In het Zuiden van Indrabad, de prachtige residentie van den Maharadjah, is een geheimzinnige doodenstad gebouwd van groote uitgestrektheid.
Het is een stad, bestaande uit honderden reusachtige graven, prachtige monumenten uit vroegere tijden.
Grafsteenen van kostbaar marmer, koepels van bontgekleurde, geglazuurde steenen en wanden, die versierd zijn met kunstig beeldhouwwerk.
Een prachtig park omgeeft deze rustplaatsen der eenmaal zoo machtige vorsten en heerschers van Indrabad.
Vijftig eeuwen gingen over deze marmerblokken heen. De dooden zijn reeds lang tot stof vergaan, maar hunne gedenksteenen verkondigen nog heden ten dage van hunne werken.
Eenzaam en verlaten, ligt deze doodenstad, zelden wordt zij door menschen bezocht.
Ontelbare wilde pauwen wandelen trots over de stille, zonnige paden en spreiden hun bonte veerenpracht ten toon.
Middendoor den onafzienbaren doodenakker leidt een straat en hierlangs loopt Raffles, vergezeld door een Hindoeknaap van ongeveer veertien jaar.
Sinds meerdere weken bevindt hij zich nu reeds in Indië.
Hier, waar de geslachten van zoovele eeuwen rustten, hoopte hij het geheimzinnige Akasa te vinden. Het is een zwaarder taak dan om binnen te dringen in de gewelven van de Engelsche Bank.
Geen der prachtige mausoleums verklaart hem door een opschrift of teeken het raadsel.
Maar toch heeft hij in al die weken den moed niet verloren, maar blijft met onwankelbaar optimisme gelooven, dat hij hier bij de dooden een spoor moet ontdekken.
In de schaduw van groote tamarinden lag terzijde van den weg een bekoorlijke kleine tempel.
Een goed onderhouden weg leidde erheen, door het kreupelhout, tot groote verbazing van Raffles.
Wie kon er belang bij hebben, in dezen grooten chaos van ruïnes een liefelijk plekje in orde te houden?
Nieuwsgierig liep hij naar den grafkelder toe, toen plotseling zijn begeleider hem tegenhield en op schuwen toon fluisterde:
“Sahib (heer) niet den weg gaan naar het graf van den heiligen dichter.”
“Waarom niet?”
“Sahib, vorstin Samru, de dochter van den Maharadjah, bidt daar; het is haar heiligdom.”
Raffles dacht eenige oogenblikken na, of hij gehoor zou geven aan de waarschuwing en besloot, er geen acht op te slaan.
De knaap volgde hem niet, maar ging in de schaduw van een marmeren zuil zitten om daar op terugkomst van zijn meester te wachten.
Raffles trad door een lage poort en kwam op een met sneeuwwitte marmertegels geplaveiden hof, welke door een zuilengalerij was omgeven.
In het midden bevond zich een grafsteen, waarover een goudbestikt, zijden kleed was gelegd. Bloemenguirlandes waren van zuil tot zuil geslingerd en een [8]purperen zonnescherm bedekte de helft van den open hof, dezen in schaduw hullende.
Met een kreet van bewondering beschouwde Raffles het geheel. Waarlijk, schooner kon een dichter niet begraven zijn.
Een plechtig-poëtisch waas omhulde dit alles.
Zachtkens nader tredend, alsof hij de rust van den gestorvene zou kunnen verstoren, liep Lord Lister naar het graf, aan welks voeteneind een bronzen gedenksteen was aangebracht.
Met kunstig gegraveerde letters waren hierin gedichten vereeuwigd en met gespannen aandacht begon Raffles te lezen.
Plotseling schrikte hij en als betooverd bleef zijn oog rusten op een der woorden, die hij las.
Als gehypnotiseerd staarde hij ernaar.
Akasa stond daar voor hem neergeschreven, geschreven door een hand, die reeds meer dan duizend jaar verstijf was.
Eindelijk een spoor? Vreezend, met een hersenschim te doen te hebben, raakte hij met zijn hand den bronzen gedenksteen aan. Maar het koude metaal vóór hem bedroog hem niet. Met koortsachtige opgewondenheid las hij:
“Goddelijk Akasa, omdat gij mij de hemelsche Bajaderen (danseressen) van Krishna hebt getoond, zwelgt mijn ziel in de bewondering van haren dans, als een God”.
Steeds weer opnieuw las Raffles deze woorden en trachtte de beteekenis ervan te doorgronden.
In gedachten verloren, bemerkte hij niet, dat een jong meisje, vergezeld door twee oudere vrouwen, den hof had betreden.
Zich niet storend aan den vreemdeling begon de schoone haar kleeren af te leggen en haar slank lichaam te hullen in met goud doorweven gazen sluiers, zoogenaamde saris.
Daarop begonnen twee mannen, die aan den ingang der poort waren neergehurkt, te musiceeren.
Verrast door het zeldzame beeld, dat hem als de werkelijkheid van het zoo juist gelezene voorkwam, trad Raffles op zij.
Op de plaats waar hij had gestaan, wierp de vreemdelinge een handvol rozen neer en begon daarna te dansen.
Haar tengere voetjes zweefden over den sneeuwwitten marmeren vloer in, rhythmische bewegingen en haar slank lichaam, haar armen en handen bewogen zich bij den verleidelijken, liefelijken dans.
