[Inhoud]

HOOFDSTUK VII.

Op zoek naar den moordenaar.

Hij bleef even verschrikt staan, en trad toen haastig binnen.

—Spencer—wat is hier voorgevallen? vroeg hij, terwijl hij naast het lichaam van den gewonde nederknielde, en diens hoofd een weinig ophief.

—Iets vreeselijks, Mylord! antwoordde Robert heesch. Martin was in die kamer, wachtend op het vertrek van een bezoeker die bij mij was. Die kerel was een schurk—ik zal u dat nader verklaren.… Martin kwam binnen—ik, dwaas, schreeuwde hem toen, den ellendeling vast te grijpen, vergetend, dat hij gewapend was.… de man schoot op hem.… en .… oh, als hij het niet overleeft, dan.… dan word ik waanzinnig! Want het is mijn schuld—mijn schuld alleen, verstaat gij?

Hij stond op, en Raffles geleidde de wankelende gestalte naar een sofa.

Daarop wendde hij zich tot het dienstmeisje, dat star van ontzetting op dezelfde plek was blijven staan, en vroeg:

—Had mijnheer Spencer u geroepen?

—Ja, mijnheer—ik moest naar den dokter gaan, antwoordde het meisje bevend.

—Wacht daar nog even mede, hernam Raffles vriendelijk. Ik ben zelf ook geneesheer als het moet! Breng mij maar dadelijk wat bloedstelpende watten, verbandgaas en windsels—en als die niet in huis zijn, ga ze dan dadelijk halen—er is een apotheek op den hoek.

Terwijl het meisje heensnelde, boog Raffles zich over den gewonde heen, en onderzocht de wonde zorgvuldig.

Hij richtte Martin Clyde met de grootste behoedzaamheid een weinig op, en onderzocht den rug.… daarbij viel er iets hards op den vloer—het was de revolverkogel, die het geheele lichaam doorboord had.

—Gelukkig dat de kogel niet in het lichaam is gebleven, mompelde Raffles, terwijl hij den gewonde weder zachtjes nedervlijde.

Hij stond op, wendde zich tot Robert, die radeloos voor zich uitstaarde, en zeide op bemoedigenden toon:

—Schep moed, Spencer! De wonde is ernstig, maar volstrekt niet levensgevaarlijk! De kogel heeft geen edele deelen getroffen, en gelukkig het lichaam verlaten. Met eenige weken volkomen rust is uw vriend weder genezen!

—Goddank! riep Robert uit den grond van zijn hart, terwijl hij naast den verloofde van zijn zuster nederknielde, en hem zachtjes over het blonde haar streek.

Hij keek naar Raffles op, en vroeg:

—Kan hij vervoerd worden?

—Dat zou ik afraden, als het te vermijden is. Kunt gij hem niet een week op zijn minst hier houden?

—Natuurlijk, Mylord! antwoordde de jonge man haastig. Hij kan mijn bed krijgen, ik zal hier wel op de sofa gaan slapen—en ik verzeker u dat ik geen seconde van hem zal wijken, tot alle gevaar geweken is! O, die lafhartige schurk!

—Wilt gij mij aanstonds niet eens vertellen, hoe alles zich heeft toegedragen? vroeg Raffles.

—Dat wil ik, Mylord!

Het dienstmeisje trad weder binnen, de armen vol verbandmiddelen.

Raffles had zijn jas reeds uitgetrokken en zijn mouwen opgestroopt.

Hij schreef nog snel op een stukje papier eenige dingen, [26]welke hij noodig zou hebben, en zond het meisje naar den apotheker.

Daarop tilde hij met de hulp van Robert den gewonde voorzichtig op, en beiden droegen hem naar het bed in de slaapkamer.

Omzichtig werd de gewonde van zijn bovenkleederen ontdaan, en nu begon Raffles hem, na de wonde te hebben gedesinfecteerd, met zorg te verbinden.

Vervolgens diende hij hem een koortswerend middel toe, en gaf Robert de noodige aanwijzingen in verband met de verpleging van den gewonde.

Ten slotte nam hij hem onder den arm, en voerde hem naar de werkkamer terug.

