[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE VLUCHT.

Sedert Raffles’ vertrek vermeed de Maharadjah het Zenana op te zoeken.

Zijn vertrouwde, de dikke Vakil, had hem medegedeeld, dat Samru, die op bevel van den vorst onder streng toezicht werd gehouden, tot razernij was vervallen.

Zij verborg het niet, dat zij den paria, den Engelschman, lief had en zij dreigde ermee, het paleis te verlaten en hem na te snellen.

Door deze onvoorzichtigheid liet de Maharadjah haar nog scherper bewaken, en om haren tegenstand te breken, besloot hij, haar huwelijk met een der jonge vorsten van Indië te bespoedigen.

Samru weende en raasde opnieuw, toen haar het besluit van haar vader werd meegedeeld.

Toen stormde op een avond blijkbaar opgewonden vroolijk, Natana het vertrek der prinses binnen en overhandigde haar een brief.

Samru maakte hem haastig open en las hem.

Hare wangen kleurden, hare oogen schitterden, toen zij hare lievelingsslavin toeriep:

“Van hem!”

Natana knikte lachend en antwoordde:

“Ik weet het, Meesteres, ik weet het.” Daarna schuw om zich kijkend en aan de deur van het vertrek luisterend, sprak zij fluisterend:

“Maharani, Meesteres! Op weg naar de keuken hoorde ik zacht roepen uit een venster der benedengaanderij. Voorzichtig, opdat de wachten aan de poort niets zouden merken, sloop ik in de schaduw der zuilen naar het venster en zie Achmed, den jongen Mahout, die den blanken Rajah naar Palitana vergezelde. Snel reikt hij mij den brief over en zegt: “Ik verwacht morgen op denzelfden tijd bericht aan dit venster. Deel mij mee, wat ik moet doen. Bij je leven, wees voorzichtig!”

Snel verdween hij in de donkere gaanderij, terwijl ik den brief verborg en mijn weg vervolgde. Meesteres, de redding is nabij. Zeg, wat u wilt doen!”

“Laat mij tijd om na te denken, lieve Natana. Vanavond zal ik weten, wat ik moet doen. Morgen reeds moet ik handelend optreden.”


Het was tegen denzelfden tijd den volgenden dag, toen Natana, oogenschijnlijk luierend, op het kleed in de schaduw van de zuilen neerzat, die voor de vensters der galerij stonden.

Het binnenplein van het paleis zag er zeer eenvoudig uit, de grond was met bonte steentjes ingelegd en aan alle zijden door muren omgeven. Deze muren vormden tegelijkertijd de achterwanden van andere gebouwen en waren slechts hier en daar door een klein venster of een smal houten balcon onderbroken.

Zoo prachtig en indrukwekkend het paleis er aan de voorzijde uitzag, zoo nuchter en eenvoudig was de achterkant.

Zoo ging het ook met het leven van de paleisbewoners. Vooraan in de rijke voorkamers zaten honderden hovelingen, dienaren en soldaten te luieren, terwijl op de afgelegen pleinen aan de achterzij alleen de opgestelde wachten en de druk werkende bedienden te zien waren.

Zulk een plein vormde de binding tusschen de Zenana en de keuken en hier wachtte Natana op het verschijnen van den jongen Achmed.

Het plein, lag op zij van het gebouw en werd slechts op bepaalde uren van den dag gebruikt, wanneer de [23]maaltijden voor de vrouwen in de keuken werden bereid.

Brandend heet scheen de zon; de voor de uitgangspoort staande wacht leunde slaperig en hangerig onder de bogen der poort en scheen te droomen.

Weliswaar had de soldaat eerst beproefd, zich door de aardige Natana te doen opmerken; hij werd echter zoo koel afgewezen, dat hij minachtend de slavin den rug toekeerde.

Daardoor zag hij niets toen Achmed eindelijk aan het donkere venster van de gaanderij verscheen.

“Wat zeide de Maharani?” fluisterde hij.

“De Maharani wil vluchten. Zij beveelt u, haar te helpen. Zeg, wat zij doen moet,” antwoordde Natana.

Op het gelaat van den trouwen mahout kwam een trotsch glimlachje.

“Ik ben bereid,” antwoordde hij. “Deze gaanderij ligt onder de stallen der olifanten. Alleen de knechten, met de voedering belast, betreden haar ’s avonds. Zeg aan de Maharani, dat ik haar hier zal wachten en dat ik haar veilig naar Palitana zal brengen. Maar snel, slavin, het leven van den blanken Rajah is in gevaar. En zeg aan de Maharani, dat in de olifantenstallen vandaag nog plaats zal worden gemaakt voor twintig vreemde dieren. Van een secretaris van den vakil vernam ik, dat de zoon van den Maharadjah van Udaigur komt om de Maharani naar zijn harem te brengen.”

Natana slaakte een kreet van ontzetting.

“Wacht hier op ons,” fluisterde zij en stond op.

Langzaam liep zij naar de Zenana, opende de kleine, rijk van snijwerk voorziene deur en verdween.

Ondertusschen wachtte Samru in koortsachtige spanning op de berichten die Natana zou brengen.

Maar met geen enkele beweging verried zij aan de wachters, dat haar een geheim bezig hield.

Zij had thans geleerd, haar gedachten en woorden te verbergen.

Toen Natana het groote vertrek binnentrad, keek de prinses haar met halfgesloten, vermoeide oogen aan en verscheiden minuten verliepen, voor zij zich tot haar wendde en op rustigen toon sprak:

“Leg een licht gewaad, een sari, voor mij klaar.”

Natana boog eerbiedig en verliet het vertrek.

