Raffles, die inderdaad Lord Bentfield had laten volgen en dus wist waar de bijeenkomst plaats zou vinden, had reeds lang zijn werkplan vastgesteld en spoedde zich nu met snelle schreden naar stal nummer zeventien bij de renbanen, waar over enkele uren—overmorgen—alles één leven en beweging wezen zou!
Toen Raffles naderde trad een donkere gedaante op hem toe, en hoorde hij een stem zeggen:
—Wat is er?
—Aldabaran—antwoordde Raffles.
—Voor wie?
—Voor Lord Bentfield.
—Gaat binnen!
—Beste kameraad—zeide Raffles—er is onraad, roep om hemelswil Lord Bentfield.
—Hier ben ik, Ben Amis—antwoordde een stem.—Ik hoorde u. Braaf dat ge gekomen zijt.
—Beste Lord, er moet gehandeld worden! Ik ben waarachtig meer uw vriend dan gij misschien wel denken kunt.
—Spreek! Vlug! Niet te luid! Wat is er?
—De politie heeft ons ontdekt.
—Onmogelijk.
—Toen gij bij mij waart, heeft men ons beluisterd. Naast mij is een inspecteur uit Londen gelogeerd. Deze was thuis en heeft woord voor woord verstaan!
—Baxter!—stamelde Lord Bentfield.
—Juist. De naam doet er thans weinig toe. Ik heb maatregelen genomen en gij kunt u redden.
—Hoe?
—Ik heb dien inspecteur zoo omgepraat dat hij als Ben Amis bij u komen zal. Hij scheen te weten waar uw vergaderlokaal is en gaat daarheen. Hij is gekleed evenals ik, zijn gelaat is bruin geverfd. Geef hem een gevoelige les en ga er van door. Kom morgen gewoon als jockey bij mij. Het geld moet goed verdeeld worden.
Ademloos had Lord Bentfield geluisterd en zoodra hij alles gehoord had, floot hij driemaal op een eigenaardige manier, waarop een man te voorschijn kwam.
—Vlug. Allen naar de Jasonsteeg. Met maskers. Ik dank u, Ben Amis—sprak de kerel—morgen spreken wij nader.
—’t Zal mij aangenaam wezen—zeide Raffles, terwijl hij naar York terug wandelde.
In ieder geval wilde hij den afloop der geschiedenis bijwonen en begaf hij zich zonder eenige haast te toonen naar een restaurant op de markt, dicht bij de Jasonsteeg.
Niettegenstaande York maar een klein plaatsje was, waren de restaurants thans nog open wegens het jaarlijksche bezoek van verscheidene sportmenschen.
Raffles zette zich neer in een aangenaam hoekje, bestelde zich een drank, stak een fijne sigaar aan en wachtte de dingen af die komen zouden.
... ... ... ... ... ... ... ... ... ...
Lord Bentfield en zijn makkers waren vergaderd in de achterkamer, uitkomende in den tuin van het groote huis, bekend onder nummer drie in de Jasonsteeg.
Hier woonde een lid van de wedders-club en hij had met medeweten en goedkeuring op kosten van de leden der club de achterkamer geheel als vergaderlokaal ingericht met inachtneming van alle maatregelen [20]om het vergaderlokaal volkomen geluidloos te maken en te doen zijn.
Hier waren op ’t oogenblik een twaalftal mannen bijeen, de een al ongunstiger type dan de andere.
Af en toe ging de deur mechaniek open en trad er weer iemand binnen, totdat er ongeveer een twintigtal personen aanwezig waren, onder wie een zestal jockey’s, die deel zouden nemen aan de jaarlijksche wedrennen van York.
Zoodra Lord Bentfield binnen was gekomen—hij was een der laatste—overzag hij den kring zijner vrienden en nam plaats aan ’t hoofd der lange tafel, die in ’t midden der kamer stond.
Hij noodigde allen uit om plaats te nemen en sprak daarna in een zeer vlug tempo:—Kameraden! Er is een onheil over ons gekomen. Op ’t oogenblik is het mij niet te doen om te onderzoeken wie van ons iets heeft laten ontvallen, dat de politie achter onze schuilplaats en onze geheimen is gekomen.
