Er heerschte reeds vroeg in den morgen een buitengewoon groote drukte op den weg die van York naar de renbanen liep.
Duizenden menschen verdrongen zich voor de bureaux van plaatsbewijzen en langzaam aan stroomden de tribunes vol met bezoekers en bezoeksters van de meest uiteenloopende karakters en typen.
De commissarissen van orde liepen druk heen en weer, wezen de menschen den weg en hadden het zoo druk, dat zij bijna over hun eigen beenen struikelden.
De jury met de keuringscommissie stonden nog met elkander te praten, terwijl de agenten van de wed-bureaux reeds bezig waren verschillende namen in te vullen op de voor de weddenschap benoodigde formulieren.
Het was een fantastisch gezicht, kleuren van allerlei schakeering boeiden het oog en bedrogen de voorteekenen niet, dan zou men getuige zijn van een spannenden wedstrijd.
Ben Amis en „Aldabaran”, dàt waren de twee namen, die op aller lippen waren en men hunkerde naar het tijdstip, waarop de stallen geopend zouden worden.
Raffles, alias Ben Amis, had ’s morgens zeer vroeg zijn Aldabaran in een stal bij de renbanen gebracht, omdat men vóór den wedstrijd de paarden, welke deel wenschten te nemen aan de wedrennen, keuren moest.
Ook daarbij bestonden prijzen en het was nu reeds bekend geworden, dat de keuringscommissie, bestaande uit de beste veeartsen van Engeland, in overeenstemming met de jury, besloten had, met algemeene stemmen, de eere-prijzen voor vorm, gezondheid, kleur en leeftijd toe te kennen aan den volbloed Arabischen hengst „Aldabaran”.
Raffles genoot in stilte en bemerkte zeer goed, dat Lord Bentfield zich verheugde in dit alles. Het zou immers de zaken der wedclub ten goede komen?
— — — — — — — — — —
Elf uur!
Een schot viel!…
Twee en twintig staldeuren werden geopend en even zooveel paarden, bereden door in allerlei kleuren uitgedoste jockey’s vlogen naar de loge der jury, waar de startlijn gespannen was.
Kreten van opwinding, van blijdschap, van verrukking, van geluk, werden vernomen en aller halzen rekten zich uit om toch vooral niets te verliezen van alles wat er gebeuren ging.
Toch verheugde zich niemand meer dan Ben Amis in de algemeene belangstelling.
Fier, rechtop, zat in kleurig met goud afgezet costuum Raffles op den rug van „Aldabaran”.
De bruine, gouden kleur van Aldabaran’s huid glom als een spiegel, de ranke pooten werden regelmatig opgetild en neergezet, de kop werd trotsch opgeheven, de oogen schoten vuur, de neusgaten waren wijd opengesperd.
„Aldabaran” was een toonbeeld van fierheid, kracht en schoonheid.
Een gejuich steeg op toen Raffles met de hand aan zijn hoofddoek salueerde.
Nogmaals werd door een der juryleden het reglement op de wedrennen voorgelezen, waarna de deelnemers zich ten rij schaarden voor de lijn.
Ademlooze stilte.
Iedereen lette op de twee en twintig paarden in verschillende kleuren, van ongeveer dezelfde grootte.
Het oogenblik van afrit was daar.
Weer klonk een schot …
Als door onzichtbare handen werd de startlijn weggenomen,… [27]de paardenlichamen strekten zich en voort ging het.
Donderend weergalmde het uit duizenden kelen „hoera”.…
De wedrennen waren begonnen.
De twee en twintig paarden moesten driemaal de baan rennen. Wie deze drie „rondes” in een bepaalden tijd had afgelegd, werd gevoegd in de tweede groep. De tweede groep reed een half uur later weer af, op dezelfde wijze. Dan werd de derde groep gevormd. Daarna de vierde en ten slotte de eindwedstrijd, waar het ging om het feit wie van de deelnemers het éérst de drie „rondes” had afgelegd.
Reeds spoedig bemerkte men, dat de strijd vinnig worden zou.
Snuivend vlogen de paarden over de baan. De lichamen gestrekt, de pooten ver vooruit werpend, liepen zij in snellen gang voort.
De jockey’s vuurden hun dieren aan, door woorden, door gebaren, alleen Raffles zat kalm op „Aldabaran”’s rug en liet het edele dier den vrijen teugel.
Twee „rondes” waren al gereden … de derde kwam aan … Verschillende jockey’s waren nog niet aangekomen van hun tweede baan, toen de anderen voor de derde maal de baan opvlogen.
— — — — — — — — — —
De derde was geëindigd.…
Een half uur pauze!
Twaalf paarden, van wie „Aldabaran” nummer één, hadden binnen den vastgestelden tijd de banen afgerend. De anderen werden uitgeschakeld.
De tweede groep kwam in ’t veld, en weer renden de paarden, weer vuurden de jockey’s hun dieren aan … weer juichte, stampte, schreeuwde het publiek en weer vielen er een aantal paarden af.
De derde groep moest beginnen met acht paarden, van wie andermaal „Aldabaran” nummer één.
—De kerel rijdt uitmuntend—merkte Lord Bentfield op.
—Als hij ons maar niet bedriegt—merkte een ander gemelijk op.
—Heb je gezien—vroeg een derde—dat dat paard nog geen vermoeienis toont?
—De groote pauze komt nog. Daarna de weddenschappen. „Mary” houdt zich óók goed. En ik vertrouw op Ben Amis,—besloot Lord Bentfield.
