Reeds lang voor het aanbreken van den dag verzamelden zich duizenden pelgrims voor de gesloten poorten van Palitana en wachtten vol verlangen op het oogenblik, waarop zij de stad zouden mogen binnentreden.
Vooraan liep de heilige fakir.
In den nacht waren veel priesters van Dschaina tot hem gekomen en hadden hem met verwijten overstelpt. Hij had hun eerst moeten vertellen, wat hij vermoedde, om dan tezamen te overleggen wat hun te doen stond.
De fakir had hoonend gelachen.
“Gij dwazen, wilt gij oordeelen over de profeten en de wegen van Brahma? Ach, gij zijt bevreesd, dat ik u de heerschappij zal ontnemen en u zal benadeelen! Gaat heen! Of mijn toorn roept de hulp van het volk in, dat u zal vermoorden.”
Daarop hadden de priesters den fakir verlaten. Zij wisten, dat het opgewonden volk hen, ondanks hunne priestergewaden, ondanks hun Brahmanengordel, in stukken zou scheuren, indien de fakir het wilde.
Deze was nu meester over de duizenden en met hun heerschappij was het gedaan.
Hem zouden de pelgrims gehoorzamen.
Vreeselijk konden de gevolgen zijn, als de fakir den een of anderen vreemden persoon zou vinden, dien hij het fanatieke volk als Brahma zou voorstellen.
Nog in dienzelfden nacht besloten de priesters daarom, in eene geheime bijeenkomst, dat zij een uur vóór de opening der poorten de stad zouden binnensluipen om alle tempels te doorzoeken.
Toen de priesters van den hoofdtempel naar het eeuwige vuur afdaalden, slaakten zij kreten van vrees en ontzetting en snelden eerst in wilde vlucht terug.
Naast het vuur hadden zij eene gestalte ontwaard.
Het duurde geruimen tijd, eer zij van hun schrik waren bekomen en zich opnieuw in het heilig gewelf durfden begeven.
Zij zagen nu, dat de verschijning, die hen bevreesd had gemaakt, een vreemdeling was, met een langen, golvenden baard.
Zeer vreemd kwam hun de houding van den persoon voor. Want hij lette er niet op, dat zij naderbij kwamen; hij staarde met een blik vol verrukking op naar de zoldering en keek naar het geheimzinnige beeld, dat het heilige Akasa daar getooverd had, en dat hij niet kon verklaren. Hij begreep niet hoe—waardoor!
Maar ook de priesters kenden de oplossing niet van dit geheimzinnige voortbrengsel van oud-brahmaansche kunst.
Zij hoorden zachte, liefelijke tonen, zij zagen aan de zoldering zeldzame rozig-gekleurde lichamen van bajaderen en goden in wiegelenden dans voorbijzweven en verdwijnen.
Zij werden geheel meegesleept door dit raadselachtige beeld en vergaten hierdoor, met welk doel ze hierheen waren gekomen en wat zij zochten.
Daar dreunden met een enkelen slag alle klokken der tempelstad en lieten haar metalen stemmen hooren.
De vreemdeling schrikte op bij dit geweldige geluid, en alsof hij uit een droom ontwaakte, zoo staarde hij als gedachtenloos op de schare priesters, die vol schuwe vrees voor hem stond.
Daar trad een oude, grijze priester moedig naar voren en sprak, diep buigende:
“Sahib, wij zoeken u en vragen u: Zijt gij Brahma?”
Raffles stond op van het vuur, het Akasa vast in de handen houdend, en naderde zonder te antwoorden den priester.
Als een dof-loeiende, steeds meer aanzwellende [26]orkaan dong het lawaai van het volk, dat de tempelstad was binnengekomen, in het gewelf door.
Het naderde steeds en de priesters werden door ontzetting aangegrepen bij de gedachte aan dat, wat zou gebeuren, wanneer de fanatieke massa den vreemdeling zou ontdekken.
Eene bestorming der tempels! Eene verwoesting van alle godenbeelden in het gansche land, zelfs van Brahma, Wischnu en Siwa, de heilige drieëenheid!
De grijze Dschainpriester zag het gevaar het duidelijkst in. De vreemdeling moest onschadelijk gemaakt worden, voordat het volk hem vond.
“Laat ons dit gewelf verlaten, broeders”, riep de oude, “en den toegang afsluiten. Niemand mag deze geheime plaats ontdekken. Is dit Brahma, dan zal hij zichzelf weten te helpen en geen menschelijke macht zal hem weten tegen te houden. Volgt mij!”