Hierop ontstond een geweldig tumult. Iedereen pleitte zich vrij, iedereen zag zijn buurman voor een verrader aan, iedereen raasde en tierde.
Lord Bentfield hamerde geweldig en verzocht of allen, met het oog op de komst der politie, kalm wilden zijn en zoo noodig handelen.
—Ik heb, dank zij ontzaggelijk veel moeite, beslag weten te leggen op een man, die ons veel zorg heeft gebaard. Ben Amis uit Alexandrië, eigenaar en berijder van den Arabischen hengst Aldabaran, komt tot ons over. Hij heeft mij evenwel op ’t oogenblik al den zeer grooten dienst bewezen om onzen vijand—de politie—aan ons over te leveren.
Hierop verhaalde Lord Bentfield de geheele geschiedenis welke Raffles hem had medegedeeld.
Een toornig gemompel werd vernomen. Allen hadden een meening, ieder vond zijn idee het beste voor uitvoering vatbaar.
—Wij moeten—zoo sprak Lord Bentfield—in de allereerste plaats de politie, die verschijnen zal in de gedaante van den dikken Baxter, een poosje hier houden. Wij kunnen ons vermaken.… Maskers vóór, gebood Lord Bentfield een oogenblik later, want driemaal werd er gefloten op een instrument dat in de zoldering was aangebracht, en in verbinding stond met den portier.
De maskers werden voorgedaan.
Er naderden voetstappen, die voor de deur van het vergaderlokaal stil hielden.
Tweemaal hoorden de aanwezigen op de deur kloppen. Toen een gefluit.
Het lid der vergadering belast met de opening en sluiting der binnendeur, stond op en vroeg op luiden toon:
—Wie daar?
Driemalen klonk toen Baxter’s stem:—Aldabaran! Aldabaran! Aldabaran!
De deur opende zich als vanzelf en Baxter’s welgedane lichaam, omkleed met Arabische kleederen, trad binnen in de vergaderzaal, waar niets anders dan gemaskerde mannen zaten die bijna geen notitie van den binnentredende namen.
—Lord Bentfield!—riep Baxter op een gebiedenden toon, waar desniettemin een trilling van angst in was waar te nemen.
—Welkom! Ben Amis! Welkom in de vergadering van de club der wedders—zeide Lord Bentfield.
Baxter herademde! Alleen die beroerde maskers! Wie was Raffles nu? Zeker die Lord Bentfield. „Wacht maar, mannetjes, Baxter is er nu en zal zijn slag slaan,” mompelde hij bij zichzelf.
—Mijne heeren—zoo vervolgde Lord Bentfield.—Het doet mij innig genoegen dat ik u mag voorstellen den eigenaar en berijder van den schoonen hengst „Aldabaran”. Ja, mijne broeders, Ben Amis zal ons, wanneer wij hem een gunstig aanbod zullen doen, in de gelegenheid stellen goede zaken te maken. Neemt u plaats, Ben Amis, en wij zullen uw voorstellen overwegen.
Baxter was een beroerte nabij.
Waar bleven nu de agenten?
Waar „de vloo”.
Hier kwam hij nooit uit.
En dan die boeventronies.
Hij vervloekte het uur waarop hij hier binnengekomen was.
Natuurlijk begreep hij volkomen dat hij wilde er [21]eenig succes op zijn pogen komen, mee moest doen.
Tot zijn groote ontsteltenis herinnerde hij zich evenwel dat Ben Amis hem wel gesproken had van plannen door Lord Bentfield geopperd, maar niet welke.
Als men hem dus vroeg om eenig antwoord, dan zou hij òf niet kunnen antwoorden òf het gansch verkeerd doen.
Daar had men ’t al.
Lord Bentfield vroeg:—Heeft Ben Amis nagedacht over hetgeen ik hem zeide bij mijn bezoek in zijn Hotel?
—Ja!—stamelde de verschrikte Baxter—maar eh!… eh!… ik wilde nog wel eens opnieuw hooren wat de voorstellen eigenlijk zijn.
—Me dunkt dat ik duidelijk genoeg gesproken heb. Ben Amis behoeft zich niet te verschuilen achter eenig masker, want wij hebben bij zijn binnenkomen geconstateerd, dat hij evenals wij, zich gemaskerd heeft.
Baxter rilde!
