[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

Lord Bentfield ontmaskerd.

Raffles en Charly werden als Ben Amis en Saraj verwelkomd door den beheerder van het „London Hotel”, die zijn leedwezen uitsprak omtrent het gebeurde en mededeelde dat de commissionnair, door wiens toedoen het voorgevallene gebeurd was, direct ontslagen was.

—Dat is niet goed—antwoordde Ben Amis driftig.—Ge moet dien man onmiddellijk in dienst terug nemen. ’t Was zijn schuld niet.

Deze onverwachte wending had den hotelier niet verwacht en hij gaf de verzekering dat de man in dienst zou blijven evenals Ben Amis dit had bevolen!

Daarop togen beide vrienden naar de voor hen gereserveerde kamers en wierp Ben Amis zijn overtollige kleedingstukken uit.

—Nu, Charly! Wat zeg je er van, mijn jongen?

—Dat het ditmaal nooit goed met ons afloopt.

—Charly, neem eens een frisch bad, maar kom direct weer bij mij terug om je opnieuw te grimeeren.

—Wat is dat nu weer voor malligheid?

—Wel, beste jongen, ’t lijkt mij toe, dat gij wat moê zijt, of zwaarmoedig! Een goed koud stortbad, dat je op je huid prikkelt, is een uitstekende medicijn!

—Dank je wel! ’t Is geen zwaarmoedigheid van me, wanneer ik vrees dat ’t ditmaal niet goed afloopt.

—Waarom denkt gij dat?

—York is een klein gat.…

—Met, morgen, eenige tienduizenden bezoekers,—viel Raffles in.

—Wat zou dat? Baxter heeft ons reeds eenmaal gezien …

—Juist en daarom is van hem geen gevaar meer te vreezen.

—En die krankzinnige brief dan?…

—Is het middel hem op dwaalwegen te brengen. Wedden dat hij op ’t oogenblik alle treinen onderzoeken zal?

—Best mogelijk. Maar nog nooit heb ik een angstig voorgevoel gehad voor je ondernemingen. Nu wel!

—Dat komt omdat gij niets te doen hebt. Ledigheid is altijd verkeerd. Het brengt gedachten of herinneringen, die niet goed en óók niet noodig zijn. Ge moet iets doen! Jij gaat thans op verkenning uit en zoekt in aanraking te komen met de wedders.

—Moet ik dit doen?

—Ja. Ik ga met spoed naar het inschrijvingsbureau en zal mij daarna naar mijn vurigen Aldabaran begeven. Tot straks, Charly!

Charly begreep dat er niets aan te doen was. En ziende hoe zijn heer en vriend gestemd was, begreep hij dat het niet zoo’n vaart loopen zou met alles, en toog hij tamelijk opgewekt naar buiten.

’t Allereerste ging hij naar de plaats waar de wedrennen gehouden werden en zag dat verscheidene handen bezig waren om de laatste toebereidselen te maken voor de zoo gewichtige gebeurtenis—de jaarlijksche rennen.

Reeds gedurende vele jaren werden ieder jaar te York, eenige mijlen van Londen, wedrennen gehouden, uitgeschreven door een daartoe aangewezen internationale commissie.

Van heinde en ver kwamen ze, de eigenaars, jockey’s en paarden om hier te midden van uitgestrekte landerijen te genieten van een sportdemonstratie of de krachten met anderen te meten.

Op het terrein vóór de renbanen, die keurig netjes [11]opgeharkt waren en zorgvuldig afgezet te blakeren lagen in het helle zonlicht, waren reeds vele kramen opgeslagen. Kramen voor verfrissching, voor eetwaren, voor uitspanning en vermaak, kortom ’t was er alsof het kermis ware.

Weer dichterbij vond men de kleine houten kantoortjes waar men de postal orders1 in depôt gaf, wanneer men een weddenschap aanging.

Hier stonden ook de waarnemingsborden en de namen der paarden, waardoor men steeds den stand der wedrennen volgen kon.

En dan rondom de renbanen de reusachtige tribunes, de loopgangen voor de wedagenten, de loges voor de eigenaars, de logementen voor de jockey’s en de stallen voor de edele paarden.

