Er is geen tweede stad op aarde zóó merkwaardig en zeldzaam als Palitana. Nergens ziet men huizen en menschen, doch wel ontelbare straten en ruime pleinen, goed onderhouden en zeer zindelijk. En wie door deze straten, over heuvels en langs dalen voerende voortwandelt, die komt langs merkwaardig uitgehouwen muren en tinnen, langs sterke wallen en stevige poorten. Hierboven uit steken hooge pyramidevormige of ronde torens tegen den blauwen hemel af.
De vreemdeling zal wellicht denken zich te midden van vestingen te bevinden, doch een blik op de torens doet hem zien, dat zich onder de koepels marmeren, met goud en edelgesteente versierde afgodsbeelden bevinden. Tot in de grijze oudheid zou de oorsprong van deze stad zijn na te gaan.
Eene stad, die slechts uit tempels bestaat, welke de allervroomste Indische sekte, de Dschains, voor hunne goden bouwden. ’s Morgens bij zonsopgang worden de poorten der Tempelstad geopend. Honderden kolossale klokken weerklinken en groote schare pelgrims treden de stad binnen, bidden in de tempels en offeren aan de heiligen. Eén uur voor zonsondergang moeten allen de stad weer verlaten. Wie dit gebod mocht overtreden zou met doodstraf worden bedreigd. Want binnen de heilige stad mag niemand slapen, mag zelfs niemand voedsel gebruiken. Hier bevindt zich slechts het rijk der Heiligen.
Op bergen en heuvels grenst het eene gebouw aan het andere. Op den hoogsten berg evenwel verheft zich de allerheiligste tempel, aan Dschaina gewijd.
Hier hoopte Raffles het geheimzinnige Akasa te vinden. Hij verheelde zich niet, dat er buitengewone moeilijkheden aan verbonden waren om het doel te bereiken.
Te midden van de opeengedrongen schare geloovigen, met wie hij ’s morgens de heilige stad binnentrad, was het voor hem onmogelijk, ook maar het geringste te weten te komen. Slechts een kloek besluit en doortastend handelen konden hem aan het doel zijner wenschen brengen.
Onder zijne bedienden bevond zich een Indiër van Mohammedaansch geloof. Gedurende de reis naar Palitana had de jonge Achmed zich bij het overwinnen van hindernissen of andere moeilijkheden zeer flink en intelligent getoond. Onder belofte van eene groote belooning wijdde Raffles hem in zijn voornemen in. Na eenige aarzeling verklaarde Achmed zich bereid, zooveel mogelijk te helpen. Reeds na eenige dagen gelukte het hem, door voorzichtige vragen bij de Dschainpriesters, te vernemen, dat het door Raffles zoozéér begeerde Akasa onder bescherming stond van het beeld van den Dschain-God. Doch wat het was en wat het voorstelde kon hij niet nasporen.
Dat de levende mensch in deze heiligste grot van den Dschaintempel zou kunnen binnendringen was echter geheel buitengesloten.
Een fakir had hem bovendien, tegen betaling van een groote som, verraden, dat het geheimzinnige Akasa zich in een diepliggend onderaardsch rots-vertrek bij een eeuwig brandend vuur bevond en op Brahma, den hoogsten God van Indië, wachtte, die het bij zijn wedergeboorte—volgens geloof der Dschainsekte—uit Boeddhas hand weer zou terug ontvangen.
Meer had de trouwe Achmed niet kunnen uitvorschen en tevergeefs beproefde hij zijn meester van zijn gevaarlijk voornemen af te houden.
Raffles echter stond erop, zijn met den dood dreigend avontuur te wagen. Nadat hij zijn plan goed doordacht en alles ervoor in orde gebracht had, restte hem nog als laatste plicht van Lord Turkington en van zijne geliefde in Indrabad afscheid te nemen. Beide brieven stelde hij met eene rijke belooning aan den jongen Achmed ter hand, die zich steeds meer moeite gaf, Raffles’ besluit aan het wankelen te brengen.
Doch niets hielp. De kleine schare bedienden, die [19]tot hier gevolgd was, kreeg van Raffles bevel naar Indrabad terug te keeren. Gehoorzaam deden de Mahouts de olifanten den toom aan en waren er alleen over verbaasd, dat ze ook alle bagage moesten meenemen. Maar ze waren gewend, zwijgend te gehoorzamen en in weinig tijd was de kleine karavaan reisklaar. Met onderdanige afscheidswenschen voor Raffles bestegen zij de olifanten. Een somber vaarwel, en de dieren zetten zich in beweging. De Mahouts zetten hun reislied in.
