[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

ONTDEKT.

De Maharadjah stond in zijn studeerkamer en luisterde met gefronste wenkbrauwen naar het bericht van den vakil.

“Niets is heilig voor die Engelschen, zelfs de gastvrijheid niet!” riep hij bevend van toorn, terwijl hij met den voet stampte. “Weet deze vreemdeling niet, welke straf volgt op zijn misdaad; een mijner slavinnen te hebben onteerd?

Maar helaas, wij hebben ondanks al onze macht en ons geweld geen recht over het leven van onze tyrannen.

Deze man, die schandelijk misbruik maakte, van mijn gastvrijheid en die den dood verdiende in het tijgerhok, [15]staat buiten mijn macht. Waar is de slavin?”

De vakil maakte een buiging, schoof een gordijn ter zijde en de ongelukkige Natana trad, aan handen en voeten geboeid en door vier gewapende dienaren vergezeld, het vertrek binnen.

Schuw keek zij naar haar vorst op. Deze had slechts een minachtend glimlachje voor haar en, zich tot den vakil wendend, sprak hij op korten bevelenden toon:

“Werpt haar voor de tijgers!”

Een doordringende gil van Natana volgde op deze wilde woorden. Maar reeds sloten de vuisten der gewapenden haar mond en verstikten haar verdere kreten.

Nauwelijks was zij verdwenen, toen de vakil een gordijn aan den anderen kant van het vertrek terzijde schoof vanwaar ook een groep gewapende mannen naar binnen kwam, twee geboeide gevangenen meesleepende.

“Heer! Hier wachten de trouwelooze bewakers van de Zenana op de gevolgen van hun onachtzaamheid.”

Opnieuw klonk het op korten en heerschenden toon:

“Werpt ze den tijgers voor!”

Zonder dat het den ongelukkigen slachtoffers werd toegestaan, een woord te hunner verdediging in het midden te brengen, werden ook zij onverbiddelijk weggebracht.

Op dit oogenblik klonk uit het aangrenzende vertrek, waar zich de dienstdoende hofstoet bevond, een ongewoon alarm, een ongekend iets in de vertrekken, die als heilig werden beschouwd, zoolang de heerscher er zich bevond.

De gordijnen werden geopend en Samru, de dochter van den vorst, snelde, omringd door vijf tot aan de tanden gewapende dienaren, de zaal binnen.

De Maharadjah keek verbaasd naar zijn dochter, die een revolver in de hand hield. Haar geheele uiterlijk verried een buitengewone opwinding.

Dàt was de kalme, bedaarde Samru niet meer, dat was een tijgerin, die plotseling is opgeschrikt uit haar rustige onverschilligheid en nu met de moordende klauwen bereid is, haar prooi te halen.

“Waar is Natana?” vroeg zij haar vader.

“Bij de tijgers,” antwoordde de vorst. “Zij moet haar misdaad met den dood bekoopen.”

“Hoe durft gij het wagen, mijn slavin te veroordeelen, zonder mij gehoord te hebben?”

Trotsch en uitdagend keek Samru den ernstig voor zich starenden, gevreesden Maharadjah aan.

“Geef dadelijk het bevel, dat mijn slavin terugkomt,” riep Samru uit.

Een korte handbeweging van den vorst naar den vakil en reeds snelden de boden uit het paleis om de ongelukkige Natana te redden.

“Weet je, wat je lievelingsslavin heeft misdaan?” vroeg de Maharadjah zijn dochter.

“Ik weet het en ik weet meer dan gij!”

“Meer dan ik? Zij heeft een misdaad begaan, die met den dood gestraft wordt. Zij verliet de Zenana om met mijn gast,” hier werd hij door Samru in de rede gevallen, die haar lijfwacht beval op den vakil wijzende:

“Ranselt hem de zaal uit; hij ziet mij ongesluierd.”

Onmiddellijk haalden de bedienden stevige lederen zweepen uit hun gordels te voorschijn en klappend daalden de slagen neer op den rug van den vluchtenden opperhofmeester.

De Maharadjah keek zonder eenig mededoogen naar dit tooneel, hij vond alles goed wat zijn lieveling deed. Zij was machtiger dan hij, de groote, onbeperkte gebieder.

Zoodra de vakil de zaal had verlaten, naderde Samru haar vader.

