Den volgenden dag stonden de bladen, die des middags uitkwamen, vol bijzonderheden omtrent den moord op Stephen Ross.
De woekeraar was door zijn ouden bediende dood voor zijn geforceerde brandkast gevonden met een vreeselijke hoofdwonde.
Blijkbaar was zijn schedel als een eierschaal verpletterd door den slag met een zwaar ijzeren voorwerp, een koevoet of iets dergelijks.
Niet zoodra had Charly, die zich in de bibliotheek van het fraaie huis in de Regent Street onledig hield met het bijhouden van zijn registers, de krantenjongens op straat den naam van Stephen Ross hooren uitschreeuwen, of hij snelde de straat op, en kocht een middageditie van de „Daily Mail”.
Daarmede gewapend, ging hij naar de slaapkamer van Raffles, die zich juist kleedde voor een wandelrit en bezig was, voor den grooten spiegel zijn das te strikken.
Hij wendde zich naar Charly om en vroeg:
—Wat is er gebeurd? Je ziet er zoo opgewonden uit.
—Dat is niet te verwonderen—Stephen Ross is vermoord!
Raffles keek Charly eenige oogenblikken strak aan, en vroeg toen zacht en als afkeerig om het antwoord te vernemen:
—De dader?
—Dien schijnt men nog niet in handen te hebben! [13]antwoordde Charly, die het bericht reeds vluchtig had doorgelezen. Het is ook geen gewone moord, het is roofmoord!
—Een inbraak dus?
—Ja, de brandkast is opengebroken, evenals zijn schrijftafel en de loketkast.
—Lees het mij eens voor, zeide Raffles kortaf, terwijl hij zijn jacquet aanschoot en in een gemakkelijken stoel ging zitten, met zijn lange, in rijbroek en lederen kappen gestoken beenen voor zich uitgestrekt.
Charly begon met gedempte stem voor te lezen.
MOORD OP EEN EFFECTENHANDELAAR.
De politie op het spoor van den dader.
In den afgeloopen nacht is in de Bishop Street weder een zeer zwaar misdrijf gepleegd, hetwelk maar al te zeer aantoont dat het met de veiligheid van onze medeburgers zelfs in hun eigen huis nog altijd droevig gesteld is.
In zijn eigen kantoor is de commissionair in effecten Stephen Ross, op vreeselijke wijze vermoord.
Hij bewoonde een zeer oud, betrekkelijk klein huis, waar hij reeds sedert vele jaren zijn zaken deed.
Hij heeft geen ander personeel dan een jongen klerk, die tevens loopersdiensten verricht, en die om half zes het kantoor verlaat.
Het bedienden-personeel bestaat uit een ouden huisknecht en een huishoudster, die beiden in het huis slapen, op de zolderverdieping.
Gelijkvloers bevinden zich de kleine eetzaal en een soort van werkkamer, op de eerste verdieping het kantoor en een klein vertrek voor den klerk, daarboven de slaapkamer van Stephen Ross, en een ongebruikt vertrek.
Toen de oude bediende van den effectenhandelaar, Henry Jefferson, hedenmorgen, zooals gewoonlijk, om half acht zijn meester wilde gaan wekken, kreeg hij op zijn kloppen geen gehoor.
Eenigszins ongerust rammelde hij aan den knop van de deur, waarvan hij wist dat zijn meester deze des nachts steeds grendelde, en tot zijn verwondering kon hij haar gemakkelijk openen.
Hij trad binnen en zag in de halve schemering—de gordijnen waren gesloten—dat het bed beslapen was.
Maar Stephen Ross was nergens te zien.
De bediende wachtte een oogenblik, maar toen zijn meester niet terugkeerde, ging hij eens in de andere vertrekken zien.
Ten laatste stond hij voor de deur van het kantoor en nu eerst zag hij tot zijn schrik, dat deze op een kier stond.
Want deze deur werd steeds zorgvuldig door zijn meester afgesloten, voor hij zich ter ruste begaf.
Hij rukte de deur open en trad binnen, maar deinsde aanstonds met een schreeuw van ontzetting terug.
In het vertrek heerschte eene onbeschrijfelijke verwarring.
De brandkast was een weinig van haar plaats verschoven en in de deur was een groot gat in den omtrek van het sleutelgat gesmolten, waardoor het gemakkelijk viel haar te openen.
De schrijftafel was opengebroken, evenals de loketkasten, en overal lagen papieren maar in het rond gestrooid.
Dicht bij de kast, met het gelaat voorover op den grond, de armen wijduitgestrekt, lag het lichaam van Stephen Ross in een grooten bloedplas, die gedeeltelijk reeds gestold was.
De ongelukkige was in nachtgewaad gekleed.
Hij was waarschijnlijk met een blaker in de hand binnengekomen en verraderlijk overvallen door den dader, die zich achter de kast verscholen had.
Het voorwerp was hem uit de hand gevallen, toen hij werd neergeslagen en in een hoek van het vertrek gerold.
De schedel was gespleten en een dikke koek geronnen bloed bedekte het achterhoofd.