Zoodra Charly op deze plaats rondliep, zich gereedhoudende om actief op te treden, genoot hij ook, evenals op het stationsplein, verbazend veel belangstelling. Langzaam, doch elastisch, zooals Raffles hem gezegd had, liep hij als een echte Arabier langs dit alles heen en genoot van de algemeene opmerkingen die men omtrent hem ten beste gaf.

Charly’s aandacht viel op een tweetal mannen die nevens een tent stonden te wachten en hem onophoudelijk aankeken.

Wachtte men op hém?

Inderdaad! Eén der mannen trad op hem toe en vroeg:

—Zoekt u iets?

—Neen! Ik neem alleen alles eens in oogenschouw.

—Is mijnheer jockey?

—Neen!

—Komt mijnheer van zóó ver uit belangstelling?

—Hoe weet u dat ik van verre kom?—vroeg Charly.—Wonen er te Londen geen Arabieren?

—Niet van zoo donkere gelaatstint als u—antwoordde de man complimenteus.

—Gij hebt gelijk. Ik kom uit Alexandrië. Ge kent het? Ik heb mijn meester Ben Amis en diens renpaard vergezeld.

De kerel, met wien Charly sprak, knipoogde tegen zijn kameraad zonder te vermoeden dat de Arabier dit bemerkte.

—Maar dan rijdt u toch?

—Mijn meester rijdt zelf!

—Hoe is de naam van ’t paard?

—Aldabaran.

—Vlug?

—Als water, wegvliegend uit een rots.

—Sterk?

—Als de bergen van den Ararat!

—Jong?

—Als de zon die opkomt uit de nevelen van den nacht.

De kerels waren er stil van!

Op hun korte vragen had Charly—die nu pleizier in de geschiedenis kreeg—echt dichterlijk geantwoord.

De beide mannen zagen elkander aan en na eenige minuten vroeg er een:

—Heeft dat paard al meer gewonnen?

—Van de twee en twintig wedrennen, gehouden tusschen de beste paarden van Arabië, heeft Aldabaran er niet één verloren. Mijn meester is schatrijk door hém!

Weer zweeg men en daarna vroeg de ander:

—Waar is uw meester?

—In het London Hotel.

—En waar het paard?

—In een specialen stal.

—Kunnen wij dat dier eens zien?

—Niet vóór de wedrennen.

—Waarom nu niet?

—Mijn meester wenscht dat niet.

—Jammer! Kunnen wij uw meester spreken?

—Vraagt het hem zelf.

—Ge zoudt kunnen verdienen.

—Ik verdien genoeg.

Nijdig keerden de kerels zich om en vertrokken.

Charly had eerst nog gehoopt dat zij terug waren gekomen, omdat hij thans niet veel te rapporteeren had aan Raffles, maar hij werd in zijn veronderstelling bedrogen. [12]

De kerels waren achter de kraam of tent verdwenen en bleven weg.

—   —   —   —   —   —   —   —   —   —   —   —

Zoodra de beide mannen, die met Charly gesproken hadden, uit ’t gezicht van de menschen, die bij en om de renbanen liepen, verdwenen waren, zeide de een tot den ander:

—Dat is dat vreemde paard.

—Er moet ingegrepen worden,—meende de ander.

—Natuurlijk. Maar hoe?

—Oogenblikkelijk beginnen. We zullen dan vanavond aan de club kunnen mededeelen dat wij goede zaken hebben gedaan. Er is iets extra’s te verdienen.

—Wat wil je doen?

—Of ’t paard onschadelijk maken òf dien vreemden snoeshaan overhalen tot medewerking.

—Dat is gewaagd!

—Ach wat! Goud verblindt. Met geld doe je alles, kun je hemel en aarde bewegen! We zullen eens zien!…

—   —   —   —   —   —   —   —   —   —   —   —

Inmiddels was Charly weer teruggedwaald en begaf zich naar het „London Hotel”.

Zijn meester en vriend was nog niet terug, redenen waarom Charly zich rustig neerzette in de zitkamer, door Raffles gehuurd tijdens de wedrennen.

Raffles was even na Charly weggegaan en had zich allereerst in laten schrijven als deelnemer aan de wedrennen en als eigenaar van den volbloed Arabischen hengst Aldabaran.