“Gij weet vader, dat ik nooit onrechtvaardig kan zijn en gij hebt meermalen mijn billijkheid geprezen.”

“Dan begrijp ik je optreden van dit oogenblik tegenover mij niet.”

“Gij vergist u,” ging zij voort, “Natana is onschuldig en gij zoudt onwetend een afschuwelijke misdaad jegens haar hebben begaan, die nooit meer goed te maken ware geweest.”

“In hoeverre? Het is bewezen, dat zij de Zenana verliet, de vakil nam haar gevangen in gezelschap van den vreemdeling, mijn gast.”

Samru legde vleiend haar hand op den arm van haar vader.

“Gij vergist u ondanks dit alles, vader. Natana was wel in gezelschap van den vreemdeling, maar niet voor zichzelf trotseerde zij het gevaar, ik echter—”

“Jij?”

De Maharadjah week achteruit, alsof hij een afschuwelijk vizioen had. Het was hem, alsof hij niet goed had verstaan. Dat was onmogelijk, dat kon niet. Zijn dochter—zijn eenig kind—.

Het kostbaarste kleinood, dat hij bezat en deze vreemdeling?

Het was ondenkbaar!

“Je fantaseert,” fluisterde hij met heesche stem, “je vergist je, Samru, bedenk wat je zegt!”

Een trotsche lach speelde om den mond van het vorstenkind, haar slanke gestalte rekte zich uit en haar [16]oogen blonken van een innerlijk vuur, toen zij sprak:

“Ik was het, die de Zenana verliet om met den vreemdeling in den schoonheidstempel uren van geluk te doorleven”.

Zij kruiste de armen over de borst en keek naar haar vader, die als een zinnelooze het met juweelen bezette gevest van zijn zwaard greep, zoodat eenige der kostbare steenen op den grond vielen.

Geen van beiden sprak een woord. Het was, alsof twee krachtige tegenstanders elkaars krachten maten voor den komenden strijd. Ieder van hen vreesde den ander. De diepe blos, die eerst het gelaat van den vorst bedekte, week voor een doodelijke bleekheid. Zijn hooge gestalte was gebogen, toen hij zijn dochter naderde.

“Ga in de Zenana; ik volg je straks.”

Op dit oogenblik werd Natana binnengebracht. Met een kreet van vreugde viel zij voor haar meesteres op de knieën en kuste haar met gouden banden versierde voeten.

Samru hief de knielende op en, licht op haar schouder steunend, verliet zij met haar het vertrek.

Nauwelijks waren zij verdwenen, of de Maharadjah liet den vakil bij zich komen, wien hij beval, Raffles bij hem te brengen.

Eenige minuten daarna stonden beide mannen zwijgend tegenover elkaar en elk van hen raadde de gedachten van den ander.

Maar verbaasd was Raffles toen de Maharadjah niet van datgene sprak, wat hij had verwacht, maar op zijn gewonen goedigen toon zei:

“Ik kan u een aangename mededeeling doen. Ik hoorde gisteren van een bedelmonnik, die uit Palitana, de stad der duizend tempels kwam, een gewichtig feit omtrent het door u zoo ijverig gezochte Akasa. Ik had u dat reeds gisteravond willen vertellen, maar gij waart helaas niet aanwezig.”

Raffles maakte een beleefde buiging.

“Ik was verhinderd, Uwe Hoogheid.”

Een bitter lachje gleed over de trekken van den Maharadjah.

“Ik hoorde van mijn vakil het een en ander over uwe afwezigheid. Het doet mij genoegen, dat ik ook in dat opzicht de wenschen van mijn gast tegemoet kan komen.”

Raffles was stom van verbazing.

Hij begreep, dat de vorst met hem wilde spelen als een tijger met zijn prooi.

“Het was een toeval,” vervolgde de Maharadjah, “dat ik den fakir sprak en hem vroeg, of hij iets had gehoord omtrent het geheimzinnige Akasa. De man antwoordde bevestigend en vertelde mij, dat in Palitana, onder de hoede van een ouden Brahmaan in een onderaardschen rotstempel, zich het door u gezochte bevond.

Ik stel hedenmiddag een aantal dienaren benevens twee reis-olifanten te uwer beschikking, welke u naar Palitana zullen brengen.”

Zonder eenig antwoord af te wachten maakte de Maharadjah een handbeweging tot afscheid en hiermede een einde aan de audiëntie.

