[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

RAFFLES ALS HELPER.

De plechtige bijzetting van het lijk van wijlen, Lord Turkington had plaats op het familiegoed in de nabijheid van Londen.

Onder de aanwezigen viel in het bijzonder de Maharadjah van Indrabad op en zijn tegenwoordigheid was niet alleen een uiting van hoffelijke etiquette, maar tevens een plichtsvervulling.

Aan het hof van den Maharadjah was steeds de waardigheid van Engelsch gezant bekleed door een der leden van de familie Turkington.

En aan dit hof hadden zich de tragediën van alle Turkingtons afgespeeld, van de laatste was de Maharadjah ooggetuige geweest

Nadat de plechtigheden waren afgeloopen en bijna alle belangstellenden de kapel, in wier gewelven de Turkingtons sinds eeuwen rustten, hadden verlaten, bleef de Indische vorst als een der laatsten achter en liet door zijn Engelschen adjudant een prachtigen lauwerkrans op het graf neerleggen van den in Indië gestorven broer van den overleden Lord.

In gedachten verzonken bleef de Maharadjah voor de eenvoudige bronzen graftombe staan en hij las het opschrift:

“Lord Allan Turkington, geb. den 10 December 1842 te Londen, gestorven den 4 Mei 1872 te Calcutta”.

De vorst schudde het hoofd en, terwijl, hij zich tot den adjudant wendde, sprak hij:

“Dat opschrift is onjuist! Waarom?”

Hoe zacht hij ook had gesproken, de jonge Lord had deze woorden verstaan, juist op het oogenblik waarin hij afscheid nam van den ouden predikant der familie, dominé Brown.

Verbaasd wendde hij zich tot den vorst:

“Uwe Hoogheid uitte een kritiek over het opschrift van het graf van mijn overleden oom, als ik goed hoorde.”

“Zeer juist, mijn beste Lord”, antwoordde de vorst. “Ik zie hier als plaats van overlijden Calcutta, terwijl het inderdaad de hoofdstad van mijn land was, waar uw voorvader is gestorven. In plaats van Calcutta moest hier Indrabad staan. Zou dit niet bekend zijn in uw familie, of—ach, zoo—”

De vorst viel zichzelf haastig in de reden, alsof hij op het punt was geweest, een onbescheidenheid te begaan.

Lord Richard keek hem met glinsterende oogen aan. Voor hem doemde, tengevolge van de woorden van den Hindoe, het raadselachtige familiegeheim op.

De stille slaper onder de bronzen graftombe en de Indische vorst, die hier, vonkelend van juweelen, voor hem stond, moesten door dit geheim samen verbonden zijn. De levende moest kunnen zeggen, wat de dood verzweeg, wat zelfs de letters op het bronzen graf verzwegen en wat nu als een leugen werd gebrandmerkt.

Lord Richard wendde zich, nadat hij het opschrift nogmaals had gelezen, tot den vorst.

“Uwe Hoogheid, mijn voorouders zijn allen zonder uitzondering, in Calcutta gestorven, zooals deze grafsteenen verkondigen. Geen enkele vermeldt Indrabad.”

De vorst haalde de schouders op.

“Misschien vergis ik mij.”

Nu trad Lord Richard vlak voor hem:

“Vergeving, Uwe Hoogheid zal zich waarschijnlijk niet vergissen en zeker weten, wanneer, hoe en waar mijn voorvader in Indrabad is gestorven.”

“Laten wij de rust der dooden niet storen,” sprak dominé Brown tot Lord Richard.

“Ah, het is goed, dat gij getuige zijt van het gesprek, dominé Brown. Misschien kunt gij mij uitleggen, hoe het komt, dat op al deze grafschriften een leugen is gegraveerd.”

De Lord zag, hoe het gelaat van den predikant [5]vaalbleek werd en nog voordat deze kon antwoorden, viel Lord Richard in met de woorden:

“Ik zie, dat gij van deze leugen afweet, dominé Brown. Wilt gij mij verklaren, waarom de kerk een dergelijke misleiding toelaat?”

Geheel en al in het nauw gedreven, kon de predikant geen ontwijkend antwoord geven.

“De wenschen der dooden zijn heilig voor de levenden; zij zullen deze naamsverandering hebben bevolen uit voorzorg voor het na hen komende geslacht.”

“Dus het heeft gevaarlijke gevolgen, als de overlevende den naam Indrabad verneemt en dezen in verband brengt met den dood zijner voorouders? Ik verzoek u, mij dat op te helderen.”

