[Inhoud]
EEN HUWELIJKSREIS

EEN HUWELIJKSREIS

EERSTE HOOFDSTUK.

De dubbelgangers.

Het groote stoomschip „Rotterdam” was juist van Havre vertrokken, waar het de Fransche passagiers had opgenomen.

Het was nacht en de reizigers, die reeds te Rotterdam hun intrek op het schip hadden genomen en uit België, Nederland, Duitschland of Rusland kwamen, sliepen reeds.

Het stoomschip maakte een Middellandsche Zeereis naar Spanje, Monte Carlo en Egypte.

Het waren allen pleizierreizigers, die den kouden winter in het Noorden wilden ontvluchten.— —

Reeds den volgenden dag, toen de passagiers wakker werden, had het koude weer, waarvan zij nog te lijden hadden gehad aan de kusten van Frankrijk, plaats gemaakt voor het warmere Spaansche klimaat en in plaats van een grijzen hemel zagen zij de zon, die met haar warme, koesterende stralen het schip bescheen.

Een jonge man in een donkerblauw pak en met een sportmuts op het hoofd, zat op het promenadedek in een der gemakkelijke, lange stoelen te lezen.

Plotseling richtte hij zijn oogen van het boek naar twee passagiers, een heer en een dame, die bij de verschansing stonden en mompelde:

„Nu zou ik wel eens willen weten, wat dat voor een dame is, waarmee Edward daar staat te praten.”

Vol belangstelling keek hij naar het tweetal en verbaasde zich er over, dat zijn vriend, hoewel hij vlak bij hem stond, er in het geheel geen plan op scheen te hebben om hem bij zich te roepen en hem aan de dame voor te stellen.

„Sapperloot”, vervolgde hij tot zichzelf, „een merkwaardigen smaak legt mijn vriend en meester daar aan den dag. Het is ongetwijfeld een ordinair persoontje, dat, ondanks haar diamanten, welke zij op opvallende wijze draagt, en haar nieuwste Parijsche toilet, toch niet de dame is die zij wil schijnen.

Daar is iets niet in den haak!

Een avonturierster is zij niet, daarvoor beweegt zij zich niet gemakkelijk genoeg. Zij ziet er meer uit als een gewezen modiste, die door een rijken aanbidder aan toiletten en diamanten is gekomen.

Het moet een rare kerel zijn, die aanbidder! In elk geval—in mijn smaak valt zij niet.”

Hij verdiepte zich weer in zijn lectuur.

Toen hij een hoofdstuk had uitgelezen, bemerkte hij, dat het tweetal nog op dezelfde plaats stond en dat de heer zijn arm om den hals der dame had geslagen en zeer innig tegen haar deed.

„Wel alle duivels!” vloekte de jonge man, zijn boek [2]dichtslaande, „is Edward gek geworden? Ik begrijp er niets van!”

Plotseling bemerkte de dame, dat de jonge man hen gadesloeg en daar dit haar onaangenaam scheen te zijn, trok zij haar cavalier mee weg en maakte een wandeling met hem over het dek.

De jonge man stond op, legde het boek op zijn stoel, als teeken, dat de plaats bezet was en begaf zich naar de rooksalon.

Toen hij daar binnentrad, bleef hij verschrikt staan. Alsof het een spook was, wat hij zag, zoo staarde hij zijn vriend aan, dien hij nog zoo juist op dek had gezien en die nu hier in een der clubfauteuils zat, de beenen over elkaar geslagen, een sigaret rookend en de Parijsche „Figaro” lezend.

Hij moest kunnen tooveren, want in plaats van het lichtgrijze costuum, dat hij zooeven had gedragen, had hij nu een marineblauw aan.

Een uitroep van verbazing deed hem opkijken. Hij keerde het hoofd om naar den binnentredende en sprak, terwijl hij de asch van zijn sigaret afwipte:

„Aha, Charly, ben jij het? Waarom staar je mij zoo eigenaardig aan? Is er iets gebeurd?”

„Ja”, antwoordde zijn jonge vriend, „er is zeer zeker iets gebeurd!

Daarjuist zie ik je boven, op dek in een lichtgrijs costuum met een mij onbekende jonge dame, die mij absoluut niet beviel en waarmee je amours stond te maken en een paar oogenblikken later— —zit je hier— — —een—twee—drie—in een ander toilet en sigaretten rookend je krant te lezen!”

