De morgenzon straalde met schitterenden glans boven de groene zee en baadde de trotsche schepen in de haven van Portsmouth in haar weldoende stralen.
Op de commandobrug van een der oceaanbooten stond, omringd door een talrijk gevolg, een rijzige, fiere, slanke mannengestalte.
Hij zag er uit als een verschijning uit een sprookje.
Kostbare juweelen en ordeteekenen versierden zijn borst.
Diamanten knoopen en briljanten van ongekende grootte vonkelden op zijn groen- en purperkleurig zijden gewaad.
Als een glinsterende slang schitterde de met edelsteenen versierde scheede van het breede, licht gebogen zwaard, welks halvemaanvormige greep in de handen van den man rustte.
Het was een der machtigste vorsten van Indië—de Maharadjah van Indrabad—die zijn verplicht bezoek moest brengen aan den koning van Engeland.
Hij was een van de vijf Indische Maharadjahs, die met Koninklijke eer door het machtige Engeland werd behandeld.
Daarom lagen de trotsche pantserschepen gereed om hem met eerbetuigingen te ontvangen, zooals de Engelsche vloot deze alleen, bewijst aan koningen en keizers.
En als een machtig koning kwam deze Indische vorst over de zee, omringd door een geweldig aantal zijner krijgslieden, een gevolg, dat getooid was met alle kleuren van den regenboog, zwaard- en banierdragers, danseressen en bedienden.
Het donkerbruine, scherp geteekende gelaat van den vorst was naar de haven gewend. In een rechte lijn lag het eskader van Engelands gepantserde zeekasteelen voor zijn heerschersoogen.
Met vollen vlaggentooi groetten de oorlogsschepen den trotschen, schatplichtigen Indische vorst.
De matrozen in hun witte uniformen paradeerden in de raas en touwen.
De scheepsmuziek deed de tonen van het “God save the King” hooren en het luide hoerageroep der manschappen vermengde zich met het donderen van het geschut.
Vlak naast den Maharadjah stond in eenvoudige burgerkleeren de jonge Lord Turkington, wien de eervolle onderscheiding was te beurt gevallen om namens den koning den Indischen vorst in Gibraltar te ontvangen en van daar naar Engeland te vergezellen.
De kade, waar de stoomboot aanlegde, was feestelijk getooid voor de ontvangst van den vorst. De havenautoriteiten waren verschenen, omgeven door een talrijke menigte. [2]
Dichtbij den steiger was een eerewacht opgesteld, terwijl koninklijke lakeien stonden te wachten.
Onder deze laatsten bevond zich een oudere bediende, die de eenvoudige, grijze livrei droeg van Lord Turkington.
Het rustige koele uiterlijk, dat den bediende gewoonlijk eigen was, had plaats gemaakt voor zenuwachtige ongerustheid.
Men kon het aan den ouden, grijzen man zien, dat hij een bijzondere taak te vervullen had.
Nauwelijks waren de plechtigheden der ontvangst afgeloopen of hij baande zich een weg door het gevolg totdat hij zijn jongen meester had bereikt.
Met een diepe buiging, het grijze hoofd ontblootend, bleef hij voor den Lord staan.
Deze schrok.
“Aha, ben jij het, James. Waarom ben jij uit Londen hierheen gekomen?”
De oude bediende fluisterde met gedempte stem:
“Onze heer, de Lord, ligt op sterven.”
De jonge man beefde over al zijn leden en moest den arm van den bediende grijpen om een steun te hebben.
Daarop spande hij al zijn energie in en richtte zich weer op.
“Het is goed, James. Meld den doktoren, dat zij al het mogelijke moeten doen, opdat ik mijn vader nog levend terug zie. De dienst bindt mij nog tot hedenavond.”
De oude boog en trok zich terug. Zacht sprak hij tot zich zelf:
“Het zal te laat zijn.”
Een lange reeks van feestelijke plechtigheden volgde in de eerstkomende uren ter eere van den machtigen onderdaan van het Rijk. Voor ieder ander, behalve voor Lord Turkington, snelden de uren voorbij, maar hem was het alsof de tijd voorbijkroop, alsof het einde van den dag niet zou komen.