“Eru pear habe Kataka!”
Spoedig waren zij aan den horizont verdwenen. Toen begaf Raffles zich met langzame schreden naar de heilige stad.
Een eenvoudige losse mantel, zooals het volk dien droeg, was zijne kleeding, en geen enkel wapen had hij tot veiligheid bij zich.
Sedert zijne aankomst in Indië had hij zijn baard niet kunnen verzorgen en deze golfde thans tot over zijn borst.
Scherp en koen keken zijne zwarte oogen degenen, die hij ontmoette, aan, en in zijn gelaat, in zijne geheele verschijning lag zóó iets gebiedends voor de eenvoudige Hindoes, dat deze steeds met eerbied plaats voor hem maakten.
Dikwijls reeds waren pelgrims, die uit afgelegen landstreken waren gekomen, voor hem neergeknield en hadden den grond gekust waarop zijn voeten stonden. Ze hielden hem volgens hun geloof voor een God.
Verdiept in zijn gedachten had Raffles de eenzame legerplaats verlaten en niet opgemerkt, dat de jonge Achmed achter struikgewas verborgen, was achtergebleven, om hem haar de tempelstad te volgen.
Maar nog een tweede persoon keek hem na. De Fakir, die verraden had, waar het geheimzinnig Akasa was te vinden. Nieuwsgierig was hij vandaag gekomen om te zien voor wien hij het geheim had prijs gegeven.
Toen hij nu de lange gestalte van Raffles met den golvenden baard zag, dacht hij, door zijne fanatieke boetedoeningen phantastisch aangelegd, dat deze raadselachtige vreemde die, armoedig gekleed, een vorstelijk gevolg wegzond, een machtig man moest zijn, die onbekend wenschte te blijven.
En zijne phantasie voerde hem verder. De grondgedachte van zijn godsdienst, dat Brahma, de almachtige schepper der wereld, dikwijls in menschengedaante werd herboren verbond zich plotseling bij hem met den persoon van Raffles.
Reeds wilde hij hem nasnellen en in luide jubeltonen zijne ontdekking verkondigen, toen hij den jongen Achmed ontdekte.
Zacht sprak hij hem aan, en toen hij naar hem toe kwam, vroeg hij:
“Zeg, wie is die machtige, dien jij vergezelt en dien jij dient?”
De jonge Hindoe was door deze plotselinge ontmoeting zeer geschrokken en wist daardoor niet direct op de vraag te antwoorden.
“Je bedriegt mij niet meer, Achmed! Een arme—in het gewaad van een Paria—beschikt niet over een vorstelijk gevolg en dienstpersoneel. Die is meer dan wij allen. Hij is het—hij is het—naar wien wij allen verlangen.
“Brahma!—Brahma!—Brahma!”
Met vertrokken gelaat en onder denzelfden onafgebroken uitroep vloog hij Raffles achterna, die reeds lang uit het gezicht was verdwenen.
En het roepen van den fanatieken fakir bracht groote opschudding teweeg onder de pelgrims.
Spoedig werd hij door duizenden omringd, die wenschten te vernemen, wat hij wist. En het weinige, dat hij sprak, veranderde in de phantasie van den fakir tot een wonderlijk beeld—tot een sprookje uit de “Duizend-en-één Nacht”.
Buiten adem vertelde hij, dat zijne oogen eenen stoet van ontelbare olifanten hadden aanschouwd, versierd met schitterende, uit zonnedraden geweven kleeden.
Kostbare edelgesteenten en diamanten hingen fonkelend aan deze kleeden, zoodat hij, door hunne uitstraling verblind, zijne oogen met de koele aarde had moeten verfrisschen. Van den grootsten en mooist versierden olifant echter was een man afgestegen, armoediger gekleed dan de armste bediende; en de schetterende stoet van bedienden had zich nederig voor hem ter aarde gebogen en het stof van zijne voeten gekust.
De raadselachtige man was hem rakelings voorbijgegaan. Hij droeg geen andere sieraden dan den diamanten Keyura, den armband van zijne goddelijke waardigheid.
“Brahma is tot ons gekomen. Welaan, laat ons hem zoeken.”
In ademlooze stilte luisterden de duizenden menschen naar zijne woorden.
Met begeerige oogen hingen de fanatieke personen aan de bloedelooze lippen van den fakir. Hunne spieren begonnen van opwinding te trillen.
