—U, mijnheer Ben Amis, bied ik mijne verontschuldigingen aan.

—Geef mij dat op schrift.

—Dat kan ik niet.

—Dan klaag ik u aan.

—Ga uw gang, mijnheer. Gij zult dan ervaren wie Baxter is en wat voor invloed hij heeft.

Raffles sprak eenige onverstaanbare woorden tot Charly en beiden maakten aanstalten om heen te gaan.

„De vloo” schoot toe om de deur te openen, doch de inspecteur voorkwam hem.

—Eén oogenblik! Wat wenscht u met dat geschrevene te doen?

—Meenemen als een bijzondere herinnering.

—Anders niet?

—Anders niet.

—Mr. Marholm!—gebood Baxter—schrijf even een verontschuldiging.

—Neen! Pardon! U zelf moet dit schrijven—sprak Raffles.

Na eenig tegenstribbelen zette Baxter zich neer; een oogenblik zat hij te denken en toen schreef hij met groote lompe letters:

L. S.

Ik, ondergeteekende, inspecteur en hoofd van „Scotland Yard”, thans gedetacheerd in York, ter gelegenheid van de jaarlijksche wedrennen, verklaar, dat door een noodlottige vergissing Ben Amis, komende van Alexandrië, door mij is gearresteerd geworden. Ik verplicht mij hem op alle mogelijke wijzen te rehabiliteeren.

BAXTER.

Glimlachend nam Raffles dit geschreven bewijs van Baxter aan en bergde het in zijn wijd opperkleed.

Toen boog hij hoffelijk en vertrok zonder één woord te spreken, met Charly naar het London Hotel!

Zoodra de beide Arabieren vertrokken waren, openden zich de „sluizen” van Baxter’s toorn en al vloekende beweerde hij dat alles kwam „door dien vermaledijden boef „Raffles”.

Dit werd alles nog veel erger toen de postbeambte een brief, uit Londen afkomstig, voor inspecteur Baxter bezorgde van den volgenden inhoud:

Geachte Heer Baxter!

Uit de dagbladen bemerkte ik dat u de meening is toegedaan, dat ik te York aanwezig zou zijn tijdens de wedrennen.

Ten einde u niet nog beschaamder te doen staan tegenover hen die u als onovertreffelijk beschouwen, deel ik u mede dat ik thans, en wel voor het eerst van mijn leven, het genoegen zal hebben naar York te komen.

Misschien is het wel zeer interessant.

Geheel de uwe,

RAFFLES.

Van dat oogenblik af was Baxter wanhopig en liet hij iedereen, die te York aankwam, bij zich komen, hen onderwerpende aan een zeer scherp verhoor.

Doch Ben Amis was reeds lang in het „London Hotel” aangekomen. [10]