“Ik kan Uwe Lordschap dat niet verklaren,” antwoordde dominé Brown, “ik kan alleen zeggen, dat dit opschrift is vervaardigd op bevel van het toenmalige hoofd der familie Turkington. Uw Lordschap mag misschien gelijk hebben, dat de naam Indrabad niet genoemd mocht worden en in plaats daarvan Calcutta in den steen is gegraveerd. Eigenlijk komt het op hetzelfde neer, waar wij onzen laatsten adem uitblazen.”

Lord Richard staarde in diep gepeinzen verzonken naar de graven. Welk afschuwelijk geheim mochten zij wel verbergen?

Was het een erfelijke vloek, die op de familie rustte? Lagen daar de slachtoffers van den erfelijken waanzin? Waren ook zijn hersenen niet reeds aangeroerd door die vreeselijke hand en had de langzame, onafwendbare verwisseling van zijn verstand reeds een aanvang genomen?

Was het niet reeds het eerste teeken van vervolgingswaanzin, dat hij zich erdoor bedreigd meende en angstig was?

Hij keek naar den vorst.

Groot en helder zagen de oogen van den Indisch en heerscher hem aan.

“Al, wat ik weet,” sprak hij, “is, dat een uwer voorouders het geheim van een Indischen tempel, dat Akasa heet, moet hebben gestolen en daardoor—vergeef mij de harde uitdrukking—krankzinnig is geworden.”

“Houdt Uwe Hoogheid het bestaan van dat Akasa voor waarschijnlijk?” vroeg Lord Richard.

De Maharadjah dacht zwijgend eenige oogenblikken na; hij ging eenige schreden achteruit en zijn oogen straalden met een eigenaardigen glans. Hierdoor werd Lord Richard kalmer.

“Ik wil u, als vriend, de volle waarheid zeggen” begon de Maharadjah, “wij, vorsten van het Indische volk, wij Maharadjahs, zijn niet ingewijd in de geheimen van onze machtige priesterkaste, de Brahmanen. Wat de priesters ons vertoonen, schijnt den nuchter denkenden mensch onbegrijpelijk. Gaat het verstand onderzoeken, dan—” hij maakte een veelzeggende handbeweging naar de graven.

Lord Richard had hem begrepen.

De Maharadjah reikte den jongen Lord zijn hand tot afscheid en verliet den grafkelder.

Toen de Maharadjah den drempel der kapel betrad, waarop het zonlicht scheen, vonkelden de diamanten van zijn tulband in wonderschoone kleuren, lichtbundels werpend in den donkeren grafkelder.

Lord Turkington deed in de eerstvolgende dagen zijn uiterste best om niet te denken aan het geheimzinnige Akasa.

Hij verdiepte zich in allerlei studies, hij schreef, schilderde, deed aan sport, maar wat hij ook in liet werk stelde, steeds concentreerden zich zijn gedachten weer op het spookbeeld, het Indische geheim.

Zoodra hij in een boek de letter A zag, vormde hij die tot het woord Akasa.

Overal vervolgde hem dit woord, dat hem langzamerhand krankzinnig moest maken.

Na een ellendigen, slapeloozen nacht werd het hem duidelijk, dat er slechts twee wegen voor hem openstonden, om een eind te maken aan deze onduldbare marteling. Of hij werd een meineedige en trok naar Indië, of hij maakte aan alles een einde door een kogel.

Daar kwam plotseling een nieuw denkbeeld in het brein van Lord Richard op.

Hij wilde den beroemden Indischen onderzoeker, professor Cameron, gaan raadplegen.

Niets wilde hij onbeproefd laten en reeds een uur later overhandigde de bediende van den professor zijn meester een visitekaartje van Lord Richard met de mededeeling, dat de Lord den professor over een gewichtige aangelegenheid wenschte te spreken.

“Ik heb groot belang bij de beteekenis van een Indisch woord,” zoo begon Lord Richard, toen hij tegenover den geleerde zat, “en zou u, heer professor, om verklaring ervan willen verzoeken.”

De schrandere oogen van den professor straalden, toen hij hoorde, dat de Lord hem kwam bezoeken in verband met zijn wetenschap.

Zeer gevleid, boog hij. [6]

“Het zal mij een eer zijn, uw Lordschap van dienst te mogen zijn.”

“Het handelt om het Indische woord Akasa. Wat is het en wat beteekent het?”

De geleerde keek den Lord eenige oogenblikken peinzend aan, daarop ging hij naar een reusachtige boekenkast, nam daaruit na eenig zoeken een zwaar boekdeel en begon er in te zoeken.

In zenuwachtige spanning keek de Lord naar hem. Minuten verliepen, zonder dat de professor uit het boek opkeek. Daarop legde hij het neer en met een uitdrukking van teleurstelling op het gelaat wendde hij zich tot Lord Richard.

“Het spijt mij zeer, dat ik uw Lordschap geen opheldering kan geven omtrent dit mij volkomen onbekende woord. Mijn woordenboek der Indische taal bevat het niet. Misschien vergist Uw Lordschap zich.”