Toen dit afgeloopen was, begaf hij zich naar den stal waar Aldabaran stond.

Enkele dagen geleden had Raffles dit edele rijdier met twee zijner getrouwe bedienden naar hier gezonden en in een speciaal voor Aldabaran gehuurden stal neergezet.

Het gebeurde immers wel eens dat een paard, buiten de weddenschappen staande, zoodanig mishandeld werd, dat op den dag der rennen het dier niets waard was.

En Raffles’ plannen waren ook zoodanig ingericht, dat iedereen brandde van nieuwsgierigheid.

Hij vond Aldabaran met zijn twee bewakers Tim en Jack in de beste orde en streelde het edele ros zacht over de huid.

Zorgvuldig hadden Tim en Jack alle belangen behartigd en Raffles’ bevelen tot in de fijnste onderdeelen toe uitgevoerd.

Raffles gaf zijn goedkeuring te kennen en drukte hun nogmaals op het hart, toch vooral niemand tot Aldabaran toe te laten.

Daarna vertrok hij en liep evenals Charly gedaan had, nog even langs de stallen bij de renbanen.

Sommige deuren waren gesloten, andere stonden open en overal was er drukte en beweging.

Raffles’ aandacht werd opeens getroffen door enkele teekens die met krijt op een deur van een der laatste stallen geteekend waren.

Dichterbij gekomen zag Raffles dat het de zoogenaamde dieventaal was, en aangezien hij verschillende stelsels bestudeerd had, las hij het „bericht” gemakkelijk: „Hedenavond elf uur spoedbijeenkomst”.

Drommels, waar zou die bijeenkomst wezen? En was dit heden geschreven?

Raffles naderde ongemerkt de deur en keek scherp toe. Het krijt was versch, dus heden geschreven!

Om rustiger hierover te kunnen nadenken, begaf Raffles zich naar het hotel en vond Charly op hem wachten.

Charly vertelde, terwijl Raffles cigaret na cigaret „verslond”, zijn wedervaren en besloot met de mededeeling:

—Meer kon ik heden niet te weten komen.

—Waar bleven de kerels?

—Weet ik niet.

—Je hebt wel eenigszins dom gehandeld, want ik vermoed dat dit toch de sleutel wezen zal, noodig om toegang te hebben tot die geheimzinnige club der wedders. Bovendien ware het belangrijk geweest omdat er hedenavond een vergadering of bijeenkomst is.

—Hoe weet jij dat?

—Gelezen.

—Waar?

—Op de staldeur nummer zeventien. Ge ziet mij weer zoo echt naïef aan. Je weet ik let gewoonlijk op alles. En de dieventaal ken ik ook een weinig. [13]

—En waar is die vergadering?

—Dat is de vraag, Charly! De club heeft natuurlijk haar geheim lokaal. Dat moet ik uitvinden.

—Hoe wilt gij dat doen?

—Nog onbekend, doch ik vertrouw op mijn gelukkig gesternte! Laten wij eerst eens iets nuttigen. Mijn maag herinnert mij aan stoffelijke dingen, vriendlief. Roep den kellner!

Charly drukte op een electrische schel en enkele oogenblikken later verscheen een kellner, aan wien Raffles opdroeg zoo vlug mogelijk voor een diner te zorgen.

Een uur later lag Raffles te genieten van een fijne Havana en dacht hij diep na.

Bescheiden werd er op de deur geklopt. Raffles hoorde het niet, doch Charly riep „Binnen!”

Een hotelbediende trad binnen en zeide:

—Mijnheer, daar is een heer bij onzen chef gekomen of hier een Arabier, die een paard bezit met den naam Aldabaran, gelogeerd is. Wij vermoeden dat het Ben Amis wezen kan en werd mij opgedragen u te verzoeken dit aan uw meester mee te deelen.

—Hoe heet die vreemde heer?

—Lord Bentfield, mijnheer. Hier is het kaartje.

—Verzoekt die man toegang tot Ben Amis?

—Indien Ben Amis eigenaar is van Aldabaran.

—Dat is zoo! Ik zal mijn meester verwittigen.

Raffles, die op het breede balcon zat, had weinig van deze boodschap gehoord, doch toen Charly hem alles had gezegd, riep hij:

—Laat onmiddellijk dien Lord Bentfield binnen!