Eenigen tijd later volgde Samru haar.

Zoo goed was alles afgesproken, dat niemand van de talrijke bedienden en wachters iets opvallends ontdekte.

In haar kamer aangekomen, wierp Samru zich op den divan en beval Natana, heel dicht bij haar te komen.

Toen eerst liet zij zich alles vertellen.

Onstuimig en snel klopte haar hart, toen zij de aanstaande komst vernam van den vorstenzoon van Udaigur, dien zij naar landsgebruik als onbeminde en niet minnende vrouw moest volgen.

Haar besluit stond vast: onmiddellijk vluchten.

Zij stond op van den divan en liep naar de kast, die haar juweelen en schatten bevatte.

Haastig kleedde zij zich in de kostbaarste sari’s, een dun zijden weefsel, versierd met wondervolle bloemen van zilver.

Toen opende zij een kleine, verborgen deur, die haar in staat stelde, buiten de zalen om, in de onderste verdieping te komen.

Onverschillig keken de wachters van de Zenana naar de beide vrouwen.

Samru ademde verlicht, toen zij op het plein stond.

Op dat oogenblik dook Achmed in de gaanderij op.

Iedere seconde was kostbaar.

“Volg mij, Maharani! Pak mijn armen beet en laat u door het venster in de gaanderij trekken.”

Gewillig volgde Samru zijn bevel op en stond met kloppend hart in de kille, donkere ruimte.

Aan terugkeeren viel nu niet meer te denken, men moest nu voorwaarts.

Ook Natana volgde en ten slotte trok de bedachtzame Achmed ook nog het tapijt in de gaanderij.

Hij lachte, toen hij dit had gedaan en sprak:

“Alle steenen zijn nu gelijk, alle vensters gelijk aan de lucht, waardoor de vogel is gevlogen. Volg mij en wees onbezorgd!”

Tusschen groote balen samengeperst voedsel door bracht hij de vrouwen naar den uitgang.

Blijf hier staan, tot ik u een teeken geef en kom dan naar boven.”

Haastig snelde de getrouwe heen.

Eindelijk verscheen Achmed weer.

“Kom,” zei hij.

Sidderend stegen de beide vluchtelingen een trap op en bevonden zich in de groote hal, die de olifanten verborg.

Dadelijk bracht Achmed haar naar een van de grootste dieren, dat reeds prachtig opgetuigd en met een goedgesloten rijtent op den rug klaar stond.

Gehoorzaam knielde het voortreffelijk afgerichte dier neer en de beide vrouwen konden zich zeer gemakkelijk op de kussens in de tent laten neerzakken. [24]

Hierop nam Achmed zijn plaats in op den kop dicht achter de groote ooren van het dier en gaf het een kort bevel. De olifant stond op en liep naar den uitgang.

De wachters bij de poort waren niet gewend, ook maar een enkele vraag tot den mahout te richten.

Dienstvaardig openden zij de zware ijzeren deurvleugels en de olifant met zijn kostbaren last bevond zich op straat.

Langzaam en zonder het dier aan te zetten, liet Achmed het voorwaarts gaan.

Toen de zon ten ondergang neeg, was hij reeds een heel eind van Indrabad verwijderd.

Nu hield Achmed een half uur rust en voerde het dier met maïs en vruchten.

Liefkoozend streelde hij den slurf van den olifant en, hem wat suikerriet gevend, sprak hij:

“Laat nu aan je meesteres zien, dat je van een koninklijk geslacht bent en dat de snelste renners onder jou zoo gehate paarden bij jou vergeleken, wat snelheid betreft, maar ellendige paria’s zijn. Vooruit Avyar!”

Gehoorzaam slingerde d olifant zijn slurf om het lichaam van zijn meester en zette dezen voorzichtig op den kop neer. Behendig nam Achmed zijn zitplaats weer in. Hij behoefde het voorhoofd van den reus maar even met zijn stok aan te raken en het dier zette zich in beweging.

“Ga goed in de kussens liggen!” zei Achmed tot de vrouwen, “en snoer de riemen stevig vast. Avyar zal loopen!”

Daarop fluisterde hij het beest eenige geheimzinnige woorden in het groote oor. Dadelijk stak het zijn slurf in de hoogte en stiet een schril geluid uit als van een trompet. Toen begon het sneller en sneller te loopen, totdat het in een razend tempo als een bliksemtrein voorwaarts stoof.

En het was noodig, dat het dier al zijn krachten voor de vluchtelingen inspande.

Eenige mijlen achter hen waren reeds vervolgers hun op het spoor en slechts de buitengewone snelheid van het beest maakte dat zij achterbleven. Den volgenden morgen bereikten de vluchtelingen de pelgrimsstraat naar Palitana.

Zij gunden zich slechts een korte morgenrust van nauwelijks een uur. Daarna vervolgden zij hun weg.

De olifant was, niettegenstaande den inspannenden tocht zeer frisch en in staat verdere vermoeienissen te doorstaan.

Nadat Achmed het trouwe dier had gevoerd en te drinken gegeven, gehoorzaamde het zeer gewillig, toen het een teeken ontving om verder te trekken.

Optochten van pelgrims, dikwijls van zeer ver komend, trokken hen voorbij en keken vol verbazing naar den kostbaar opgetuigden olifant.

Verwonderd schudden de voorbijgangers het hoofd. Wat zou dit toch zijn? Wie zou zich in de gesloten tent bevinden?

Zij meenden een wonder te zien in het prachtige dier, dat zonder gevolg op den heeten, stoffigen karavaan-straatweg naar Palitana liep. [25]