In de groote conversatiezaal van de Windsor Club waren een tiental heeren bijeen, die allen bij den haard zaten, waarin een groot vuur vlamde.
De avonden waren nog zeer kil, en het weder, na geruimen tijd warm te zijn geweest, was omgeslagen.
Er stond een electrische lamp op den monumentalen schoorsteen, die haar gedempt licht wierp over de groep leden, die alle in gemakkelijke, lederen leunstoelen gezeten waren.
Er werd weinig gesproken, en sommige heeren schenen zelfs in slaap gevallen te zijn.
Zij lagen languit in hun stoel, met de armen slap nederhangend langs de zijden van dit meubel.
De deur ging open en Raffles trad binnen, op den voet gevolgd door Charly Brand.
De twee mannen bleven even op den drempel van de deur staan, en wierpen een blik om zich heen.
Er zaten slechts weinig leden aan de groote leestafel, die in het midden van de groote zaal geplaatst was.
Dezen hadden zelfs niet opgekeken toen de deur open ging, maar rustig hun lectuur voortgezet.
Raffles en Charly wendden hun schreden naar den [5]haard, waar zij met moeite nog een paar stoelen konden vinden.
Zij staken een sigaret op, en Raffles begon:
—Ik weet het niet, mijne heeren, maar ik heb het gevoel, alsof wij een gesprek storen! Behandelt gij soms een staatsgeheim?
—Dat juist niet, Mylord! antwoordde een dikke heer, de bankier Wynn, die het dichtst bij Raffles gezeten was, en op een geweldige sigaar kauwde. Als gij ons wat zwijgend aantreft, dan komt dat eenvoudig, omdat het onderwerp van ons gesprek niet van de aangenaamste soort was!
—Ah, ik begrijp het al, zeide Charly lachend. De heeren hebben over de aanstaande verkiezingen gesproken!
—Gij vergist u, mijnheer Brand, liet de sleepende stem van graaf Sanderson zich hooren, een der oudste leden van de club, die haar mede had opgericht. Het ging niet over politiek! Bovendien—de verkiezingen zijn gelukkig nog ver!
—Een paniek op de beurs? hernam Charly, zich tot den bankier wendende.
—Neen, mijn waarde! antwoordde Wynn. De beurs is all right! Wij spraken slechts over dien armen Bob Spencer!
De bankier noemde den naam van een der jongste leden der club, wiens vader kolonel Herbert Spencer, in den grooten oorlog gesneuveld was, en voordien eveneens lid van de Windsor Club was geweest.
—Wat is er met Robert Spencer? vroeg Raffles belangstellend.
—Wat er is, Mylord? Men zegt, dat de arme kerel zich hedenmorgen van het leven heeft willen berooven, en dat zijn bediende nog juist bijtijds kwam, om het hem te beletten! antwoordde Wynn.
—Wat zegt gij daar! riep Raffles ontsteld uit. Die jonge, fiksche kerel? Hoe is dat mogelijk?
—Een ongelukkige liefde misschien? waagde Charly.
—Neen, dat is het niet, zeide Wynn hoofdschuddend. Het moet een geldkwestie zijn.
—Vertel het mij eens, zeide Raffles op ernstigen toon. Als vice-president van deze club stel ik natuurlijk belang in de aangelegenheden van al onze leden en zeker als zij van zulk een groot gewicht zijn!
De dikke bankier krabde zich eens achter het oor, en begon:
—De zaak is, dat Bob Spencer in een leelijk parket zit, in finantieel opzicht! Het is u misschien bekend, Mylord, dat die jonge snuiter, toen zijn vader nog rijk was, de waarde van het geld niet al te goed kende, en maar raak verteerde! Daar kwam natuurlijk een einde aan, toen de oorlog uitbrak, en Robert als tweede luitenant naar Frankrijk trok. Maar intusschen was het kwaad geschied! En alles zou nog wel terecht zijn gekomen, als de arme kolonel niet zoo onverstandig was geweest, ondanks mijn raad, zijn geld te beleggen in Hongaarsche spoorwegen en Russische papieren! Dat was, zooals gij zult begrijpen, vóór den oorlog. Het was een val van geweld, toen de Sovjetregeering eenvoudig verklaarde, de rente van die papieren niet te zullen uitbetalen, en de Hongaarsche effecten niet veel meer waard waren dan scheurpapier.
De bankier wachtte even, om een teug van zijn wisky-soda te nemen, en vervolgde toen:
—Toen dat gebeurde was kolonel Spencer reeds gevallen. Robert had gemeend, met het kapitaal van zijn vader, als dat eenmaal zou worden uitbetaald, zijn schulden gemakkelijk zou kunnen betalen—en ik verzoek u, te gelooven, dat zij zeer hoog waren! Dat is trouwens een publiek geheim. Om aan geld te komen, had Bob—zijn brave vader hield er zeer strenge denkbeelden op na—zich tot een geldschieter gewend, die niet veel beter dan een gemeene woekeraar bleek te zijn, een schurk die zijn klanten vilde! Hij teekende, en hij teekende maar—altijd maar nieuwe wissels, die maar altijd geprolongeerd werden—tegen een ongelooflijk hooge rente, want die schavuit van een geldschieter rekende er natuurlijk vast op, dat hij zijn geld later dubbel en dwars zou terug krijgen!