Nog verscheidene minuten, nadat de fakir had opgehouden, [20]bewaarde de onafzienbare volksmenigte het stilzwijgen. Maar toen werd een bruisen en suizen hoorbaar, alsof een storm naderde. En het geloei zwol aan—sterker, ontzettender—dat was geen storm meer, dat werd een orkaan, dien het godsdienstige fanatisme onder de duizenden ontketende.
In de grootste opgewondenheid schreeuwden, dansten en sprongen zij door elkaar, totdat ze zich op bevel van den Fakir opstelden, tot een bijna eindeloozen stoet en naar de heilige Tempelstad trokken, om den herboren Brahma te zoeken en zijnen goddelijken zegen te ontvangen.
Verbaasd keken de priesters in de Tempelstad naar deze processie. Machteloos stonden ze tegenover deze reuzengolf van duizenden menschen. Hunne woorden werden niet gehoord, en de steeds opdringende menschenstroom sleepte hen met zich mede.
Tempel na tempel werd door de fanatieke menigte doorgezocht zonder een spoor van Raffles te vinden.
In haar ijver sloeg de fanatieke massa er geen acht op, dat de zon begon onder te gaan en het uur aankondigde, waarop alle levenden de Tempelstad moesten verlaten.
Duizenden klokken verhieven hun dreunende, metalen stemmen, en de opgewonden menigte gaf gevolg aan de vermaning, tot haar gericht. In dichte drommen verliet zij de Tempelstad en toen de laatste van hen door de poorten van de met kroonwerk versierde stadsmuren was geschreden, werden de zware bronzen poorten gesloten.
Terwijl het wilde, fanatieke oproer door de straten en tempels der heilige stad raasde, was Raffles de stad binnengetreden en had zich in de nabijheid van den hoofdtempel in een weinig opvallende nis verborgen. Toen de straten en pleinen door de aftrekkende pelgrimsscharen waren verlaten, kroop hij uit zijn schuilplaats en sloop in de schaduw der tempelmuren naar den Hoofdtempel.
De zilveren maan scheen helder en Raffles kon alles duidelijk onderscheiden.
Als in eene geheimzinnige sprookjesstad liep hij verder. Overal prachtige beeldhouwwerken, tinnen en erkers, paviljoens en torens, goud-glanzende bronzen deuren en veelkleurige ornamenten—maar nergens een tuin. Geen bloem, geen boom. Onbewoond, zonder eenig leven, bevindt zich nacht op nacht de stad van Boeddha. Geen menschelijk wezen in al die prachtige gebouwen.
Door de openstaande deuren van de muren, die de tempels omsloten gelijk eene vesting, zag hij op pleinen met kleinere tempels.
Waarheen zijn blik zich wendt, op alle hoeken en uiteinden staat het grove beeld van Boeddha, met de schitterende star-oogen van edelgesteenten onder het voorhoofd. De schittering wordt veroorzaakt, doordat in de oogholten van den god half-bolvormige zilveren platen zijn bevestigd, die met fijn geslepen edelgesteenten, glas of stukjes zilver zijn bezet.
Dikwijls staan vele van zulke beelden bij elkaar, met verborgen beenen, de borst met kostbare gouden sieraden behangen, in wier midden een groote brillant fonkelt. Bijna de geheele figuur is met zilveren of gouden platen bezet, zoodat zij den indruk maakt van een reus met een gouden harnas.
Langs een steilen, hier en daar van trappen voorzienen weg bereikte Raffles den Hoofdtempel.
Bijna een half uur duurde het naar boven klimmen, en verlicht haalde hij adem, toen hij in de schaduw van den open tempelpost stond. Luisterend bleef hij eenige seconden staan.
Niets bewoog zich binnen in den tempel, en vol moed vervolgde hij zijn weg.
Hij liep naar het groote Boeddha-beeld, dat hem met wijd geopende, schitterende oogen, als een waarschuwend “Menetekel”, aankeek.
Voor de eerste maal overvalt hem een zekere rilling, als teeken van zenuw-verslapping.
Hij sloeg er geen acht op; onderzoekend kijkt hij naar het beeld van vijfvoudige menschengrootte. Maar niets opvallends kon hij ontdekken. Het is hetzelfde beeldhouwwerk als al het andere in de stad.
Hij begeeft zich naar de achterzijde van het godenbeeld, en met een kreet van verbazing blijft hij staan.
Dicht achter het beeld, ziet hij eene opening, die naar de diepte moet leiden. Een blauw-achtig, getemperd licht uit eene voor hem onzichtbare lichtbron schijnt in de opening, en een fijne, welriekende geur stijgt naar boven.