Raffles bekeek zichzelf in den spiegel en gaf zich een ongedwongen en gemakkelijke houding.

Charly leidde Lord Bentfield binnen.

Raffles stond op.

—Wat verschaft mij het genoegen Uwe Lordschap te mogen ontvangen?

—Niets meer en niets minder dan enkele, misschien brutale, vragen.

—En die zijn?—vroeg Raffles kortaf.

—Heden was ik bij de inschrijving tegenwoordig en ik bemerkte daar dat u Ben Amis, een volbloed Arabischen hengst, Aldabaran geheeten, in de baan brengt.

—Dat is zoo! Een gansch éénig paard, een dier zooals er geen tweede is! ’t Heeft mij reeds twee en twintig rennen doen winnen. ’t Is een buitengewoon edel dier en een geschenk van koning Menes aan mij voor bewezen diensten. Ik hoorde van de wedrennen te York. Las, hoe hier schier uit alle oorden der wereld renners naar toe kwamen en vatte het plan op om ook Aldabaran eens op Engelschen bodem te doen kampen. Hebt u verstand van paarden?—vroeg Raffles ineens in een gansch anderen toon.

—Gelukkig ja! En het is ook enkel en alleen belangstelling die u lastig valt in mijn persoonlijk bezoek. Ik zelf heb zeer veel gereden en zou zoo gaarne dit buitengewone dier zien.

Raffles sprong op.

—Is niet te zien, mijnheer!—riep Raffles driftig. —Wie garandeert mij dat u geen revolver, geen mes of wat ook bij u hebt, waarmede gij mijn trouwen Aldabaran treffen zou! Ah! wij Arabieren houden van onze dieren en beschouwen zulk een paard als ’t licht onzer oogen … Overmorgen zult gij Aldabaran zien! U is toch bij de wedrennen?

Lord Bentfield scheen wel wat geschrokken. Hij zweeg althans enkele minuten, terwijl hij zenuwachtig met zijn hoed heen en weer draaide.

In dien tusschentijd had Raffles gelegenheid te over om Lord Bentfield op te nemen. Daarbij bemerkte Raffles dat de kerel geschminkt was en een pruik droeg. Ook de handen wezen er op dat dit onmogelijk een lord wezen kon.

—Ziet u eens,—zoo begon Lord Bentfield weer—ik ben voorzitter van de „Paardensport-vereeniging” en stel het zéér op prijs wanneer u van mijn diensten gebruik zult willen maken. Ik ben allereerst gekomen om uw Aldabaran te mogen zien. Dit is mij niet gelukt. Van zelf spijt dit mij. Toch wil ik er in berusten, zonder rancunemaatregelen te nemen. Doch mag ik u waarschuwen?

—Indien dit noodig is, zelfs zeer gaarne.

—’t Is de eerste maal dat u te York komt?

—Ja. [14]

—U kent dus de gewoonten niet?

—Hoe zou ik ze kennen?—vroeg Raffles, die nieuwsgierig was waar de man heen wilde.

—Ziet u eens. Als u als eigenaar rijden wilt, is er gevaar.

—Dat is wel eens aangenaam.

—Gevaar voor uw leven—zeide de man met klem, omdat hij boos werd dat zijn woorden zoo weinig indruk maakten op den Arabier.

—Mijn leven is in Mohamed’s hand, Lord Bentfield, en daarbij blijf ik. Is mijn tijd gekomen, dan moet ik gaan en daarmee afgeloopen.

Lord Bentfield stond woedend op.

—U moet het zelf ervaren—sprak hij met een merkbare trilling in zijn stem—hoe het dan gaan zal.

—Zeer geëerde Lord—hernam Raffles—indien u met geen andere voorstellen tot mij komen kunt, is uw tocht doelloos geweest. U denkt waarschijnlijk dat ik, omdat ik een andere gelaatskleur heb dan u, ook dommer wezen moet. Gerust, u vergist zich! Ik twijfel bijvoorbeeld niet dat u Lord Bentfield is, maar vraag mezelf toch af wat de reden wezen mag dat u tot mij komt met een vermomming …

Lord Bentfield gaf een lichten kreet en greep meteen naar zijn pruik.

Te laat.…..

