Voordat Raffles wegging zette hij zich neder en schreef het volgende briefje:
Mijnheer.
Vanmiddag, toen ik bij de stallen was, gelegen bij de renbanen, bemerkte ik uit de verte twee mannen, die mijn aandacht trokken. Ik stelde mij verdekt op, wetende dat in deze tijden zoo veel misdadigers los loopen. Dichterbij gekomen, hoorde ik fluisteren en verstond dat er hedenavond een bijeenkomst zal plaats vinden van de zoogenaamde weddersclub. Ook hoorde ik den naam van Raffles en besloot men vooral maatregelen te nemen tegen een Arabier, Ben Amis, welke hier met een paard aanwezig is.
Misschien kunt u met deze weinige gegevens—meer kon ik er niet bekomen—iets bereiken.
Ik was zelf gaarne gekomen, maar moet heden voor zaken weg.
Hoogachtend,
JACKSON.
Hij—Raffles—nam een couvert en schreef het adres:
Aan
den WelEdel Gestrengen Heer
BAXTER
uit Londen,
Hoofd der Politie,
YORK.
Daarop liet hij Charly den brief naar een estafet aan het station brengen om den brief onmiddellijk te brengen op het Bureau van Politie.
Dit gebeurde en drie kwartier later liep inspecteur Baxter heen en weer te „ijsberen” in het bureau.
Den brief van Jackson hield hij geopend in zijn hand en „de vloo” keek zijn chef met groote oogen aan.
—De man wordt nu stellig gek—mompelde „de vloo”.
—Wat brom je daar weer?—stoof Baxter op.—[16]Uilskuiken! In plaats dat je mij helpt denken, zit je daar suf neer! Wat voer je eigenlijk uit?
„De vloo” stond op en „ijsbeerde” oogenblikkelijk mee met zijn chef.
En nu vertoonde zich het belachelijke feit dat Baxter met den wijsvinger aan het hoofd, „de vloo” precies eender, heen en weer stapte door het bureau.
Stond Baxter stil … „de vloo” stond als een paal.
Zuchtte Baxter … „de vloo” scheen aan pijn te lijden, want hij zuchtte zóó aandoenlijk dat wie het gehoord had, hem ondersteund zou hebben.
Slaakte Baxter een kreet, alsof hij een ontdekking deed, „de vloo” stiet een vreugdegeluid uit, precies alsof hij een schat vond van groote waarde.
En dan maar weer … acht passen heen!… acht passen terug … stilstaan,… zucht … vooruit … wéér stilstaan … kreet …
—Wat voer je in hemelsnaam uit?—brulde Baxter opeens, toen dit spel al meer dan een kwartier geduurd had.
—Ik help u denken, chef—antwoordde „de vloo”.
—Ruk uit …
—Chef?
—Wat moet je?
—Als we eens.…
—Raffles zochten, wil je zeggen, hè?
—Juist, chef.…
—Jonge man, ik bewonder je doorzicht … Maar hoe? Waar vinden wij dien kerel.
—Bij die wedclub.
—Maar waar vinden wij die?
—Chef, als ik nu eens iets zeggen mag?
—Ga je gang, Marholm. Geneer je niet.…
—Als wij nu eerst eens naar dien Ben Amis gingen. Hij wordt in dien lammen brief van Jackson genoemd. Misschien heeft de Arabier ook wel een brief gekregen.
—Wat denk je van dien Jackson?
—Dat is een ezel, chef.
—Op zijn minst genomen een ezelsveulen. Wij zullen uitvinden waar die kerel woont en hem behoorlijk straffen. De vent had mij, Baxter! onmiddellijk in kennis moeten stellen van dit feit. Zaken … zaken?… Politie gaat altijd voor … Naar Ben Amos, zeg je, hè?… Waarom lach je, hondsvot?
—’t Is Ben Amis, chef.
—Nu ja!… Ben Amis dan … Goed, laten wij er heen gaan, en de kerel moet al heel weinig praatjes maken of ik reken hem in.
—Maar chef, de kerel is toch volkomen correct geweest!
—Zwijg, ik kan de zwarte tronie van dien vent niet uitstaan.…
„De vloo” zweeg en toog met inspecteur Baxter op weg naar het „London Hotel”, waar zij Ben Amis te spreken vroegen.
Raffles had dit bezoek eenigszins verwacht, want natuurlijk zou Baxter toch wel onderzoeken of Ben Amis hem nieuws meedeelen kon.
Toen Baxter met „de vloo” binnenkwam, trad Ben Amis hen eenigszins gereserveerd tegemoet en vroeg met gedempte stem:
—Heb ik opnieuw beleedigd?
—Integendeel … waarde heer—viel Baxter uiterst vriendelijk Raffles in de rede.—Ik kwam juist even bij u om te toonen dat wij u wenschen te beschermen.
