Er was een dag voorbijgegaan sinds Robert weder in vrijheid was gesteld en de politie wierp zich met vurigen ijver op een geheel nieuw spoor, maar klaarblijkelijk zonder eenig resultaat.
Robert Spencer zat in zijn studeerkamer met het hoofd in de handen, en de ellebogen op het blad van zijn schrijftafel. Hij had zooeven een damesportret in een fraaie zilveren lijst uit een lade genomen, en het voor zich gezet en naar dat portret staarde hij nu met een blik van innige liefde in zijn bruine oogen.
—Dat zij dat voor mij gedaan heeft, dat zal ik nooit vergeten. Mijn kleine heldin, spoedig zul je vrij zijn, en dan vertrekken wij van hier, om een nieuw leven te beginnen.
Er werd op de deur geklopt en Robert greep haastig het portret, en wierp het in de opengelaten lade.
Juist toen hij haar weder had dichtgeworpen, trad Martin Clyde het vertrek binnen.
Hij zag er vroolijk en opgewekt uit, en drukte zijn vriend hartelijk de hand.
—Dat is wel een gelukwensch waard, beste Robert, riep hij uit. Lord Aberdeen heeft het dus wel bij het goede einde gehad.
Hij hield eensklaps op, als vreesde hij zijn mond te hebben voorbij gepraat.
—Lord Aberdeen? Wat is er met hem? vroeg Robert verbaasd, wat heeft hij hier mee te maken?
—Nu, waarom zou ik het ook verzwijgen—ik had mij tot hem gewend, met het verzoek om mij te helpen de onschuld van jou vast te stellen, want ik wist dat hij als amateur-detective zijns gelijke vruchteloos zocht.
—Welnu?
—Welnu, hij zeide mij bijna aanstonds dat er een vrouw in het spel geweest moest zijn, en dat daarom je lippen wel verzegeld zouden zijn.
—En wat heb jij toen geantwoord, Martin?
De jonge man boog het hoofd, en antwoordde toen aarzelend:
—Lord Aberdeen vroeg mij, of ik niemand wist, met wie je intieme betrekkingen onderhield—het ging om je vrijheid, misschien om je leven—ik heb den naam van Irma Drake genoemd.
Robert schudde afkeurend het hoofd. Dat had je niet mogen doen, Martin, je wist niets zekers.
—Dat is zoo, Robert, maar wij hebben er ook niet over gesproken als over een vaststaand feit, maar toch had Lord Aberdeen zich voorgenomen, de zaak te onderzoeken; hij is een vreemd man, hij was van oordeel dat het leven van een mensch boven den naam van een vrouw gaat, en wees nu maar blij, dat Irma Drake er blijkbaar evenzoo over gedacht heeft, het was een schoon gebaar van haar.
—Een gebaar, waardoor zij mij het leven misschien heeft gered! riep Robert hartstochtelijk uit.
Hij wilde weder iets zeggen, maar er werd opnieuw op de deur geklopt en nu kwam het hoofd van het dienstmeisje om de deur kijken, dat zeide:
—Daar is een heer om u te spreken, mijnheer!
Robert wierp een verwonderden blik op de pendule, en zeide:
—Op dit uur?
—Hij zeide, dat hij voor gewichtige zaken kwam.
—Heeft hij zijn naam niet genoemd?
—Die kwam er niet op aan, zeide hij, want u kende hem toch niet.
—Heb je hem gezegd, dat ik al bezoek had?
—Neen, mijnheer, dat wist ik zelf niet. Mevrouw heeft uw vriend binnengelaten.
Robert zuchtte, en zeide:
—Nu, laat mijnheer dan maar even hier komen.
Martin Clyde stond op, als om afscheid te nemen. [22]
—Dan wil ik je niet langer ophouden, Bob. Wij spreken elkander vanmiddag op de club.
—Geen kwestie van, hernam Robert lachend; ik laat je niet zoo spoedig los, wacht even in mijn slaapkamer hier naast, het gesprek zal wel niet lang duren.
—Dan neem ik een paar sigaretten van je mee, Bob, en hij greep een paar sigaretten uit de doos, welke op de schrijftafel stond.