—Gij behoeft u thans werkelijk niet meer ongerust te maken, mijn waarde Robert! zeide hij. Martin heeft een ijzer sterk gestel, en wanneer er zich geen onverwachte complicaties voordoen, is zijn herstel alleen maar een kwestie van tijd. En deel mij nu eens uitvoerig mede, wat er zoo juist was gebeurd.

De twee mannen hadden plaats genomen en nu deelde Robert mede, wat hier eigenlijk geschied was.

Raffles had aandachtig toegeluisterd en riep, toen de jonge man zijn verhaal geëindigd had:

—Maar dat moet dan die man zijn geweest, die mij juist voor de straatdeur bijna van de been liep door zijn haast, om het huis te verlaten! O, als ik het geweten had!

Hij stond op en begon met vlugge passen het vertrek op en neder te loopen.

Eensklaps wendde hij zich weder tot Robert Spencer en vroeg:

—Gij zoudt dien man natuurlijk dadelijk herkennen, als gij hem terugzaagt?

—O ja! Zonder een oogenblik te aarzelen!

—Gelooft gij, dat hij vermomd was—een pruik droeg, of een valschen baard, meen ik?

—Zijn gelaat was volkomen glad, en als hij een pruik heeft gedragen, dan moet die wel bijzonder bedriegelijk zijn nagemaakt! Neen, ik geloof niet, dat hij zich vermomd had!

—Geef mij eens een nauwkeurige beschrijving van dien man als gij wilt!

Robert dacht even na, en beschreef toen zijn bezoeker tot in de minste bijzonderheden.

En naarmate hij verder ging, aam het gelaat van Raffles een sombere uitdrukking aan.

Toen de jonge man gereed was, mompelde Raffles voor zich heen:

—Ik wil geen brandkast meer aanraken, als hij mij daar geen persoonsbeschrijving geeft van een der eerste luitenants van Dr. Fox! „Black Jim” was, geloof ik, de bijnaam van dien schurk! Zou de Meester dan nu reeds terug zijn uit Amerika? Zou hij hier de hand in hebben gehad?

Robert keek hem nieuwsgierig aan, en begreep blijkbaar niet, waaraan Raffles dacht.

Eensklaps greep Raffles zijn hoed, en riep uit:

—Wij moeten dien kerel tot iederen prijs weder in handen zien te krijgen, het staat natuurlijk als een paal boven water dat hij bij den moord op Ross betrokken is geweest! Misschien was hij wel een van de daders.

—Zoo denk ik er ook over, Mylord!

—Zoudt ge mij niet naar Scotland Yard willen vergezellen om daar de zaak uiteen te zetten?

—En Martin, Mylord?

—Voor hem zullen wij wel een verpleegster bestellen, antwoordde Raffles.

—Ik wist eigenlijk volstrekt niet dat gij geneesheer waart, zeide Robert Spencer, die zijn hoed was gaan halen.

—Ik heb er voor gestudeerd, mijn waarde Robert, ik zou als ik wilde, Dr. voor mijn naam kunnen plaatsen, en ik heb door zelfstudie mijn kennis nog wat vermeerderd. Maar laten wij ons nu haasten, want iedere minuut heeft waarde.

De beide mannen verlieten het huis, en liepen op een groote, blauw-gelakte auto toe, die voor het huis stond te wachten met den reusachtigen chauffeur achter het stuurwiel.

Het was de limousine van Lord Aberdeen.

Raffles wisselde op zachten toon een paar woorden met Henderson, zijn trouwen chauffeur, en een oogenblik later stoof de auto weg om een kwartier later stil te staan voor een hospitaal, waar een goede verpleegster werd gehuurd.

Nadat dit gedaan was, reed de auto verder naar Scotland Yard, en een half uur later stonden Raffles en Robert tegenover den hoofdinspecteur Baxter, een zwaar gebouwd man met een opgezet gelaat, een blonden baard, en zeer weinig haar.

Het geval werd hem uiteen gezet, en spoedig waren een paar detectives ter plaatse. [27]

Een hunner was James Sullivan,—dezelfde politiebeambte, met wien John Raffles reeds herhaalde malen op een verre van aangename wijze in contact was gekomen.

Maar eerder zou de detective aan zijn eigen bestaan hebben getwijfeld, dan dat hij een oogenblik zou hebben geloofd, dat zich achter den persoon van Lord William Aberdeen zijn lang gezochte vijand John Raffles bevond.