—Ook al beschermen?—vroeg Raffles, alias Ben Amis, met lichten spot.—Ben ik hier aangeland in een gekkenhuis? U wenscht mij te beschermen … Lord Bentfield wenscht mij te beschermen, wat moet ik daarvan denken?
—Mijnheer—sprak Baxter geërgerd—ik verzoek u eenigen eerbied te hebben voor mijn waardigheid.
—Met genoegen! Maar u zult mij toestemmen dat het mij wel zéér vreemd voorkomt al dat beschermen. Wij doen dat gewoonlijk zèlf.
—Maar hier is het een ander land. Ik ben bijvoorbeeld onmisbaar … omdat ik juist de burgers beschermen moet.
„Aangenaam”, dacht Raffles, „de kerel geniet dat hij over zichzelf spreken kan.”
—Wie is Lord Bentfield—vroeg Baxter daarop, probeerende, zooveel als maar mogelijk was, gewichtig te doen! [17]
—Een vreemd heer. Een man die met een pruik op en verf op zijn gezicht.…
—Raffles—riepen Baxter en „de vloo” tegelijk.
—Veel van gehoord—merkte Ben Amis alias Raffles lakoniek op.
—Maar man … beste bruinhuid … lieve, goede Arabier … dat is de man dien wij zoeken. Waarheen is die Lord Bentfield gegaan?
In vervoering greep Baxter „de vloo” vast, omhelsde hem en danste als een bezetene de kamer rond.
—O „vlooitje”—riep Baxter.—Hou me vast!… Eindelijk!… Hij is hier in dit kleine nest. Hij kan niet weg. Alle wegen laten wij afzetten! Hij kan niet weg!!… Jij bent een engel, Marholm, een genie … Als ik Baxter niet was.…
—Zou u Marholm willen zijn—zeide „de vloo” droog weg.
—Kerel, je gaat vooruit. Je bent veel vlugger van begrip … Lord Bentfield!!… Wie had dat gedacht … Ik zal hem „fielden”… De ure der wrake is daar.
Waarschijnlijk zou dit nog langer geduurd hebben, ware het niet dat Charly binnen was gekomen en aller aandacht ineens op hem geconcentreerd was.
—Weet gij iets naders, Saraj?—vroeg Ben Amis.
—Ik ben hem gevolgd, meester. In stal zeventien ging hij binnen en kwam enkele minuten later met twee andere mannen naar buiten. Zij liepen weer naar het marktplein terug, sloegen een steeg in en daalden in nummer drie naar beneden.
—Goed gedaan, Saraj! Dank je wel. Blijf hier. Misschien hebben de heeren jou nog iets te vragen.
Charly boog het hoofd en trad enkele schreden terug.
Baxter en „de vloo” gingen nu rustig zitten, want de manier van optreden, getoond door Ben Amis, was werkelijk imponeerend.
Ben Amis presenteerde den heeren een sigaar, zette zich tegenover Baxter neer en zeide:
—Het doet mij toch zulk een innig genoegen, dat u zoo prettig hier tegenover mij zit. Dit had ik waarlijk nooit gedroomd. Ter zake. ’t Zal zoowat een uur of twee geleden zijn, dat bij mij aangediend werd en binnentrad Lord Bentfield. Hij wilde mijn Aldabaran zien. Ik stemde niet toe. Ik vertrouwde hem niet. Toen vroeg hij mij of hij mij een jockey mocht aanbevelen. Alles zonder resultaat. Ik rijd immers zelf. Toen bemerkte ik dat hij met verf besmeerd was, en ander haar droeg dan hij van moeder natuur gekregen had. Ik maakte hem hierop opmerkzaam met het gevolg dat hij mij aanbood mede te werken tot een goeden afloop in de aanstaande weddenschappen.
—Hij is het!—stiet Baxter uit.
—Natuurlijk—meende Raffles, terwijl een ondeugend glimlachje hem langs de lippen vloog.—Ik voor mij ben in vergelijking van u slechts een leek op het gebied van politiezaken, maar me dunkt dat … eh!.…
—Raffles—viel Baxter dringend in.
—Juist, Raffles,—hernam Ben Amis—zit er achter. Jongmensch—vervolgde hij tot „de vloo”—u mag wel goed les nemen bij uwen chef die zoo groot man is en blijkt te zijn.
Baxter glom van genoegen. Hij zegende Ben Amis duizend maal en dacht, eerlijk gezegd, niet meer om Raffles, zóó was zijn eigenliefde en eigendunk bezig hem in te palmen.
Eindelijk dacht Baxter om zijn plicht en meteen riep hij uit:
—Waarde Ben Amis, waarom hebt ge mij niet eerder gewaarschuwd.