Henry Jefferson bleef een oogenblik met wijdgeopende oogen dit vreeselijk schouwspel aanzien en liep toen luid schreeuwend, ten einde de huishoudster te gaan waarschuwen, naar Miss Wilcox.
Daarop telephoneerde hij aanstonds de politie, maar hij moest dit in een naburigen sigarenwinkel doen, want het bleek dat de moordenaar den telephoondraad had doorgesneden.
Aanstonds waren een paar detectives van Scotland Yard [14]ter plaatse, vergezeld door een inspecteur van politie.
Uit het ingestelde onderzoek bleek dat de brandkast totaal geplunderd was, die den bedrag aan contanten bevatte van omstreeks twaalf duizend pond sterling, en voorts een aantal effecten en wissels.
Ross was waarschijnlijk wakker geworden door eenig gerucht in zijn kantoor, en had een kaars en zijn revolver gegrepen, om te gaan zien of alles veilig was.
Maar voor hij van dat wapen gebruik had kunnen maken moet de moordenaar hem ruggelings met een zwaar voorwerp hebben neergeslagen, waardoor de dood bijna onmiddellijk intrad.
Wij kunnen uit den aard der zaak geen nadere bijzonderheden melden, maar wel mogen wij meedeelen dat de politie reeds op een spoor is, en dat men een opzienbarende arrestatie kan verwachten, welke wellicht reeds een feit is op het oogenblik dat ons blad ter perse gaat!
Natuurlijk zullen wij niet nalaten, onze lezers op de hoogte te houden van dezen afschuwelijken moord.
Charly liet het blad zakken en keek Raffles zwijgend aan, die met half gesloten oogen had toegeluisterd.
—Wat denk je er wel van? vroeg hij eindelijk.
Raffles haalde de schouders op en antwoordde:
—Wat valt er te denken? Waarschijnlijk een ordinaire roofmoord! Ik kan volstrekt niet inzien dat er iets geheimzinnigs aan is, wij zullen in den vooravond wel weten waar wij ons aan te houden hebben, want dan zullen de daders wel gevat zijn!
—Jij spreekt in het meervoud, maar de „Daily Mail” praat overal van den „moordenaar”.
—Dan denk ik dat zij ongelijk heeft, hernam Raffles kalm. Dat is niet het werk van een enkelen man geweest! Bij het opensmelten van een kast zijn er altijd minstens twee noodig, tenzij men volkomen ongestoord kan werken.
Raffles was opgestaan, nam zijn hoed en karwats van een kleine tafel, drukte Charly de hand en zeide:
—Ik ben over een paar uur weder terug. Je kunt mij een genoegen doen, door nog eens in de buurt van het huis van Robert Spencer rond te loeren.
—Ik ben tot je dienst, Edward!
De beide mannen namen afscheid van elkander, Raffles om zijn rijtoer te maken, Charly om de hem opgelegde taak te verrichten.
De Groote Onbekende was het eerst weder teruggekeerd en zat reeds eenigen tijd in zijn werkkamer, toen Charly opgewonden binnentrad.
Hij ging op Raffles toe en riep uit:
—Er moet iets ernstigs zijn voorgevallen, Edward!
—Wat dan?
—Ik stond reeds bijna anderhalf uur schuin tegenover het huis waar Robert Spencer zijn kamer heeft, zonder iets te hebben gezien. Maar toen reed er een huurauto voor, waaruit Lucy Spencer stapte, de auto bleef wachten en zij schelde aan. Ik kwam langzaam naderbij, maar ik kon natuurlijk niet hooren wat er gesproken werd. Zij praatte met het dienstmeisje, dat de voordeur geopend had en eensklaps zag ik dat zij zeer bleek werd en de hand op het hart drukte, terwijl zij zich met de andere aan den deurpost moest vasthouden. Het volgende oogenblik had zij zich omgewend en vloog naar de auto. En nu was ik dicht genoeg genaderd om te kunnen hooren hoe zij tot den chauffeur riep: „Naar Scotland Yard! Rijd zoo vlug als je kunt.” Het volgende oogenblik was de auto verdwenen!
Raffles had met de grootste aandacht geluisterd en bromde nu voor zich heen: Wat moet dat beteekenen; wat kan er gebeurd zijn?
—Dat vraag ik me ook af, Edward!
Eenige uren later zouden de beide vrienden zekerheid hebben.…..
Zij zaten in de prachtig gedecoreerde eetzaal van de Windsor Club en hadden hun diner bijna geëindigd, toen de bankier Wynn met bleek gelaat kwam binnenstormen, even rondkeek en toen op het tafeltje afging, waaraan Raffles en Charly gezeten waren.
Reeds op eenigen afstand riep hij:
—Hebt gij het al gehoord, Mylord?
—Wat is er, waarde Wynn, vroeg Raffles, ofschoon een voorgevoel hem zeide wat het antwoord zou zijn.
—Robert Spencer is vroeg in den middag gearresteerd, verdacht van den moord op Stephen Ross!
Charly liet een schreeuw van ongeloof en verbazing hooren, maar Raffles keek strak voor zich uit en schudde slechts eenige malen het hoofd.