De kerels sprongen woedend op en schreeuwden van alles door elkander.
—’t Is een verrader!… Maakt hem van kant!… Weg met hem!…
Het koude angstzweet parelde Baxter op zijn voorhoofd.
Waarom kwam „de vloo” niet met de agenten?
Ah! zijn bevelen waren natuurlijk weer in den wind geslagen.
Lord Bentfield hamerde met zijn voorzittershamer verschrikkelijk op de tafel en bezwoer voor enkele minuten den storm van verontwaardiging, welke er dreigde los te breken in de vergaderzaal der wedders.
—Mijne heeren,—zoo riep Lord Bentfield—laten wij eerst eens kalm overleggen wat wij doen moeten.
—Schiet hem dood!…—brulde er een.
—Genade!… kermde het hoofd van Scotland Yard.
—Kleedt hem uit en geeselt hem—opperde een ander.
—Om Godswil, laat mij vrij—smeekte Baxter, die bemerkte dat hier alles bloedige ernst was.
—Houdt hem gevangen tot na de wedrennen—sprak een derde,—daarna leveren wij hem over aan de Londensche politie met de boodschap er bij, dat hij het is die de weddenschappen gewonnen heeft.
’t Was alsof een afgrond zich vóór Baxter opende. Hij las de kolommen vol over „Baxter als oplichter”. Hij zag zijn ondergeschikten met wreeden grijnslach op ’t gelaat. De menschen genieten immers over ’t algemeen van leedvermaak! Hij zag „de vloo” fijntjes lachen om deze nieuwe truc van Raffles. Natuurlijk! natuurlijk!… Lord Bentfield was Raffles. ’t Kon niet anders. ’t Was zoo! En zóó dicht bij dien sloeber te zitten en hem niet gevangen kunnen nemen.
Baxter barstte van nijd.
—Me dunkt—hoorde Baxter opnieuw zeggen …—me dunkt dat wij allereerst moeten beginnen met te zien wie of Ben Amis eigenlijk is. Wie weet, waarde kameraden, is het nog een goede kennis van ons, die ons een grap wil doen beleven.
—Goed!—klonk het van alle kanten.
—Breng water en zeep!—gebood Lord Bentfield.
Verscheidene personen kwamen in botsing met elkander doordat men allerwegen opstond om het verlangde te gaan halen.
Verwenschingen werden gehoord en de verwarring was volkomen.
Baxter’s ledematen weigerden dienst te doen. Als van den bliksem getroffen zat hij terneer.
Eindelijk luwde het rumoer en er werd water en zeep gebracht.
Twee stevige kerels grepen Baxter aan en hielden hem vast.
Toen trad Lord Bentfield nader, greep Baxter bij zijn pruik en rukte deze met woeste kracht af.
—In Arabië heeft men een zonderlingen haardos!—grappigde Lord Bentfield.
Meteen wierp hij de pruik neer en nu ontstond er zulk een koddig tooneel, dat zelfs Baxter een oogenblik moest glimlachen.
Zoodra de pruik op den grond lag, vielen enkele mannen er met een waar Indianengehuil op af en worstelde men om het bezit der pruik. [22]
Nu eens was zij in deze, dan in gene handen, zoodat de vlokken haar er afvlogen.
En toen ten slotte een hunner de pruik voor goed bemachtigd had, zette hij het ding, gehavend en wel, op het hoofd, wat zulk een potsierlijk gezicht was dat er een donderend lachsalvo weerklonk uit de kelen der aanwezigen.
Lord Bentfield ging nu over tot het bewerken van Baxter’s gelaat.
Baxter’s hoofd werd als met ijzeren tangen door twee paren handen vastgehouden en Lord Bentfield overgoot zijn gelaat met veel water, waarna hij met een stuk zeep begon te werken.
Baxter steunde!… raasde!!… tierde!!… vloekte als een ketter, zwoer bij hemel en aarde dat hij een geheel regiment politie-agenten op het „adderengebroedsel” los zou laten en brulde dat men op zou houden.
Lord Bentfield bleef „door zeepen”.
Baxter’s gelaat was onherkenbaar.