Het geheele geval moest nogmaals verteld worden, en Sullivan luisterde aandachtig.

Toen Robert zijn verhaal beëindigd had, vroeg hij:

—Gij weet zeker niet of die man de wissels bij zich had?

—Neen, maar ik denk het haast wel!

—Ik geloof het tegendeel, mijnheer Spencer, want hij zal er toch wel niet op gerekend hebben, dat gij het bedrag, hetwelk hij er voor had willen vragen op staanden voet zou kunnen betalen.

—Zoo denk ik er ook over, als ge mijn oordeel wilt weten, zeide Raffles. Hij kon weten, dat gij zooveel geld wel niet in huis zoudt hebben. Ik denk dat hij, als gij zoudt hebben toegestemd om hem de wissels af te koopen, u een plek van samenkomst zou hebben opgegeven, waar hij het geld in ontvangst zou hebben genomen!

—Zoo denk ik er ook over Mylord, hernam Sullivan, en achteraf beschouwd, is het eigenlijk jammer, dat mijnheer Spencer niet schijnbaar op de zaak is ingegaan! Wij zouden dan den schurk netjes in de val hebben laten loopen. Gedane zaken nemen echter geen keer, en er blijft ons niets anders over dan naar dien man te zoeken!

—Mijnheer Spencer heeft u zooeven een beschrijving van den bandiet gegeven, waarde heer Sullivan, zeide Raffles, terwijl hij den detective aandachtig aankeek. Is het mogelijk, dat gij dien man uit die beschrijving herkent? Kan hij geen lid zijn van een of andere bekende dievenbende?

In stede van te antwoorden, wenkte Sullivan een agent, die bij de deur op instructies stond te wachten, en gaf hem op fluisterenden toon een bevel.

De man verwijderde zich, en keerde een oogenblik later terug met een lijvig register, hetwelk hij op een tafel bij het raam nederlegde.

Het was een der deelen van het misdadigersregister, hetwelk de portretten bevatte van alle dieven, ladelichters, moordenaars, en andere misdadigers, die al eens in handen der politie waren geweest, en voorts de afdrukken van hun duim en een zeer nauwkeurig signalement.

Sullivan begon haastig in het zware album te bladeren, en vroeg na eenigen tijd, zich tot Robert wendende:

—Zoudt gij zoo goed willen zijn, mij eens te zeggen of deze man het wellicht geweest is?

De jonge man trad op de tafel toe, en wierp een blik op het portret, dat Sullivan hem aanwees.

Hij bekeek het nauwkeurig en antwoordde toen hoofdschuddend:

—Neen, hij was het niet!

Sullivan bladerde verder en wees den jongen man telkens een ander portret aan.

Het kostte Raffles vrij wat moeite om zich in te houden, en niet uit te roepen:

—Wijs hem het portret van „Black Jim” eens.

Hij begreep evenwel, dat dit zeer onvoorzichtig zou zijn, want de detective zou zich terecht kunnen afvragen hoe het mogelijk was, dat Lord Aberdeen kennis droeg van dien schurk.

Hij was op zijn beurt op de tafel toegetreden en zag, hoe Sullivan de bladen omsloeg.

En daar was eensklaps de bladzijde waarop het boosaardige gelaat van „Black Jim” hem toegrijnsde.

Sullivan wilde de bladzijde reeds omslaan toen Robert Spencer uitriep:

—Wacht eens! die man daar is het geweest, ik durf er een eed op te doen! Hij had alleen het kleine snorretje dat hij op deze foto draagt afgeschoren.

—Zijt gij er zeker van? vroeg de detective.

—Volkomen zeker!

—Dan hebt gij „Black Jim” bij u op bezoek gehad, riep Sullivan opgewonden uit.

—Wie is dat? vroeg Raffles met voorgewende nieuwsgierigheid, ofschoon hij reeds een paar malen tegenover den bandiet had gestaan. [28]

—Een zeer gevaarlijk lid van de „Bende der Raven,” antwoordde Sullivan, terwijl hij het register dichtklapte. Het verheugt mij, heeren, dat gij zoo spoedig hier zijt gekomen, want nu zal de vogel ons niet ontsnappen!