Een sierlijk bewerkte trap, die naar beneden leidt, ziet hij voor zich.
Zonder dralen betreedt hij deze en staat weldra in eene ruimte, welker wanden en zoldering wordt gevormd door glanzend gepolijste donkere bazaltsteenen, en in wier midden een vuur brandt.
Naast het vuur echter zit de spookachtige gedaante van een fakir, die nu en dan een stuk hout op den vuurgloed legt en uit een kleinen gouden flacon geurige essence op het vuur giet. [21]
Deze fakir is het eenige levende wezen in de tempelstad, en moet ervoor zorgen, dat het heilige vuur ter eere van Brahma, dat Boeddha hier voor den machtigen God onderhoudt, nooit uitdooft.
En deze fakir wordt als heilig beschouwd. Hij heeft om het eerebaantje in den heiligsten tempel te kunnen uitoefenen, zijne oogen, ooren, tong en voeten moeten verminken. Hij mag zien noch hooren, spreken noch gaan.
Een ontzettend offer van het godsdienstige fanatisme.
Zachtjes sloop Raffles naar den fakir, en hij schrok, toen hij in de ledige oogholten keek en het ontbreken der ooren bemerkte.
Dicht bij het vuur stond een gouden tafel, op welker blad eenige woorden waren gegraveerd, die met diamanten en robijnen waren afgezet.
Nieuwsgierig keek Raffles naar de letterteekens en al gauw kon hij de woorden ontcijferen:
Heil u, Brahma! Uwe oogen zullen stralen van geluk. Gij ziet het Akasa. Prijs ons, die het duizenden jaren voor u hebben bewaard, en verheug ons door uwe wijsheid. Dschaina!
Maar tevergeefs zocht Raffles naar het geheimzinnig Idole.
Niets kon hij ontdekken. Ten slotte onderzocht hij de tafel en vond daaronder een kistje. Hij opende het en op een wit zijden weefsel bevond zich een ovaal, geslepen, donker bronzen voorwerp van den vorm en grootte van een bord, en van een steel voorzien.
Welk raadsel zou hierin opgesloten liggen?
Wat stelde het voor?
Nieuwsgierig trad Raffles met het raadselachtig voorwerp dicht bij ’t vuur, om bij den schijn hiervan de kleine, in ornamentvorm aangebrachte heel fijne openingen op den bodem van het idole te onderzoeken.
En toen hij onwillekeurig het voorwerp boven het vuur hield, trad hij van schrik terug.
Zachte tonen weerklonken eensklaps, ergens vandaan—eigenaardiger en geheimzinniger dan de klanken der Aeolsharp—bovenaardsche muziek.
Eene koude rilling beving hem. Verbaasd keek hij om zich heen en ging wat van het vuur af staan.
Dadelijk hield ook de geheimzinnige muziek op.
Eenige minuten stond hij stilzwijgend na te denken.
Hij zocht het raadsel te verklaren. Doch hoe ingespannen hij ook zon, hij kon zelfs niet vermoeden, waar de tonen vandaan kwamen.
Toen stapte hij opnieuw naar het heilige vuur. Weer hield hij het Akasa er boven om het verder te onderzoeken, en opnieuw klonk de geheimzinnige hemelsche muziek.
Nu vond hij de verklaring.
Het door hem boven den vuurgloed gehouden Akasa bracht de wondervolle tonen voort.
Telkens als hij het voorwerp boven het vuur hield hoorde hij de zachte klanken, die direct wegstierven wanneer hij van het vuur wegging.
Maar waardoor werden zij veroorzaakt, die klanken, welke als een telkens afgebroken geluidsgolf de ruimte vulden?
Stond hij werkelijk tegenover een niet op te lossen raadsel van Indische geheime kunst?
Neen, hij ontdekte de bron. De warme lucht van het vuur, die door de openingen van het voorwerp ging, bracht de tonen voort.
Onwillekeurig keek hij naar de zoldering van het vertrek, alsof hij de onzichtbare geluiden wilde volgen. Toen was het, alsof hij plotseling in een standbeeld veranderde.
Met starende oogen, den mond ver open, als door een plotselingen schrik getroffen, wendde hij den blik naar de zwart-gepolijste zoldering.
Slechts weinige seconden kon hij zich staande houden—hij zag iets ijzingwekkends—toen viel hij bewusteloos op den grond.
Niemand hoorde het dof neervallen van zijn. lichaam.
En de misvormde fakir ging werktuigelijk voort de kostbare wierook-houtblokken op het vuur te leggen. [22]