De priesters waren reeds teruggeweken voor Raffles, die als een slaapwandelaar langzaam nader kwam, en angstig vluchtten zij langs de trap naar boven.
De oude grijze was de laatste.
Zoodra hij de boven-gelegen ruimte had bereikt, liet hij een grooten marmeren steen, die daarin precies paste, in de opening leggen en zelfs de scherpste oogen hadden den ingang niet meer kunnen ontdekken.
De pelgrims drongen in dichte massa’s over de breede trappen naar den tempelingang toe. Steeds opnieuw weerklonk uit hun midden een langgerekte kreet om Brahma.
“Brahma! Brahma!”
Nu sprak de opperpriester van den Dschain-tempel tot de pelgrims:
“Wat roept gij, en wat zoekt gij?”
En uit duizend stemmen klonk het terug:
“Brahma! Brahma!”
“Ik begrijp u niet”, antwoordde de oude. “Hij, dien gij zoekt, is niet hier!”
“Hij is hier, gij oude, grijze leugenaar!” schreeuwde de fakir, die aan het hoofd van een hoop pelgrims de trap opstormde.
Woest fladderden zijn lange, witte haren om zijn mager lichaam. Beide armen opheffende, riep hij tot de pelgrims:
“Voorwaarts! Zoekt Brahma! Hij bevindt zich hier in de tempelstad. Mijn oogen zagen den goddelijke, mijn mond ademde de ambergeuren van zijn lichaam in. Voorwaarts! Brahma! Brahma!”
Als een onstuimige golf stortte de menigte, de priesters mee voortsleepend, in den tempel en vond niets.
De fakir, die het geheim van de onderaardsche gang kende, zocht met brandende oogen op den bodem naar den ingang.
Tevergeefs! Deze was zóó goed verborgen, dat men hem niet kon vinden.
En toch hoorde hij aan den hollen klank van den bodem onder zijne schreden, dat zich daar geheime verblijfplaatsen moesten bevinden.
“Haalt ijzeren stangen!” schreeuwde hij tot de pelgrims, “wij zullen, den bodem opbreken!”
“Dat zal je niet doen!” riep de oude Dschainpriester, “gij zijt een kind des doods, als gij een tempel schendt!”
In plaats van te antwoorden beval de fakir weer:
“Haalt ijzeren stangen!”
Eenige pelgrims snelden heen om uit het kamp buiten de stad het gewenschte te halen.
Steeds woedender drong de opgewonden menigte op de priesters van den hoofdtempel aan.
Deze hadden zich op de trappen van het altaar, vóór het Boeddha-beeld, verzameld, nadat zij zich hadden gewapend met zilveren en gouden bijlen en zwaarden uit de schatkamer van den tempel.
Zij waren vastbesloten liever te sterven, dan hun tempel te laten ontwijden.
Maar de volksmenigte volhardde in haar voornemen en zij wachtte, onder leiding van den fakir, op de terugkomst van de boden, die naar het kamp waren gezonden.
Daar weerklonk uit de verte de luide kreet van een olifant.
Daar de tempel op een hoogen berg lag, kon men in de straten kijken, en men ontwaarde een prachtig opgetuigd beest, dat, omringd door eene ontelbare menigte pelgrims, den tempelberg naderde.
Deze verschijning lokte ook den fakir uit den tempel.
Zou daar een machtige Rajah komen? Dan hadden de priesters gewonnen spel. Hij zou hen beschermen.
Om zekerheid te hebben, snelde hij het dier, dat door den langen tocht vermoeid was en zich nog maar langzaam voortbewoog, tegemoet.
Hoe verbaasd was hij, toen hij in den mahout, dien de olifant droeg, dien jongen hindoe herkende, aan wien hij het geheim van het Akasa had verraden. Ook Achmed herkende dadelijk den fakir en riep hem toe: [27]
“Geleid ons naar den tempel en naar het gewelf van het Akasa. Mijn meesteres beveelt het.”
De zijden gordijnen van de tent werden nu geopend en de fakir kon de van juweelen schitterende, rijk gekleede Samru zien.
“Geleid ons!” riep zij door haar dichte sluiers, en wierp tegelijkertijd eenige gouden munten als belooning naar beneden.
Nieuwsgierig en verbaasd keek het omringende volk naar de prinses en vroeg:
“Wat beteekent dat?”