—Hoe weet gij het? vroeg hij toen, zich tot den bankier wendend. [15]
—Het staat in de zoo juist verschenen avondbladen.
—Zoudt gij niet zoo goed willen zijn een der bedienden uit de leeszaal met een blad naar mij toe te zenden; ik stel bijzonder veel belang in den jongen Spencer, dat weet gij!
—Dadelijk, Mylord! antwoordde Wynn, en hij snelde weder heen.
De beide vrienden bleven zwijgend tegenover elkander zitten, totdat een der zaalbedienden met een avondblad kwam aandragen, hetwelk hij met een buiging aan Raffles overhandigde.
Deze schoof het blad aan Charly toe en zeide op zachten toon:
—Lees het mij eens voor, dan kan ik er mij beter een oordeel over vormen!
Charly ontvouwde de courant, zocht eenigen tijd en begon toen:
„Het drama in de Bishop Street heeft, spoediger dan men had durven hopen, zijn voltooiing gevonden in de arrestatie van den dader.
Naar wij onzen lezers reeds hebben medegedeeld, vond de politie reeds aanstonds een spoor, nadat zij het vertrek grondig had onderzocht, waar zich het misdrijf heeft afgespeeld, het kantoor van den ongelukkigen effectenhandelaar Stephen Ross.
Wij kunnen nu wel mededeelen, dat men een brief had gevonden met bloed bevlekt, die van denzelfden dag gedateerd was en gericht aan Robert Spencer, die hem daar moet hebben verloren.
Wij kunnen niet nader op den inhoud van dit schrijven ingaan, maar het is zeker dat de jonge Spencer zich naar Ross heeft begeven, in den laten avond van denzelfden dag, waarop hij den brief van den effectenhandelaar ontving, ten einde dezen opheldering dienaangaande te vragen.
Dit is bevestigd door den ouden bediende van den heer Ross, Henry Jefferson, zoowel als door de huishoudster, Miss Wilcox.
Zij verklaren beiden, dat Robert Spencer omstreeks elf uur in den avond aanschelde en zonder zelfs iets aan den bediende te vragen, de trap opliep en zich naar het kantoor van Stephen Ross begaf, die zich daar nog bevond om te werken.
De bediende liep hem na en hoorde hem op opgewonden toon tot Ross spreken.
Hij bleef tien minuten wachten, maar daar hij niets bijzonders meer hoorde, verwijderde hij zich weder.
Jefferson wist, dat zijn meester in zakenrelaties stond met den jongen Spencer, en het is naderhand gebleken, dat die relaties voor den jongen man verre van aangenaam waren. Ross moet niet veel beter dan een woekeraar van de ergste soort zijn geweest, en het verwonderde den ouden bediende niet al te zeer, dat een zijner klanten kwam „opspelen”, zooals hij zich uitdrukte.
Ongeveer een kwartier nadat hij zich verwijderd had, hoorde Jefferson de straatdeur dichtslaan.
Hij meende niet anders of de bezoeker was heengegaan en had de deur woedend achter zich dichtgeslagen.
Daar hij zich altijd op een vasten tijd ter ruste begeeft en zijn meester vaak tot nog laat in den nacht blijft werken, zoo begaf hij zich naar zijn zolderkamertje, zonder verder over de zaak na te denken.
Het is nu echter wel zeker, dat Spencer niet is heengegaan, maar met opzet de deur zoo hard heeft dichtgeslagen, tot alles veilig was en hij de inbraak kon plegen.
De politie is van oordeel, dat hij aanvankelijk voornemens was, zich alleen meester te maken van de wissels, welke Ross van hem in zijn bezit had, maar dat het zien van het goud in de kast zijn hebzucht heeft opgewekt en dat hij, toen hij zich ontdekt zag, den man, die hem in het ongeluk had gestort, heeft neergeslagen met een ploertendooder, of misschien met een ander zwaar voorwerp.
Wij vernemen nog nader, dat ook de zuster van Robert Spencer in den loop van den dag een bezoek heeft gebracht aan Ross, men weet echter nog niet met welke doeleinden. Ongetwijfeld zal het jonge meisje door de politie dienaangaande ondervraagd worden.
Scotland Yard meent verband te moeten zien tusschen dit bezoek en dat van Robert Spencer, hetgeen men afleidt uit den inhoud van het schrijven aan den verdachte, dat hij zeker uit zijn zak [16]heeft laten vallen, na het aan Ross te hebben getoond.
Zoodra de politie dit veroorlooft, zullen wij den inhoud van dit compromitteerende schrijven bekend maken.
De zaak staat op het oogenblik voor den verdachte zeer slecht.
Het staat vast, dat hij zijn huis gisteravond om ongeveer tien uur heeft verlaten en pas hedenmorgen om zes uur terugkeerde.
Dit is gezien door een broodbakkersknecht, die hem van aanzien zeer goed kent, en door eenige bedienden van een nachtcafé aan de overzijde, dat den geheelen nacht openblijft.
En Robert Spencer weigert te zeggen, waar hij den tijd tusschen tien uur ’s avonds en zes uur ’s morgens heeft doorgebracht!”