Het was tegen elf uur in den nacht toen hij eindelijk nadat zijn dienst was afgeloopen, het oude, deftige paleis van zijn vader binnentrad.
Reeds in de voorhal zag hij aan het uiterlijk der op hem wachtende bedienden, dat hij te laat kwam.
Een kamerdienaar geleidde hem naar het slaapvertrek, dat zich naast de studeerkamer bevond.
Hier vertoefde de oude notaris der familie, de heer Barring, die op de komst van den erfgenaam, den jongen Lord Turkington, wachtte.
Met een warmen handdruk begroette Lord Richard den trouwen raadgever van zijn vader:
“Gij hebt waarschijnlijk het droevige voorrecht gehad, Mr. Barring, de laatste woorden van mijn vader te hooren; de dienst van den koning maakte het mij onmogelijk.”
De notaris boog zwijgend en opende zijn aktenportefeuille.
“Zijn Lordschap gelastte mij, u, voordat gij aan zijn sterfbed zoudt verschijnen, dit laatste schrijven te overhandigen. Ik voer hiermede deze taak uit. Mag ik u verzoeken— —”
Met trillende vingers opende de jonge Lord het hem overhandigde papier en, al zijn wilskracht bijeenrapend, las hij het volgende:
“Mijn lieve, eenige zoon! Ik voel, dat ik slechts nog eenige uren heb te leven en vermoed, dat ik je niet meer terug zal zien. Verneem dus uit deze regels mijn laatsten wil: Alles, wat ik bezit, is jouw eigendom, behalve een privilege, dat onze familie sinds meer dan twee eeuwen bij het Engelsche hof geniet. Je moet bij mijn sterfbed bezweren, dat je van dit voorrecht afstand doet. Ik bedoel hiermede het privilege, om de staatsbetrekking te bekleeden, waarop onze familie in Indië recht heeft. Richard, zweer mij met je heiligsten eed, dat je nimmer naar Indië zult gaan. Dat sprookjesachtige, geheimzinnige land met zijn onmetelijke schatten zou je den dood brengen.
Nu, na mijn verscheiden, krijg je inzage van onze familiekroniek en je zult daarin lezen van het gruwelijke lot, dat in Indië onze familie wacht: de dood in tweeledige gedaante, lichamelijk en geestelijk.
Je weet, dat ik niet de directe erfgename van mijn vader was. Mijn oudere broer stierf in Indië. De oudste broer van mijn vader vond daar eveneens den dood en sinds zes geslachten vermeldt onze familiekroniek het ontzettende feit, dat steeds de eerstgeborene zijn leven liet in Indië.
Dat zou een ongelukkig toeval kunnen zijn, maar helaas, de zaak verandert er niet door en het geheimzinnige van dit doodenraadsel werd nimmer opgelost.
Je voorvaderen stierven, omdat zij, evenals een mug in het kaarslicht, in een mysterieuzen dood werden gelokt.
Daarginds, in Indië, in een van de sprookjesachtige geheime tempels, ontdekte je ongelukkige voorvader, Lord Albert, voor ongeveer tweehonderd jaar, een der onoplosbare Indische raadsels en nam het in bezit. Die buit, welke ons allen steeds onbekend is gebleven, werd [3]hem, voordat hij ze naar Engeland kon overbrengen, weer ontstolen.
Dit verlies oefende een eigenaardigen, physieken druk op hem uit. Hij kwam niet weer naar Londen terug. Hij bleef in Indië en trachtte het gestolene terug te vinden. Zijn laatsten brief, dien je in het archief zult vinden, schreef hij aan zijn vader en hierin meldde hij, dat hij nimmer meer gelukkig kon zijn, tenzij hij weer in het bezit zou komen van het door hem gevonden Akasa.
Eenige maanden later stierf hij krankzinnig. Het geheimzinnige woord Akasa is alles, wat wij ervan weten. En dit woord is een vloek voor ons, zet zich vast in onze hersens en oefent een duivelsche macht op ons uit.