Het geleek den jongen man als een sprookje. Maar een eigenaardig gevoel, alsof hij een groot onrecht pleegde, alsof hij was binnengedrongen in het verboden heiligdom der Indiërs, in een Zenana (vrouwenvertrek) maakte zich van hem meester.
De danseres hield haar groote, donkere oogen onafgewend op hem gericht. Aarzelend naderde zij hem meerdere malen, strooide bloemen voor het graf, kuste den bronzen grafsteen en eindigde haar dans.
Daarop klapte zij in de handen, waarop de muziek zweeg.
Nu trad zij tot vlak voor Raffles en sprak in vloeiend Engelsch:
“Ik zie, dat gij een vreemdeling zijt.
“Gij weet niet, waar gij u bevindt. Zoo gij een landsman waart, zou ik u nu door mijn olifanten laten verpletteren. Waar is de gids, die u hierheen heeft gebracht? Hij zal gestraft worden.”
Haar schoone oogen vlamden toornig op en haar kleine handen, die nog voor weinige minuten de zonnestralen schenen te liefkoozen, hadden zich tot vuisten gebald.
Raffles’ blikken hingen als betooverd aan de wonderschoone verschijning daar vóór hem en bijna onbewust vroeg hij:
“Zijt gij Akasa?”
Verbaasd keek zij hem aan. In plaats van een antwoord te geven, stelde de vreemdeling een vraag! Een vraag, die betrekking had op haar heilige, op haar gestorven dichter! En het vleide haar, een dergelijke vergelijking te hooren, het verdrong den toorn, die in haar was opgekomen, omdat vreemde mannenoogen haar ongesluierd hadden gezien.
“Ik ben Samru, de eenige dochter van den Maharadjah van Indrabad”, antwoordde zij op trotschen toon. “Wat zoekt gij in mijn heiligdom? Welke Paria bracht u hierheen?”
“Niemand”, antwoordde Raffles. “De Maharadjah van Indrabad, wiens gast ik ben, gaf mij verlof, op dit kerkhof datgene te zoeken, waarvoor ik van Engeland naar Indië ben gekomen. Ik zoek Akasa, jonge vorstin.”
Onderzoekend, alsof zij zijn woorden niet vertrouwde, keek zij naar hem.
Daarop riep zij een harer dienaressen en richtte zacht een vraag tot haar. Een bevestigend hoofdknikje was het antwoord.
Opnieuw wendde zij zich tot Raffles:
“Gij hebt de waarheid gesproken. Gij zijt de gast [9]van mijn vader. Zwijg over hetgeen gij hebt gezien. Ik ben mijns vaders grootste schat en het zou hem zeer zeker bedroeven. Al het water van den heiligen Ganges zouden deze smart niet weer kunnen uitwisschen.”
Zij keek hem nogmaals diep in de oogen, daarop liet zij zich door haar dienaressen in haar kleeren hullen en, gesluierd, verliet zij het graf.
Bij den ingang der poort bleef zij nog even staan en wendde het hoofd om. Onwillekeurig legde Raffles zijn hand op de borst en maakte een buiging. Een groetende handbeweging toonde hem, dat zij zijn huldiging had begrepen. Daarop verdween zij.
Eenzaam en zwijgend lag het graf van den gestorven dichter voor hem.
Plotseling weerklonken de woeste kreten van krijgsolifanten. Raffles snelde naar de poort en bleef, in de schaduw verborgen, onbeweeglijk van schrik en ontzetting staan.
Op korten afstand van hem verpletterden de zware pooten van vier reuzenolifanten de lichamen van vier menschen—twee Hindoevrouwen en twee mannen.
Zij waren getuigen geweest van zijn aanwezigheid bij den dans der prinses en reeds moesten zij zwijgen, zwijgen voor eeuwig, opdat zij en hij veilig waren voor hunne tongen.
In de verte zag hij de bontgetooide olifanten verdwijnen, die de prinses naar Indrabad terugbrachten.
Nu volgden ook de krijgsolifanten. Zij hadden hun beulswerk verricht.
Geen vonkje van leven was nog te ontdekken in de vertrapte vleeschmassa, die zij in het stof der doodenstad hadden achtergelaten.
Met luid gillen zetten de mahouts, de olifantendrijvers, met hun spitse haken de opgewonden reuzendieren aan tot spoed en verdwenen weldra met hen in een dichte stofwolk.
Ontroerd keek Raffles naar de vermoorde slachtoffers en voor het eerst rilde hij bij de gedachte aan datgene, wat hij zocht: Akasa.
Langzaam keerde hij naar de stad terug. Hij had er niet op gelet, dat de schemering reeds was ingevallen. Aan de vuurroode kimme teekenden zich de donkere omtrekken af van de groote koepels, paleizen en vestingwerken van Indrabad.
Sneller liep hij door.
Daar, in het schitterende paleis, dat hem als gast, herbergde, leefde zij, die hij heden voor het eerst had aanschouwd. En een afschuwelijk geheim verbond hen met elkaar.
Zou de heilige, reeds lang gestorven dichter met “Akasa” hebben bedoeld dat geheimzinnige, wat de menschen “liefde” noemen? Raffles wilde het uitvorschen al zou hij het met zijn leven moeten boeten.
Akasa en de dochter van den Maharadjah waren voor hem een en hetzelfde begrip geworden.