Raffles, alias Ben Amis, had deze vraag reeds veel eerder verwacht en daarom antwoordde hij onmiddellijk:
—Daar had ik geen gelegenheid voor en nam dientengevolge zelf maatregelen.
—Welke?
—Ik hoop, o groote man op het terrein der politie, dat het uwe goedkeuring zal wegdragen.
—Natuurlijk!—stemde Baxter al bij voorbaat toe.
Raffles genoot in alle opzichten.
—Wat deedt gij?—vroeg Baxter.
—Ik liet mijn Saraj hem volgen en gij zelf hebt gehoord welk een mededeeling de trouwe jongeling deed.
—Zij zijn dus in een huis gegaan?—vroeg Baxter aan Charly, alias Saraj. [18]
—O ja, heer!—antwoordde deze.
—Herinnert gij u nog welk huis?
—Wanneer ik als gids dienen mag, zal ik de heeren veilig daar brengen.
—Prachtig.
—Gaat u alleen, chef?—vroeg „de vloo”.
—Neen, jonge man, ik zal er wel alleen binnengaan en Raffles met zijn vlegels arresteeren, maar er moeten eenige agenten binnenkomen als ik er eenmaal ben.
—Zou het geen overweging verdienen, mijnheer de inspecteur, om de kerels voor goed te vangen? Ik bedoel door hen zichzelf zoo vast te laten werken dat zij nooit meer vrij uit kunnen gaan? Wanneer u nu alle netten uitzet, zullen de vogels ongetwijfeld gevangen worden, tenzij u nu natuurlijk zulke maatregelen te nemen weet, dat zij niet vrij uit gaan. Wij, Arabieren, houden niet van hinderlagen. Wij vechten met open vizier. En me dunkt, als u daar binnen komt, kunnen er wel zooveel mannen aanwezig zijn, met zooveel middelen tot ontvluchten, dat u de dupe wordt.
—Wanneer zij mij zien, zegt dat reeds genoeg, mijn waarde Ben Amis.
—Toch zou ik voorzorgsmaatregelen nemen.
Ook „de vloo” raadde dit sterk aan en Baxter liet zich overhalen.
—Waarom—zoo vroeg Raffles,—zoudt u niet met dezelfde maat meten als zij. Verf u ook en trek andere kleederen aan.
—Ja. Dat is een idee. Maar welke?
—Ik weet—hernam Ben Amis—goeden raad. Gij waart zoo vriendelijk mij te beschermen. Ik stel dat op zeer hoogen prijs nu! Waarom zou ik u mijn diensten niet aanbieden? Lord Bentfield is bij mij gekomen. Hij kent mij dus. Hij deed mij zeer mooie financieele voorstellen. Geef u uit voor Ben Amis en begin de zaak uit te hooren.
—Waarde Ben Amis—zeide Baxter diepbewogen—ik ben getroffen door uw wijze van optreden! Het is mij buitengewoon aangenaam met u kennis te hebben gemaakt. Ik zal uw naam blijven zegenen! Uw aanbod is zeer aannemelijk, doch hoe kom ik bij die vlegels binnen?
—Saraj!—riep Ben Amis.
—Ja, heer!—antwoordde deze direct.
—Ga naar het huis van die steeg, welke gij gezien hebt. Klop aan en vraag wanneer uw heer verwacht wordt. Voeg er bij dat ik de plannen van Lord Bentfield aanneem.
Meteen gaf Ben Amis, alias Raffles, Saraj, alias Charly, een wenk zonder dat deze door Baxter of „de vloo” opgemerkt werd.
Buigend vertrok Charly en keerde ongeveer een half uur later terug. Hij was niet buiten het hotel geweest, want Raffles’ wenk had hij volkomen begrepen!
Inmiddels had Baxter een costuum van een Arabier aangetrokken en zijn gelaat en handen bruin gemaakt met een kleurenmengsel dat een hotelbediende in de eenige apotheek die York bezat, gehaald had.
Charly trad op Baxter toe, boog en zeide:
—Heden om half twaalf wordt gij verwacht in de Jasonsteeg nummer drie. Tweemaal kloppen, eenmaal fluiten, driemaal „Aldabaran” zeggen.
—Goede hemel, dat is een gansche les. Schrijf me dat even op, Marholm.
Marholm, of-te-wel „de vloo”, schreef het op, en alles was gereed tot vertrek.
Baxter was ongeduldig.
Hij wilde maar direct weggaan, zou zich verdekt opstellen om op die manier te weten te komen, hoeveel mannen daar binnengingen.
Aldus gebeurde.
Even half elf vertrok Baxter met „de vloo”, uit geleide gedaan door Saraj.
Raffles maakte zich gereed om heen te gaan naar stal nummer zeventien.
Baxter liep als Arabier door de stille straten van het kleine York. [19]