Zij zouden antwoord krijgen.
De fakir zocht in zijn fantasie verband tusschen de aankomst van den opgesierden olifant en zijn meesteres en den gezochten Brahma en voor het dier uitloopend en den weg wijzend, sloeg hij met wild gebaar zijn armen omhoog en riep in de grootste opgewondenheid:
“Maakt plaats, lieden! Bidt! Anapura, de lievelingsgodin van Brahma, is gekomen om hem door haar schoonheid en dans vreugde te brengen.”
En het volk in zijn groote onwetendheid, in zijn zucht naar het geheimzinnige, sloeg geloof aan deze woorden en volgde onder geestdriftig roepen en bidden naar den tempelberg.
Slechts met moeite kon de weg voor den olifant worden vrijgehouden. Man aan man, als een golvende zee, drongen de pelgrimscharen voorwaarts.
Toen nu de olifant voor den ingang van den tempel neerknielde, en Achmed zijn meesteres en haar slavin behulpzaam was bij het verlaten van de tent, brak de menigte los in kreten van verrukking.
In het schitterende zonnelicht straalden en vonkelden de juweelen en sieraden van Samru en het was te begrijpen, dat men haar voor een bovenaardsch wezen hield.
Natana volgde haar meesteres, toen deze den drempel binnenschreed.
De priesters bogen diep voor haar, want zij herkenden aan de pracht der juweelen en de kostbare kleedij een spruit uit het vorstelijk geslacht.
De opperpriester van Dschain naderde Samru.
“Wat wenscht gij, meesteres, in den tempel van Dschaina? Uw gebeden zullen op gouden handen voor zijn aangezicht worden gebracht en zijn goddelijke zegen zal met zonnestralen op u nederstroomen!”
Samru die haar gelaat, volgens de zeden van het land, diep gesluierd had, antwoordde:
“Priester, ik wensch niet te bidden. Ik wensch van u te vernemen, waar de vreemdeling is die in deze stad is verdwenen!”
De priester haalde de schouders op en meende verstandig te handelen als hij loog.
“Ik weet van geen vreemdeling”, sprak hij. Maar de fakir en het volk lieten hem niet verder spreken.
“Hij liegt!” schreeuwde de menigte uit duizend kelen.
De priester verbleekte en zijn knieën knikten.
Duizenden vuisten strekten zich dreigend naar hem uit. Het fanatisme der menigte verlangde naar een slachtoffer.
Samru hief haar rechterarm op en alsof olie op de golven van een woeste zee werd geworpen, verstomden de kreten en bedreigingen.
Zoodra de rust hersteld was, herhaalde Samru haar vraag en ten einde raad trad de opperpriester naar zijn makkers toe.
Dit dralen bewees, dat de priesters een geheim wilden verbergen en in haar vrees, den geliefde door de valsche streken van de priesters te zullen verliezen en bevreesd voor wat hem mocht zijn overkomen, hief Samru haar hand opnieuw omhoog en riep:
“Weg met de priesters!”
Nauwelijks had zij deze woorden gesproken, of uit duizend kelen klonk een woedend geschreeuw.
Als een reuzengolf wierpen de menschen zich op de ontstelde priesters, hun zilveren en gouden wapenen werden hun ontnomen nog voordat zij deze ter verdediging hadden kunnen opheffen en in een korte spanne tijds waren de Dschain-priesters tot een vormlooze massa verslagen en vertrapt.
In dolle verrukking dansten de overwinnaars om de lichamen van hun slachtoffers, daarbij luide jubelkreten slakende, nu hun fanatisme was bevredigd.
In het volgende oogenblik beukten ook reeds ijzeren stangen op de marmeren plaat achter het Boeddhabeeld en in weinig tijd was de ingang naar het onderaardsch gewelf van het eeuwige vuur vrijgemaakt.
Op een teeken van Samru heerschte er diepe stilte onder de menigte.
Zeldzame, geheimzinnige muziek klonk uit het gewelf omhoog—wondervolle tonen, zooals de toehoorders ze nog nooit hadden gehoord.
En de zoete harmonieën, die weerklonken, kalmeerden de opgewonden menigte en beroerden hun ziel, als voorspelden zij het hoogste geluk.
Aarzelend zette Samru haar voet op de bovenste [28]trede, want de onzekerheid over hetgeen zij beneden zou aanschouwen, deed haar beven.