Als een helsche suggestie dwingt het ons, het raadsel uit te vorschen en alle leden van onze familie, die hieraan geen weerstand konden bieden, stierven krankzinnig in Indië.
Ik bezweer je, ik smeek je bij alles wat mij heilig is, omdat je de laatste bent van ons geslacht: ga nooit naar Indië en bedank voor den eerepost van den koning als hij je dien aanbiedt.
God behoede je en late zijn zegen op je rusten.
Je vader Lord Edward Turkington.”
Met brandende oogen staarde de jonge Lord naar het fijne schrift van de hand zijns vaders, dat hem een onbegrijpelijk raadsel mededeelde.
Versuft door deze onthulling had hij den dierbaren doode geheel vergeten. De verstandige, grijze oogen van den ouden heer keken hem vol vertrouwen aan.
Met een snelle beweging naderde de Lord hem en, naar den brief wijzend, vroeg hij:
“Kent gij den inhoud van dit laatste schrijven van mijn vader, Mr. Barring?”
Bevestigend knikte deze.
“Zijn Lordschap overhandigde het mij persoonlijk.”
Lord Richard keek hem met onvasten blik aan:
“Was mijn vader in zijn laatste uren, toen hij dit schreef, bij zijn volle bewustzijn, of was zijn geest niet helder meer?”
“Zijn Lordschap was, zooals de andere aanwezigen kunnen getuigen, volkomen bij zijn bewustzijn.”
Lord Richard schudde twijfelend het hoofd.
“Gij kent den inhoud van dit schrijven, Mr. Barring. En vindt gij dien inhoud niet, evengoed als ik, zóó vreemd, dat mijn vraag begrijpelijk is?”
“Zeer zeker. Maar mij zijn de gebeurtenissen in uwe familie reeds jarenlang bekend.”
“En wat denkt gij ervan, gij, als helderdenkend jurist?”
Notaris Barring haalde de schouders op.
“Ik heb dikwijls over het geheim nagedacht en verschillende oplossingen ervoor gezocht, maar of ik een juiste vond, kan ik niet zeggen.”
“Ik bid u, zeg mij uw meening.”
De oude heer zweeg eenige seconden, voordat hij antwoordde.
“Ik zou uw Lordschap daarmede waarschijnlijk verontrusten, misschien zelfs krenken.”
“Neen; neen, zeer zeker niet. Spreek gerust,” verzocht de Lord op gejaagden toon.
Notaris Barring rekte zijn magere gestalte uit, als om kracht te zoeken voor hetgeen hij te zeggen had. Daarop begon hij:
“Van een geneeskundig standpunt zou de oplossing van het raadsel een ziekelijke erfelijkheid in uw familie zijn, een soort vervolgingswaanzin, waarvan tot dusverre telkens een der leden van uw geslacht het slachtoffer werd.”
Lord Richard sidderde.
Ja—zeker—de oude notaris had gelijk.
Waanzin, erfelijke waanzin moest het zijn. Een vreeselijke toekomst, waartegen noch menschelijke kundigheden, noch de heiligste eeden iets vermochten. En als een drenkeling zocht hij naar een middel, dat hem van dit vreeselijke spook van den waanzin zou kunnen redden.
Notaris Barring raadde de gedachten van den jongen Lord; hij zag de wanhopige uitdrukking in diens oogen en om hem gerust te stellen, sprak hij:
“Het zou natuurlijk mogelijk kunnen zijn, dat die Akasa werkelijk bestond en dat het bezit ervan den eigenaar als een zoo groot geluk voorkomt, dat het verlies hem doodt. Dit laatste maakt het zeer twijfelachtig of het Indische raadsel wel in werkelijkheid bestaat en ik waarschuw u als vriend van uw overleden vader: volg mijn raad, vermijd Indië en ga het dreigende gevaar op die manier uit den weg.”
“Gij hebt gelijk,” antwoordde Richard, wiens geestkracht was teruggekomen, “de eed, dien ik aan het sterfbed van mijn vader zal afleggen, zal voor mij een sterk wapen zijn tegen alle Indische fakirkunsten en mysteriën.”
Hierna betrad hij met vaste schreden de sterfkamer. [4]