Het schuim zat hem in ooren, neus, oogen en mond, sijpelde in zijn hals, op zijn rug en borst, en nog steeds zeepte Lord Bentfield voort … als een razende Roland.…
De mannen brulden van ’t lachen … sloegen zich op de knieën van pret en moedigden met allerlei kreten hun voorzitter aan om verder te gaan.
Eindelijk,—Baxter’s gelaat geleek nu wel een waschtobbe vól schuim—hield Lord Bentfield op.
Baxter zat als een toonbeeld van ellende neer en schreeuwde het uit van pijn.
Hij deed wanhopige pogingen om zich in de oogen te wrijven, maar zijn handen werden vastgehouden.
—Emmers water!—gebood Lord Bentfield.—Wij zullen hem even afspoelen.
—Zet hem op de plaats onder de pomp!—schreeuwden verscheidene stemmen!
—Hoera!… Hoera!… Dat is een goed idee! Aangenomen, kameraden. ’t Zal hem meteen opfrisschen.
Baxter voelde zich optillen en wegdragen. Verzet kon hij niet meer plegen. Hij voelde zich op en geslagen! Wat er met hem gebeuren zou, ’t was ál precies eender, hij moest.
Enkele seconden later voelde hij de koude nachtlucht om zich heen waaien en bemerkte hij dat hij buiten was.
De zeep beet hem in de oogen en zijn gansche gelaat deed hem pijn.
Men was thans bij de pomp.
Baxter’s hoofd werd onder de waterbuis gehouden en een piepend geluid bewees, dat de hefboom, waaraan de zuiger der pomp bevestigd was, in werking werd gesteld.
Een kouden waterstraal voelde Baxter op zijn gelaat.
Het water plaste en gutste op zijn gansche hoofd.
—Br!… houdt op!… Br!… Ik ga dood … Br!… Genade!…
Nadat de pomp gedurende een aantal minuten ettelijke liters water op Baxter’s hoofd had doen stroomen, hield men op en droeg men het hoofd van Scotland Yard weer naar binnen.
Met handdoeken werd zijn hoofd zoodanig „bewerkt”, dat een gloeiende hitte zich verspreidde over zijn gansche bovenlichaam.
Doch ook hieraan kwam een einde en toen men ophield en Baxter’s dik, bol, opgezet gelaat was waar te nemen in het volle licht, riep men eenparig:
—Baxter!!— —
Baxter zelf was niet bij machte om iets te zeggen. Een gevoel van slaap kwam bij hem op en alles vond hij op dat oogenblik goed.
De mannen besloten Baxter gevangen te houden en twee hunner werden aangewezen om hem te bewaken.
Daarna vertrok men zoo geheimzinnig mogelijk.
Baxter sliep, gelegen in een hoek, den slaap des rechtvaardigen.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Zoodra Raffles gezien had dat Baxter naar binnen was gegaan in het huis nummer drie van de Jasonsteeg, was hij naar de telefooncel geloopen en had verbinding gevraagd en gekregen met het politie-bureau.
Baxter had immers „de vloo” weggestuurd toen zij samen op weg waren met het doel naar de bijeenkomst der wedders te gaan, met het bevel: „Kom over een uur met veertig agenten daar naar toe.” [23]
Raffles vermoedde dit en thans deed hij precies alsof hij Baxter was. Zoo men weet verstond Raffles uitstekend de kunst om Baxter te imiteeren.
—Hallo! Met mr. Marholm?
— — — — —
—Roept hem dan even!
— — — — —
—Mr. Marholm? Met Baxter! Zeg eens, uilskuiken, je moet niet komen. Ik heb een schitterende ontdekking gedaan. Gaat onmiddellijk naar Londen en breng twintig agenten van Scotland Yard meê. Groote kerels, begrepen? Overmorgen terug. Ik heb ze in de val. Maar ik moet nog meer succes hebben.
— — — — —
—Wat zeg je? Brutaal? Vlegel, doe direct wat ik beveel. Zeg niets tegen dien Ben Amos. Ik wil het alleen eens klaarspelen.
Mr. Marholm, die gewoon was aan dergelijke nukken van zijn chef, besloot dan maar in hemelsnaam te gehoorzamen, ontbond den door hem geformeerden troep politie-agenten en vertrok den volgenden morgen naar Londen, zich afvragende waar zijn chef wel wezen mocht.