De vierde groep was inmiddels op de baan gekomen met vier paarden. „Aldabaran” was en bleef nummer één en toen de groote pauze kwam, vóór de eindbeslissing, waren er nog overgebleven voor den kamp „Aldabaran”, „Mary” en „Tom Tit”. Drie paarden op wie aller aandacht gevestigd was.
En in de groote pauze, die tot half vier duren zou, begonnen de weddenschappen al.
Het publiek was dol!
Iedereen wilde wedden op … „Aldabaran”.
De agenten, leden van de club der wedders, op „Mary”.
—Een tegen tien … tien tegen dertig … dertig tegen zestig … vijf en twintig tegen vijftig … honderd tegen duizend.…
Van alles hoorde men roepen en de formulieren gingen van hand tot hand.
Duizenden menschen wedden … kleinere en grootere bedragen … en men zag allerwegen opgewonden gezichten.…
Charly wedde ook.
—Honderd tegen duizend op „Mary”—voegde de agent hem toe, die niet wist dat Charly alles wist.
—Dank je. Ik wed op „Aldabaran”.
—Goed. Hoeveel?
—Duizend tegen tienduizend!
De agent sprong achteruit en brulde: „Een dief!”
Onmiddellijk waren verscheidene politie-agenten aanwezig. Met groot misbaar deelde de agent mede wat hem zóó schrikken liet.
Charly opende evenwel een portefeuille en toonde onder enorme belangstelling tien banknoten van duizend pond sterling.
De politie was tevreden en de agent hapte gretig toe, sloot een contract af op „Mary” tegen „Aldabaran” en zag zich al eigenaar van tien duizend pond sterling.
Doch wat Charly bij dien eenen agent had gedaan, deed hij ook bij de anderen en toen de groote pauze om was, hadden de leden der club een bedrag van [28]zes en zeventig duizend pond gezet op „Mary”, doch het publiek achthonderd negen en negentig duizend pond op „Aldabaran”.
Zelfs adellijke lieden, tegenwoordig bij de wedrennen, hadden voor zeer aanzienlijke bedragen gewed en Lord Bentfield bedacht bij zich zelf dat hij Ben Amis de duizend pond belooning best zou kunnen schenken.
— — — — — — — — — —
Men was gereed voor de eindbeslissing. „Aldabaran” stond naast „Mary” en deze naast „Tom Tit”.
Het publiek hijgde van inspanning.
De jury nam plaats.…
Het schot klonk over de banen …
Het touw viel.…
De paarden schoten vooruit.
Raffles reed met dezelfde gemakkelijke houding als ’s morgens en het scheen wel alsof de hengst nog vlugger was dan toen.
„Mary” hield hem aanvankelijk bij, maar bij de eerste halve ronde schoot „Aldabaran” vooruit, zoodat de beide anderen achterbleven.
Bij de tweede ronde viel „Tom Tit” uit, doordat het dier een spat kreeg aan een der achterpooten en dus niet meer meê kon doen.
De clubleden zagen, evenals het publiek, gestadig in klimmende spanning naar de beide paarden.
De tweede ronde was begonnen en „Mary” werd op een wanhopige manier voortgezweept.
Raffles zat onbewegelijk.
Niets wees er op, wat hij in zijn schild voerde.
Langzaam verminderde „Aldabaran” vaart.…
„Mary” haalde òp.…
Het publiek werd wild.
—Toe, Arabier … geef den teugel … Vooruit!…
Onbeschrijfelijk was de opwinding.
De clubleden begonnen te smalen, zeker als zij meenden te zijn van hun overwinning.
Want nog steeds won „Mary”.
De spanning werd angstig!…
Het publiek begon op Ben Amis te schelden; alleen Charly bleef rustig en zeide tegen een heer, die naast hem zat:
—Let op. Straks gebeurt er iets.
De derde „ronde”.…
Reeds was de baan half afgelegd, en nog was „Mary” voor.
De leden der club genoten!
Toen, iedereen was er van overtuigd dat „Mary” winnen zou, een oorverdoovend gejuich.…
„Aldabaran” steigerde hoog op en vloog daarna als een pijl uit den boog voort.
Zijn lichaam raakte bijna den grond.
Steeds sneller ging het …
Ben Amis was één met het edele dier, dat al maar meer inliep op „Mary”…
Zijn kop was bij „Mary” ’s achterpooten …
„Mary” ’s berijder hief zijn zweep op en sloeg naar „Aldabaran”, die toen juist „Mary” voorbij stoof.
Nu kende de verontwaardiging van het publiek geen grenzen meer. Men brulde van moord en doodslag en de politie had handen vol werk om te zorgen dat het publiek de balustrades niet overkwam om „Mary” ’s jockey te straffen voor zijn euveldaad.
Raffles had dit evenwel verwacht en met ijzeren vuist had hij de teugels gegrepen toen de slag op „Aldabaran” ’s lichaam neerkwam.
Als een wervelwind rende het paard voort en had, toen Raffles het tot stilstand bracht, de wedrennen glansrijk gewonnen!…
Als een koning werd Raffles toegejuicht, „Mary” ’s jockey werd onmiddellijk gevangen genomen en toen het publiek een stormloop ondernam op de bureaux van de wed-agenten, was er niemand te vinden, die van uitbetalen wist.
Ondanks het oordeelkundig optreden der politie, werden er vele gebouwtjes en tenten vernield.
Enkelen waren verstandiger en redeneerden:
—Wij hebben niets gewonnen, maar ook niets verloren.…
— — — — — — — — — —
Ben Amis’ naam werd dien dag luide gezegend. [29]