Wynn deed een langen haal aan zijn sigaar, zuchtte even en besloot:
—Toen kwam die mededeeling uit Petrograd. De groote „krach”! Honderden gingen over den kop. De weduwe, de zoon en de dochter van kolonel Spencer hadden als eenig bezit nog maar een klein landhuis, waar de oude vrouw rustig haar dagen meende te kunnen slijten—tenminste dat geloofde zij! Maar dat huis was al zoo zwaar verhypothekeerd, dat eigenlijk geen steen hun nog toebehoorde! Ook het werk van dien woekeraar! Wel—en hier is de geschiedenis uit! [6]De kerel, die nu wel ziet, dat zijn berekeningen falikant zijn uitgekomen, legt Bob de duimschroeven aan, en wil geld zien! En Bob heeft het niet! Hij rekent op de opbrengst van een onnoozele zilvermijn, ergens bij Tehunantepec, in Mexico, maar voor er uit die mijn iets gehaald wordt, kan er nog heel wat water door het Kanaal stroomen!
—En dus daarom …? vroeg Raffles zacht.
—Daarom greep hij vanmorgen naar zijn scheermes, in een aanval van krankzinnige wanhoop, en als zijn bediende niet juist bijtijds was toegesneld, dan zou hij nu niet meer leven! De brave kerel, die al jaren in dienst van den kolonel was geweest, laat den jongen nu niet meer uit het oog!
—Maar woont Bob dan nu in Londen? vroeg graaf Sanderson. Gij zeidet zooeven, Wynn, dat zijn familie een landhuis bewoont?
—Robert Spencer woont reeds weder een half jaar hier, antwoordde Wynn. Hij heeft kamers in Grosvenor Square. Wat zijn moeder en zuster betreft—die hebben juist gisteren het huis moeten verlaten—want over een week komt het onder den hamer!
—Dat zal den armen kerel tot zijn wanhoopsdaad hebben aangedreven! mompelde Raffles half voor zich heen.
Hij wierp een blik achter zich, liet zijn stem dalen en vervolgde:
—Vergis ik mij, of is de zuster van Robert Spencer verloofd met een lid van onze club? Met Martin Clyde, naar ik meen!
—Zoo is het, Mylord! antwoordde Wynn.
—Weet Clyde het? Ik meen, dat het gezin van zijn aanstaande vrouw voor een finantieel debacle staat?
—Het is op de beurs algemeen bekend, Mylord! gaf Wynn schouderophalend te kennen.
—Is Clyde rijk?
—Hij is welgesteld—meer niet.
—Hij heeft zich nog niet lang geleden gevestigd als geneesheer, liet de sleepende stem van graaf Sanderson zich hooren.
Raffles bleef een oogenblik in gedachten zitten, en hij scheen een vraag te willen stellen, maar bezon zich, stond op, en zeide op meewarigen toon:
—Een zeer treurige zaak! Ik hoop van harte, dat zich nog een uitweg moge voordoen, want die jonge man had mijn sympathie—al is hij dan zeker wel wat heel lichtzinnig omgegaan met geld, waarvan hij nog niet zeker was!
Hij gaf Charly een voor de anderen onmerkbaren wenk, en beiden drentelden langzaam door de groote zaal, gingen de biljartzaal binnen, staken ook deze over, en kwamen zoo weder op de breede gang, waaraan ook het particuliere spreekvertrek van den vice-president der club gelegen was.
Zij traden er binnen en Raffles maakte licht.
Daarop wierp hij zich in een stoel, stak de hand uit naar de doos met Russische sigaretten, welke hier altijd gereed moet staan, en rookte eenigen tijd zwijgend.
Toen richtte hij zich op, en zeide:
—Ik heb zooeven bijna naar den naam van dien woekeraar gevraagd, maar mij bezonnen. Het is niet noodig, dat de andere leden vermoeden, welk belang ik in deze zaak stel, en dat ik voornemens ben, dien bloedzuiger eens een lesje te geven! Wij zullen den man ook zoo wel uitvinden!
—Dat zal heel gemakkelijk gaan, dunkt mij, gaf Charly toe.
—Het is en blijft een zonderlinge maatschappij, welker inrichting het mogelijk maakt, dat een jonge man, in de kracht van zijn leven, den dood zoekt, om te ontkomen aan den greep van een anderen man, die reeds met één voet in het graf staat! En alleen om geld! hernam Raffles met een ironischen glimlach. Aan den anderen kant—delgt men een schuld niet uit, door de hand aan zich zelf te slaan! Ik had eigenlijk meer karakter van den jongen Spencer verwacht!
—Een oogenblik van waanzin! vergoelijkte Charly. Bedenk, dat men het huis, waar zijn geslacht misschien vele eeuwen achtereen heeft gewoond, boven het hoofd zijner moeder wil verkoopen!
—Ik erken, dat het een vreeselijke gewaarwording moet zijn—en vooral, wanneer men er voor een groot gedeelte zelf schuld aan heeft! zeide Raffles peinzend. Nu, wij zullen zien, wat hier nog aan gedaan kan worden! In ieder geval moeten wij den naam van dien woekeraar weten. Ik zou je dus willen verzoeken, Charly, spoedig een onderzoek in te stellen, maar zoo, dat mijn naam buiten spel blijft. Het is gemakkelijker voor ons, zoo lang mogelijk anoniem op te treden—want wie weet moeten wij wel tot groote middelen [7]onze toevlucht nemen—en dat gaat voor Lord Aberdeen bezwaarlijk—voor John Raffles daarentegen zeer gemakkelijk!
—Morgen zul je den naam weten!
—Ik reken op je!
Raffles wierp een blik op zijn horloge en vervolgde:
—Kom—het is bijna tijd voor de bestuursvergadering!