“Helaas, neen!” antwoordde Lord Richard met een bitteren glimlach. “Ik zou er een vermogen voor over hebben, als ik opheldering kon krijgen omtrent de beteekenis van dit woord en over datgene, wat onder dien naam bestaat.”

De geleerde begreep uit den toon van het gesprokene, dat Lord Richard zeer veel waarde hechtte aan de explicatie van dit vreemde woord en een plotselinge ingeving volgend sprak hij:

“Zou uw Lordschap de onkosten, welke de verklaring van dit woord zou meebrengen, op zich nemen?”

“Meer, veel meer,” antwoordde Lord Richard, “een vermogen wil ik hem geven, die mijn wensch vervult. Gij weet niet, heer professor, welken duivelschen invloed dit woord Akasa op mij uitoefent. Ik bevind mij als onder hypnose ervan”.

Nieuwsgierig keek de geleerde den jongen Lord aan.

De zaak kwam hem geheimzinnig voor, maar ook hij wenschte nu tot elken prijs te weten te komen, wat Akasa beteekende.

“Ik ken hier in Londen,” zoo begin de professor, “een rariteitenhandelaar, Cunningham genaamd. Deze knapt voor ons, geleerden, allerlei zaakjes op door ons kostbare en zeldzame voorwerpen te verschaffen. In zijn zaak leerde ik eenige weken geleden een zeldzaam en gevaarlijk mensch kennen, een dapperen, voor niets terugdeinzenden kerel. Daarenboven is hij iemand van buitengewone ontwikkeling.”

Lord Richard werd zenuwachtig.

“Vertel mij, wien gij bedoelt.”

“Raffles!” antwoordde de professor.

Lord Richard schrok.

“Raffles, den meesterdief?”

De professor glimlachte:

“Leg niet den klemtoon op “dief”, Uw Lordschap, zeg liever, Raffles, de meester. Hij is, ondanks zijn eigenaardige sport, een gentleman, een volslagen man van eer. Hij houdt ervan, geheimzinnige, bijna onuitvoerbare zaken op te knappen.

Hij richtte de vraag tot mij, of ik de een of andere moeilijk te verkrijgen zeldzaamheid uit vreemde landen wenschte. Raffles zou ze mij verschaffen. Daaraan denk ik nu toevallig. Hij zou de aangewezen persoon zijn, om gevaren en avonturen te trotseeren. Denk niet te lang over het voorstel na en neem een besluit.”

Lord Richard sprak na eenig nadenken:

“Waar is die heer? Breng mij dadelijk bij hem”.

“Als Uw Lordschap tijd heeft, zal ik Raffles telefonisch verzoeken, dadelijk hier te komen.”

Met de mededeeling, dat Raffles binnen een uur zou verschijnen, kwam de geleerde terug.— —

Met scherp onderzoekende blikken monsterde Lord Richard de krachtige, slanke gestalte van Raffles, toen deze voor hem stond, als een man van de wereld boog en hem met vrijmoedigen blik aankeek.

De persoonlijkheid van den gentleman-dief droeg het karakter van trots, maar tegelijk van innemendheid. Hij bezat het onmiskenbare type van een aristocraat of van een officier.

Aangenaam verrast door deze sympathieke verschijning gaf Lord Richard hem een hand en daarop deelde de professor mede, wat de kwestie was.

Tot zijn genoegen zag Lord Richard, dat Raffles toestemde en zich bereid verklaarde om naar Indië te reizen.

“Ik houd mij aan de woorden, waarmee Gordon Bennet indertijd Stanley naar Afrika zond”, sprak Lord Richard, “vertrek met de eerste gelegenheid. Ontdek Akasa, vind een verklaring ervan en, als het, naar ik vermoed, het een of andere voorwerp betreft, breng het dan mee naar Londen. Dat zal u zeker gelukken”.

“Laat ons gaan dineeren,” antwoordde Raffles, “en alles bespreken, wat wij elkaar te zeggen hebben”.

Zij namen afscheid van den professor en bevonden zich weldra in de eetzaal van een der Londensche hotels.

Toen zij laat in den avond van elkaar scheidden, waren zij vrienden geworden en hadden beiden de innige hoop, dat binnen eenige maanden het Indische [7]geheim zou zijn opgehelderd. Zij riepen elkaar een hartelijk “Tot weerziens!” toe.

Een paar uur later, zeer vroeg in den morgen, bevond Raffles zich aan boord van een stoomschip der Pacific- en Oceaanlijn, dat hem naar het land van wonderen en sprookjes zou brengen. De Lord had door zijn voorspraak bij den vorst bewerkt, dat Raffles diens gast zou zijn in Indrabad.