Toen verdween hij door de tusschendeur, welke Robert voor hem open liet.
Nauwelijks had hij deze weder gesloten, en voor het bureau plaats genomen, of het dienstmeisje liet den bezoeker binnen, en verdween geruischloos.
Het was een man van omstreeks veertigjarigen leeftijd, breed geschouderd, en met een donker, sluw gelaat.
Hij was goedgekleed, en scheen gewoon, zich in goed gezelschap te bewegen.
Hij keek een oogenblik om zich heen, en vestigde toen zijn zwarte oogen op het gelaat van Robert Spencer.
—Ik heb het genoegen met mijnheer Spencer te spreken? vroeg hij, terwijl hij met den hoed in de hand bij de deur bleef staan.
—Die ben ik, mijnheer, antwoordde Robert verwonderd, terwijl hij opstond om zijn bezoeker te begroeten, en een stoel voor hem aan te schuiven, mag ik weten wat u tot mij voert en hoe uw naam is?
—Het tweede is volstrekt niet noodzakelijk als gij het eerste zult hebben vernomen, mijnheer Spencer, antwoordde de bezoeker met een onaangenamen glimlach om den mond, om kort te gaan, mijn naam heeft voor u volstrekt geen waarde, en kan buiten de zaak blijven.
—Dan ben ik wel zeer benieuwd, wat ge mij te zeggen kunt hebben, gaf Robert verbaasd te kennen, en met licht gefronste wenkbrauwen. Neem plaats, wat ik u verzoeken mag, maar maak het kort, want ik heb hard te werken.
—Ik begrijp het, mijnheer Spencer, gij hebt veel verloren tijd in te halen, want gij zijt een paar kostbare dagen kwijt, welke men u in het huis van bewaring heeft laten slijten.
Robert, die was gaan zitten, verhief zich weder half van zijn stoel, en keek den ander vragend aan.
—Wat heeft dat te beteekenen? Staat uw bezoek soms in verband met de zaak in de Bishop Street, dat gij zooeven die opmerking gemaakt hebt?
—In zekeren zin, ja.
—Dan ben ik inderdaad nieuwsgierig naar wat gij mij wel te zeggen kunt hebben.
—Dat zult gij spoedig hooren, mijnheer Spencer.
De bezoeker had op zijn beurt plaats genomen, en zijn hoed op zijn knieën gelegd.
Hij keek den jongen man een oogenblik door zijn halfgesloten oogleden aan, en begon toen:
—Ik behoef u natuurlijk niet te zeggen, mijnheer, dat er zich onder de geroofde papieren in de brandkast van Stephen Ross een aantal wissels bevond, welke uw handteekening droegen?
Robert knikte, zonder het minste begrip, waartoe dit moest leiden.
Toen zeide hij langzaam:
—Ik zie niet in, waarom ik dat zou ontkennen, mijnheer? Die gestolen wissels zijn juist voor een deel de oorzaak geweest van mijn arrestatie, die voor niemand een geheim behoeft te zijn. Men weet nu, dat ik aan die zaak part noch deel heb.
—Ongetwijfeld en dat is voor u zeer gelukkig, mijnheer Spencer.
—En zoudt gij nu niet terzake willen komen? vroeg Robert eenigszins ongeduldig.
—Aanstonds, mijnheer Spencer, die wissels zijn dus gestolen, en dat moet u natuurlijk wel aangenaam zijn, want nu behoeft gij ze niet te betalen.
Met een brusk gebaar stond Robert op, en riep toornig:
—Zijt gij hier gekomen, om mij dat te zeggen? Mag ik weten, waar gij u mede bemoeid, zijt gij soms een zaakgelastigde of een compagnon van dien schurk?
—Noch het een, noch het andere, mijnheer Spencer! antwoordde de bezoeker met denzelfden onaangenamen glimlach om de lippen, en toch kom ik met u spreken over deze wissels die voor u natuurlijk van groot gewicht zijn, voor het geval zij weer eens aan den dag mochten komen, want Stephen Ross heeft erfgenamen, zijn boeken zijn allen stipt bijgehouden, en er is reeds een accountant in het kantoor, die in opdracht van de erfgenamen alles nauwkeurig naziet en de rekening opmaakt.