Raffles verliet met een buiging de zaal. Hij zag het tevreden glimlachje niet, waarmee de vorst hem nakeek. Met langzame schreden ging hij naar zijn vertrekken terug en ging daar peinzend voor een venster staan.

Het was een zeldzaam toeval, dat de vorst, om zijn dochter voor Raffles te behoeden, dezen het geheim van het Akasa prijsgaf. De Maharadjah had allang geweten, dat de Dschains in hun heiligsten tempel het geheimzinnige Akasa als grootste kostbaarheid bewaarden. De vorst zelf was lid van die rijke en machtige Indische sekte.

Daarom zou hij het geheim nooit aan Raffles hebben verraden, als de gebeurtenissen der laatste uren hem niet tot overijld handelen hadden genoopt.

Te laat zag hij in, welke fout hij begaan had, maar het was te laat om zijn woorden terug te nemen. Nu kon hij alleen nog hopen, dat het verraad, hetwelk hij aan zijn sekte had gepleegd, door het Akasageheim te vertellen, gezoend zou worden door den dood van Raffles bij diens bemoeiingen om zich in het bezit van het heiligdom te stellen.

Terwijl de groote onbekende nog naar buiten staarde, traden reeds eenige dienaren zijn kamer binnen om zijn bagage in gereedheid te brengen.

Haastig, als gold het een vlucht, werden de koffers gepakt, welke daarna op de ruggen van twee lastkameelen werden geladen. Daarna kwam de Maharadjah zelf om zijn gast tot voor de poort van het paleis te geleiden, waar de rijk opgetuigde olifanten met de haudah, de bontkleurige rijtent op den rug, en de mahout, de voerder met de spitse ijzeren staaf, stonden te wachten.

Hier nam de Maharadjah afscheid met woorden van groote vriendschap en toegenegenheid, nadat hij Raffles een kostbaren diamanten ring en een even prachtige dasspeld ten geschenke had aangeboden. [17]

Handig hielpen de dienaren Raffles in de rijtent klimmen en onder luid geschreeuw zette zich de stoet met schitterend gevolg in beweging.

(Zie het titelblad.)

Vooraan reden op kameelen krijgslieden van allerlei rang in bonte kleederdrachten. Op hen volgden gewapenden en daarop de ten strijde uitgedoste ruiters van de vorstelijke garde in hun witte gewaden met roode gordels, lichtgroene tulbanden op het hoofd.

De wapenen schitterden en glansden in het heldere zonnelicht. De pauken dreunden, de trompetten schalden.

Daartusschen reden de hovelingen van den Maharadjah in prachtige gewaden op fiere rossen, hun voeten in zilveren stijgbeugels en met kostbaar versierde teugels in de handen.

Aan de spits van den stoet droeg, op een edel paard gezeten, een vaandrig de groote, met goud geborduurde vorstelijke vlag.

Langzaam en statig bewoog de stoet zich voorwaarts door de drukke straten der residentie. Overal bleef het volk eerbiedig wachtend staan, tot alles voorbij was.

Raffles herademde toen aan de stadspoort de heeren der hofhouding met hun gevolg afscheid van hem namen en hij zijn weg alleen kon vervolgen.

Eerst nu kon hij weer kalm nadenken en dadelijk drong het beeld der prinses zich weer aan zijn geest op.

Hij had haar bij zijn heengaan uit het paleis niet gezien, hoewel zij, verborgen achter de getraliede vensters der Zenana, hem had zien vertrekken.

Hij had haar zacht gesnik en haar afscheidswoorden niet kunnen hooren.

Zijn weg voerde door de uitgestrekte begraafplaats. Hij kwam weer voorbij den tempel van den heiligen dichter en vol verlangen keek hij naar de stille, beschaduwde plek, waar hij de geliefde voor het eerst had gezien.

Een vurige wensch kwam in hem op om van zijn olifant af te springen en in den tempel te wachten, totdat zij, naar wie hij zoo stormachtig verlangde, tot hem kwam.

Maar dit was onmogelijk, want Akasa, de Indische sphinx, was zijn doel, hij mocht niet langer dralen.

Langzaam maar zeker naderde hij het doel van zijn reis. Spoedig was de tempel en het kerkhof in nevelen verdwenen. [18]