[Inhoud]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Baxter.… èn de ontknooping.

Zoodra de leden der wedclub gezien hadden wat er gebeurd was, en getuige waren van het feit dat de Arabier winnen ging, achtten zij het hoog noodig een goed heenkomen te zoeken.

Zij verlieten zoo spoedig mogelijk de banen en kwamen later te zamen in hun geheim clubgebouw, waar nog steeds Baxter gevangen zat.

Juist toen de wedrennen waren afgeloopen, ging men over tot het beraadslagen „wat te doen”.

Lord Bentfield was woedend en zwoer een duren eed, dat hij zich op „Ben Amis” wreken zou.

Alle leden waren het roerend met hem eens.

Dit moest gebeuren. En wel zoo spoedig mogelijk.

Men besloot een lid naar het „London Hotel” te zenden, om Ben Amis te complimenteeren en meteen moest deze den Arabier treffen.

Alles werd daartoe in gereedheid gebracht, evenals alle maatregelen om daarna zoo spoedig mogelijk te vertrekken.

Iedereen grimeerde zich, iedereen gaf zich een ander uiterlijk, opdat niemand zich herkend zou zien door het publiek.

Toen men gereed was, dacht men aan Baxter.

Wat daarmee gedaan?

—Ik weet een prachtig plan. Wij zullen hem grimeeren en een ander costuum aantrekken!

Prachtig vond men dit voorstel en al werd er ieder oogenblik gevloekt en getierd om al den tegenslag en schade, die Ben Amis hun veroorzaakt had, dit was toch een kleine vergoeding.…

Baxter werd onder veel tegenstribbelingen naar voren gebracht en een half uur later was hij onherkenbaar gemaakt door baard en knevel, die zóó vast waren gemaakt, dat hij minstens een uur met water betten moest om het gegrimeerde los te maken.

En water was er niet.

—   —   —   —   —   —   —   —   —   —

Raffles ging, nadat hij „Aldabaran” had toevertrouwd aan de zorgen van Tom en Jack, die het dier onmiddellijk naar Londen vervoerden in een daarvoor speciaal gemaakte auto, naar het hotel, vroeg zijn rekening en vertrok met Saraj naar het station, om per eerste gelegenheid naar Londen te kunnen gaan.

Haast maakte Ben Amis niet, want zijn werk was nog niet geëindigd.

Hij wachtte „de vloo”.….

Deze moest nu arriveeren, want toen Raffles als Baxter door de telefoon met „de vloo” gesproken had, had hij juist dezen tijd genoemd.

En werkelijk.

Aan het hoofd van een groot aantal stoere agenten van „Scotland Yard” kwam „de vloo” aangemarcheerd.

Ben Amis trad op hem toe, en vertelde hem de wonderlijke geschiedenis van Baxter’s verdwijning. Zelfs het publiek had,—volgens Ben Amis—gemompeld, dat Raffles eigenlijk Baxter was en dat deze thans met de wedders gevlucht was.

Zóó overtuigend was Ben Amis’ betoog, dat „de vloo” uitriep:

—Ik heb altijd wel gezegd dat mijn chef eens een dwazen streek zou doen.

—Doe een inval, mr. Marholm—riep Raffles—in het huis der wedders. Maak geen onderscheid. Neem iedereen gevangen. Breng ze naar Londen en [30]ik zal bij mijn consulaat uw naam noemen als een der beste politie-ambtenaren.

„De vloo” bloosde.

—Niemand, al noemt hij zich Baxter!—zoo riep hij uit—komt vrij. Weet u dat huis?

—Ik niet, maar Saraj wèl.

—Mag hij mij den weg wijzen?

—Gaarne!

Vlug marcheerden de mannen nu voort.

„De vloo” was in actie.

Vele nieuwsgierigen liepen mee.

Saraj bracht „de vloo” bij het huis nummer drie Jasonsteeg.

Onmiddellijk werd het huis omsingeld en alle uitgangen bezet. Door middel van den toegang van andere huizen, slaagde men er in den tuin ook af te zetten.

Toen drongen met groot geweld verscheidene politie-agenten naar binnen.

De clubleden hoorden het geraas, en niet verdacht op zulk een inval, openden zij de deur om te zien, wat of er gaande was.

Toen men de deur eenmaal geopend had, was het te laat. De agenten drongen voorwaarts, grepen met kracht de mannen aan en de mechanieke boeien bewezen uitstekende diensten.