—Ik weet volstrekt niet wat u dit alles aangaat, zeide Robert koeltjes, maar ik wil u wel zeggen, dat ik [23]volstrekt niet voornemens ben, mij aan mijn geldelijke verplichting te onttrekken, wanneer de erfgenamen van Ross mij zullen aanmanen. Ik hoop slechts, dat zij zich een weinig minder inhalige schurken en woekeraars zullen betoonen, dan Ross, het spijt mij dat ik op zulk een wijze moet spreken van een man die door moordenaarshand gevallen is.
—Dat alles klinkt zeer schoon, en geeft blijk van uw hoogstaand karakter, mijnheer Spencer, hernam de bezoeker. Maar er zullen misschien nog wel andere uitwegen zijn!
—Wat bedoelt gij daarmee, mijnheer?
—Wij zouden bijvoorbeeld kunnen aannemen dat die wissels in andere handen komen—dan die van de erfgenamen! Niets is immers natuurlijker nietwaar—van het oogenblik af dat zij gestolen zijn!
Er heerschte een oogenblik een gespannen stilte in het vertrek, en men hoorde niets dan het tikken van de pendule.
Robert trommelde zenuwachtig met zijn beenen vouwbeen op den rand van zijn schrijfbureau, en keek zijn bezoeker onafgebroken aan, die op zijn beurt geen oog van hem afhield.
Toen barstte hij uit:
—Ik moet het er dus voor houden dat ik hier met een chantage te maken heb? Weet gij dat ik veel lust heb om aanstonds de politie te telefoneeren?
De bezoeker haalde even de schouders op, en antwoordde:
—Dat zou verloren moeite zijn, mijn waarde heer Spencer—ik geloof niet dat ik zoo lang zou kunnen wachten, tot zij hier is. Gij moet natuurlijk wel begrijpen, dat ik op alle gebeurlijkheden ben voorbereid. Ik ben er echter zeker van dat wij elkander in der minne zullen kunnen verstaan! Veronderstel eens, dat ik op een of andere wijze in het bezit was gekomen.… van de u bekende wissels. Ik zou er dan aanstonds mede naar de erfgenamen kunnen loopen, die zeker niet zouden aarzelen, mij een goed bedrag te bieden voor de papiertjes in quaestie, welke voor hen een groot fortuin vertegenwoordigen. Maar om verschillende redenen heb ik er de voorkeur aan gegeven, er eerst mede naar den onderteekenaar te gaan, in de veronderstelling, dat hij wel niets liever zal willen, dan ze mij voor een behoorlijk bedrag af te koopen. Gij hebt dan verder niets te doen, dan ze in het vuur te werpen, en alles is afgeloopen. Ik kom er rond voor uit, dat het den personen, die deze wissels in handen wisten te krijgen, moeilijk zou vallen ze te innen, zonder dat het de politie op hun spoor zou brengen. Wel, wat zegt gij van mijn voorstel?
Robert keek zijn bezoeker eenige oogenblikken met de diepste verachting aan.
Toen zeide hij langzaam:
—Ik weet eigenlijk niet, waarom ik u heb laten uitspreken, en u niet dadelijk de deur heb gewezen—of liever, waarom ik u niet heb neergeslagen, in afwachting van de komst der politie! Want het is duidelijk, dat gij medeplichtig moet zijn aan de lage misdaad in de Bishop Street! Ja, misschien zijt gij wel een der daders! Maar dat kan ik nog doen! voegde Robert er opgewonden aan toe, terwijl hij opstond, en een paar passen op zijn bezoeker toetrad.
Maar deze was snel als de bliksem zelf opgesprongen en had een revolver getrokken, welke hij nu schietvaardig hield.
Op zijn sluw wreed gezicht, vertoonde zich nog altijd de boosaardige glimlach.