Niemand durfde haar vergezellen. De fakir plaatste zich met het gouden zwaard, dat hij een der priesters had ontrukt, voor den ingang; naast hem stonden Achmed en Natana.
Zoodra Samru de onderste trede der trap had bereikt en een blik wierp in het gewelf, bleef zij verschrikt staan.
Daar, dicht bij haar, naast een klein welriekend vuur, zat hij, voor wien zij haar leven had gewaagd, omdat haar groote, warme jonge liefde hem toebehoorde.
Daar zat hij, de oogen naar de zoldering gericht. Hij was zoo in gedachten verdiept, dat hij haar verschijning niet had opgemerkt.
Heel zacht, als vreesde zij hem te storen, trad zij naderbij.
Nu bemerkte zij, dat de muziek uit een instrument kwam, dat hij boven het vuur hield.
Maar het was niet de muziek, die zijn zinnen bekoorde, doch—zij wendde den blik haar de zoldering en zag de spelende en dansende figuren. Aarzelend schreed zij naar het vuur toe, tot zij dicht naast hem stond.
Zij legde haar rechterhand op Raffles’ schouders en sprak met zachte stem:
“Rao!”
Verschrikt ontwaakte hij uit zijn gepeins.
Hij legde het Akasa op den grond en wreef zijn oogen uit, voordat hij haar aankeek.
Vermoeid en mat klonk zijn stem, toen hij bijna stamelend zei:
“Ben jij het, Samru? Of is het een nieuw visioen?”
“Ik ben het, Rao, ik ontving je brief en met behulp van Achmed ben ik het paleis van mijn vader ontvlucht en ik heb je bevrijd uit de handen der priesters. Kom, sta op en wees blij, dat ik op het juiste oogenblik kwam, voordat een ongeluk je trof.”
“Je kwaamt te rechter tijd!” sprak Raffles halfluid. “Daar ligt een helsch product van Indische tooverkunst, dat dengene, die het ziet, volkomen in zijn macht houdt. Goddank! Je bent te rechter tijd gekomen! Hoe vond je den weg hierheen?”
“Achmed, dien jij met den brief naar mij toezond, bracht mij hierheen.”
Hij keek haar aan als iemand, die uit een zwaren slaap ontwaakt en met moeite weer tot de werkelijkheid terugkomt.
Langzaam keerde de herinnering bij hem terug.
Samru legde haar armen om zijn hals.
“Wat dreef je toch naar dit geheim, Rao?”
Raffles streelde heur haar, zijn oogen werden weer levendig, zacht sloeg hij den sluier op zij en kuste haar.
“Mijn plicht, Samru!”
Vragend keek zij hem aan, zij begreep deze woorden niet. Een Indische Maharani heeft geen plichten.
“Ik moet je redden, Rao”, vervolgde zij. “Het volk is door een fanatieken fakir op een dwaalspoor gebracht en houdt je voor den herboren Brahma. Wij moeten ons verwijderen, zonder dat de arme dwazen iets merken. Ik zal Natana roepen, je moet je in haar kleeren hullen en gesluierd als mijn slavin den tempel verlaten.
“Voor den hoofdingang wacht mijn olifant. In diens tent moet je je bergen.”
Raffles wist niets van hetgeen buiten den tempel was voorgevallen.
Het geheim van het Akasa had hem geheel in beslag genomen.
De zeldzame beeltenissen, die het bij het schijnsel van het vuur te voorschijn tooverde, hadden als een bovennatuurlijke verschijning gewerkt en zijn geest in onverbreekbare banden geketend.
Daar klonk geluid op de trap.
Langzaam daalde de fakir naar beneden.
Voordat hij de onderste trede bereikte en Raffles kon zien, was Samru hem tegemoet gesneld en, een snelle ingeving volgend, riep zij hem toe:
“Keer terug tot het volk en zeg hun, dat allen dadelijk de stad moeten verlaten, totdat zij een ander bevel hebben gekregen.”
Gehoorzaam ging de fakir weer naar boven. Hij begreep, dat alleen een vorstin een dergelijk bevel kon geven, want slechts de grooten en machtigen van een land waren gewend om te bevelen.
Slechts zij—de meesters—mochten gebieden en de overige millioenen hadden te gehoorzamen.
En zoo gaven ook hier de duizenden welwillend gevolg aan de woorden van den fakir.
Bovendien naderde reeds het uur, waarop de poorten der tempelstad werden gesloten.
Toen de avondklokken luidden, was priester noch pelgrim in de heilige stad achtergebleven. [29]