Boven alles uit hoorde men Baxter’s geluid.

—Goed zoo, mannen! Laat er niet één vrij … Helpt mij! Ik ben immers Baxter,—riep hij, toen niemand op hem meer lette dan op de anderen.

—Houd je muil, Raffles!—beet „de vloo” hem toe.

—Mr. Marholm!… kent ge mij niet meer? Ik ben, ’t is waar, wel eens ruw tegen je, maar ’t zal nooit meer gebeuren!

—Zoo—lachte „de vloo”.—Neen, Raffles, op mij moet je je kunsten niet probeeren. Mijn chef laat ik er buiten. Dien kan jij bedotten, omdat ’t zelf zoo’n ezel is. Maar mij zul je leeren kennen, vriend!

Baxter was geen mensch meer.

Hij schold op het „ezelsveulen van een Marholm”, dat het hooren en zien verging, maar hoe hij ook sprak, niemand geloofde hem.

Hij werd met de andere leden der club naar buiten gebracht, waar het publiek schold en jouwde op de oplichters.

Drie uren later kwam de bende aan op „Scotland Yard”, waar een hoofdambtenaar van justitie aanwezig was.

Want Raffles had zich reeds eerder naar Londen begeven—met het oog op de wedrennen reden er dien dag vele extra-treinen,—en had als Ben Amis de geheele toedracht der zaak verteld.

Op het Paleis van Justitie was men van meening, dat dit toch te ver ging met inspecteur Baxter en men wilde thans grondig ingelicht worden, hoe alles gebeurd was.

Groot was de ontzetting van Baxter, toen hij dezen ambtenaar zag zitten.

—Waar is het hoofd van Scotland Yard?—vroeg de ambtenaar gestreng.

—Die ben ik!—piepte Baxter.

—Geen praatjes hier. Al hebt gij mij menigmaal doen schudden van lachen, Raffles, eens komt er een einde aan dit alles. Gij hebt met Baxter, die een groote nul is, menigmaal gespeeld als een kat met een muis; ik wil thans weten waar de man is.

—Maar hij staat voor u.

—Bedenk wel, dat gij uw straf verzwaart!

—Maar ik … ik ben Baxter zelf. Geef mij water!…

—O! ik stik.… en ik zal u bewijzen dat ik Baxter ben!.…..

Hierop vertelde hij onder groote hilariteit het gebeurde en toen hij na ernstige pogingen er in slaagde de grime los te maken, kwam Baxter beschaamd te voorschijn.

Van dat oogenblik af liep alles goed van stapel. De mannen, leden der club, werden verhoord en gevangen genomen.

Men meende nu eindelijk in Lord Bentfield Raffles gevonden te hebben.

Groot was evenwel de woede, en de verbazing toen Baxter en de ambtenaar van justitie een kort briefje ontvingen van denzelfden inhoud: [31]

Geachte Heer.

Ben Amis vleit zich, dat hij een bende oplichters die niet, zooals ondergeteekende, een daad doen tot heil van ’t algemeen of van den enkeling, in uw handen heeft gevoerd. Hij wilde meteen zijn dank betuigen voor de bescherming, die hij te York genoot van het hoofd van Scotland Yard.

Evenwel was het noodig hem, in verband met plannen, die hij alleen kon uitvoeren, voor een tijdje te doen verdwijnen.

Dat men hem aanzag voor Raffles, verheugt niemand meer dan

RAFFLES.… zèlf.

„De vloo” maakte zich angstig uit de voeten.… Baxter zat geslagen en de ambtenaar stamelde:

—„Ben Amis … wàs Raffles”.

—   —   —   —   —   —   —   —   —   —

Den volgenden morgen schreeuwden de couranten-jongens: „Ben Amis bij de wedrennen van York. Baxter is Raffles! Opzienbare arrestatie van het hoofd van Scotland Yard.”

Gansch Londen had dagen lang pret van deze geschiedenis, die voor Baxter een verschrikking, voor Raffles een prettige herinnering was.

Drie maanden later behandelde het Lagerhuis een wetsvoorstel tot regeling van weddenschappen, die door het Hoogerhuis werd aangenomen en bekrachtigd.

Sinds dien tijd mag er in Engeland, dank zij Raffles’ optreden, niet meer gewed worden.

Doet men het toch, dan wordt alles administratief in ’t buitenland geregeld.