—Dacht gij soms met een kind te doen te hebben, mijnheer Spencer? vroeg hij op verachtelijken toon. Ga weder zitten, wat ik u verzoeken mag, en geef mij liever antwoord op mijn vraag. Gij zegt ja, als gij verstandig zijt! Gij zijt dan van alle zorgen bevrijd, en gij hebt de erfgenamen van een ellendigen woekeraar een kool gestoofd!
—Al was hij duizendmaal een woekeraar! riep Robert uit, terwijl zijn lippen van woede trilden. Van een schurk als gij zijt, wil ik mijn redding niet aanvaarden! Nu weet ik het—gij zijt zelf mede schuldig aan den moord op Ross!
—Daarover praten wij op het oogenblik niet, mijnheer Spencer, hernam de andere koeltjes. Ik heb de wissels en ik bied ze u tegen een niet te hoogen prijs aan, omdat wij er toch anders weinig mede kunnen doen, tenzij wij ze aan de erfgenamen aanbieden—met de risico evenwel, dat zij ons aan de politie verraden. Neemt gij ze echter niet, dan zult gij u in ieder geval in een zeer onaangename positie bevinden, want de familie van Stephen Ross krijgt ze dan ondanks alles! Gij kunt kiezen of deelen!
Robert had met bleek gelaat toegeluisterd. [24]
Hij gevoelde, hij wist, dat hij tegenover een der moordenaars van Stephen Ross was gezeten—en hij was machteloos!
De dreigende revolver wees in zijn richting, en de schurk had den vinger aan den trekker, gereed om dien over te halen bij de minste verdachte beweging!
Maar eensklaps ging de deur van de slaapkamer langzaam open.
Martin Clyde had blijkbaar de driftige stem van zijn vriend gehoord, en eenige woorden opgevangen, welke hem verontrust hadden.
Hij kon van zijn plaats den bezoeker zien zitten—maar hij zag niet de revolver, welke deze op zijn knieën liet rusten.
Het volgend oogenblik stond hij in de kamer.
—Als je mij soms ergens voor noodig hebt, Bob, zeg het dan maar, zeide hij met zijn rustige, donkere stem.
De bezoeker was opgesprongen en met twee stappen bij de deur.
—Houdt hem vast, Martin! schreeuwde Robert opgewonden. Hij is betrokken bij den moord op Ross!
Martin sprong, zonder zich te bedenken, op den schurk toe.…
Een bliksemsnelle beweging.… het scherp geluid van een schot.… een kreet, half snik, half gil.… de val van een lichaam op het vloerkleed.…
De gangdeur vloog open en de bezoeker was verdwenen voor Robert iets had kunnen doen om hem tegen te houden.
Hij bukte zich over het lichaam van Martin Clyde, wentelde het lichaam om.… op de rechterborst, dicht bij den schouder, plekte een zwarte, zwak glanzende vlek.… bloed.
Robert slaakte een gil en snelde naar de electrische schel, aan zijn tafel bevestigd.
Daarop stormde hij zijn slaapkamer binnen, rukte de deur van zijn linnenkast open, greep een overhemd, en scheurde het in stukken.
Hij nam met bevende hand de lampetkan, en ging naar de kamer terug.
Met trillende vingers maakte hij het goed van den gewonde los, die met gesloten oogen, zwaar ademend, op den vloer lag uitgestrekt.
Hij maakte het linnen nat en bette er de kogelwonde mede, terwijl hij ongearticuleerde kreten liet hooren, half waanzinnig van ontzetting en smart.
Het dienstmeisje trad binnen en gaf een schreeuw van schrik, toen zij het bebloede lichaam daar zag liggen, het bleeke gelaat en de gesloten oogen zag.
—Groote God—wat is er toch gebeurd, mijnheer? jammerde zij handenwringend.
—Vraag niets, maar loop dadelijk naar dokter Bush, op den hoek, en zegt hem dat hij dadelijk moet komen, en zijn tasch met instrumenten moet medebrengen—maar haast je om Godswil! Mijnheer Clyde is zwaar gewond!
Het meisje wankelde naar de deur.
Maar zij had die nog niet bereikt, of op den drempel verscheen een nieuwe bezoeker.
Het was John Raffles. [25]