Hij was ontdekt.…..

Raffles keerde zich om en deed precies alsof hij iets doodgewoons gezegd had en lette niet op de wanhopige pogingen welke Lord Bentfield deed om zich te herstellen.

Charly verkneukelde zich van pret en zag met genoegen hoeveel moeite Lord Bentfield deed om een weg te vinden om heen te gaan.

Lord Bentfield keek van Raffles naar Charly en van dezen weer naar Raffles.

Toen hoorde hij zich toevoegen door Raffles’ stem:

—Daar hebt u een spiegel, Lord!—Raffles drukte sterk op het laatste woord.—Maak alles in orde en verdwijn!

—Zult u geen maatregelen nemen?

—Bij ons schiet men zoo iemand òf dood, òf men koopt de schuld af. Wat ik thans moet doen weet ik nog niet. Trouwens York wemelt op ’t oogenblik van geheime agenten van politie. Ik zou het hun mee kunnen deelen en u hier zoolang doen bewaken. Wie de gevaren der woestijn en der bergen kent, weet altijd te handelen, Lord!

—Ik ben bereid schadeloosstelling te geven!—stamelde Lord Bentfield.

—Voor wat? Mij deed en doet ge geen schade, wèl u zelf. Vertel mij wat uw eigenlijk doel was. Want ik kan mij moeilijk voorstellen dat gij alleen kwam voor hetgeen gij thans gezegd hebt. Is er meer belang bij voor u dan voor mij? Heeft u reeds weddenschappen genomen op andere paarden? Verwissel ze dan op mijn paard en ik geef u de verzekering dat gij winnen zult. Hebt gij een eigen paard? Wilt gij een mijner getrouwen als jockey? Komt u zichzelf aanbieden als zoodanig? Spreek vrijuit. Ik ben dat ook gewoon te doen. Niets haat ik meer dan die vormelijke belangstelling in het heil of geluk van anderen, dat niets meer of minder beteekent dan eigen egoïsme nog beter te kunnen bevoordeelen of te dienen. Wilt gij mij uw plannen zeggen?

Lord Bentfield zag wanhopig rond en besloot schijnbaar om zich gewonnen te geven.

Na minuten lang zwijgen zeide Lord Bentfield:

—Inderdaad, Ben Amis, ik ben met andere plannen gekomen.

—En die zijn?

—Sta mij toe, u dit morgen te zeggen.

—Waarom dan pas?

—Ik ben niet alleen. Nog enkele heeren en kennissen van mij hebben een club gevormd, die zich ten doel stelt de weddenschappen zoodanig te doen zijn, dat er een kleine winst, zonder risico, gewonnen kan worden. Dat is al! En wanneer u met uw paard komt, zal alles natuurlijk hooger gaan mèt minder winst. Verschillende jockey’s zijn bij ons aangesloten.

—Dat begrijp ik,—viel Raffles in.—Er is dus, met andere woorden, geld te verdienen?

—Jawel.—Haperend zeide Lord Bentfield dit.

—En hierover moet u met uwe makkers beraadslagen?

—U raadt het ongeveer. [15]

—Laten wij een einde er aan maken. Dit gedraai om de zaak heen verveelt mij. Wat betalen de heeren als ik hun de weddenschap met goed succes bezorg?

Lord Bentfield keek ongerust op. Met dezen Arabier was het geen gekscheren. Men moest met hem oppassen. Als hij nu maar eerst bij de kameraden was. Misschien was er met dezen man te handelen.

—Ik wil—vervolgde Raffles—desnoods met u meegaan!

—Goed, gaat met mij meê. Om elf uur is het onze bijeenkomst. Ik zal u wachten bij de stallen der baan.

—Mooi—lachte Raffles.—Ik zal er zijn.

—Het wachtwoord is Aldabaran.

—Prachtig.

—Ik waarschuw u verder dat u geen politie-maatregelen neemt, anders kon het u wel eens berouwen.

—Gewoonlijk handel ik zèlf. Ook nu.

Lord Bentfield vertrok en Raffles wreef zich vergenoegd in de handen.

Het zaakje marcheerde prachtig.


1 Wettig betaalmiddel in Engeland. Zooveel als bij ons de papieren guldens en rijksdaalders.