De ander lachte.

„Heb je eenige glazen port gedronken of wat mankeert je, Charly?

Ik ben niet met een jonge dame, die niet in jouw smaak valt, wezen wandelen en ik bezit evenmin een lichtgrijs costuum. Neen, ik zit hier reeds minstens een uur op je te wachten.”

„Dat is onmogelijk!” antwoordde de secretaris, „ik heb portwijn noch iets anders gedronken en ik geloof niet, dat de thee, die ik aan het ontbijt heb gehad, mijn hersens van streek heeft gebracht!

Ik heb je ongeveer drie kwartier lang op dek met de dame gadegeslagen en je was niet verder van mij af dan hoogstens twee meter.”

„Steward!” riep de toegesprokene in plaats van te antwoorden.

„U wenscht, mijnheer?”

„Deze heer”, sprak hij, die in de clubfauteuil zit, beweert, dat ik zooeven op dek ben geweest. Vertel hem eens, hoe lang ik hier al zit.”

„Een uur, Sir.”

„Een uur?” herhaalde Charly Brand op verbaasden toon. „Dat kan ik bijna niet gelooven! Dan heb ik een spook gezien!”

„Pardon!”, sprak de steward nu, „ik heb uw gesprek gehoord. Het vertrek hier is klein en zoodoende werd ik getuige van uw onderhoud, zonder het te willen.

Maar gij hebt volkomen gelijk. Er bevindt zich hier aan boord een heer met een dame, die opvallend op mijnheer hier gelijkt.

Men zou kunnen meenen, dat het tweelingbroeders zijn, in elk geval zijn zij dubbelgangers.”

„Het geval is interessant”, sprak Lord Lister, „en nu begrijp ik het misverstand.

Dus ik heb hier een tweelingbroer”, vervolgde hij, „drommels dat zou aanleiding kunnen geven tot de meest wanhopige verwikkelingen. Hoe heet die heer?”

„In de passagierslijst”, antwoordde de steward, „staat hij ingeschreven als Otto Muller, particulier, en echtgenoote. Ik geloof, dat het paar zich op de huwelijksreis bevindt.”

„Zoo, zoo, dan zou ik dus heel gemakkelijk voor den echtgenoot kunnen spelen”, lachte de Groote Onbekende.

„Neen”, antwoordde Charly hoofdschuddend. „Dat is niets voor jouw smaak. De jonge vrouw ziet er zoo onhandig en dom uit, dat je al van te voren voor het groote genoegen zoudt bedanken.

Ik zou je raden, om niet met haar echtgenoot te worden verwisseld, het een of andere uiterlijke kenteeken, zooals bijvoorbeeld een vuurroode das, te dragen. Anders omhelst de jonge vrouw je op een goeden dag per abuis.

Ik durf wedden, dat die liefkozingen je niet zouden bekoren.”

„Dat kan werkelijk heel aardig worden”, meende de ander. „Ik ga nu op dek en zal mijn tweelingbroer eens nauwkeurig opnemen.”

Beide heeren verlieten nu de rooksalon en begaven zich naar het dek.

Op eenigen afstand van hen wandelde de bewuste passagier in het lichtgrijze costuum, de zoogenaamde heer Otto Muller, met zijn jonge vrouw.

Toen de beide heeren hun tegemoet kwamen, verscheen op het gelaat der dame een uitdrukking van schrik. [3]

Daarop begon zij te lachen en alle vier keken elkaar hartelijk lachend aan.

Daarop stak de heer in het lichtgrijze costuum den oudste der beide vrienden, zijn dubbelganger, zijn gehandschoende hand toe en riep uit:

„Wel fameus, Lord Lister, dat wij elkaar na twee jaar weer ontmoeten! Om ’s hemels wil, doe mij een groot genoegen en laat ons dezen keer door uiterlijke kenteekenen onzen geachten medemenschen duidelijker te kennen geven, dat wij niet een en dezelfde persoon zijn dan toenmaals in Ostende, waar de meest ingewikkelde verwarringen ontstonden door de aanwezigheid van ons beiden.”

Lord Lister lachte:

„Die tijd behoort tot mijn aangenaamste herinneringen, Uwe Hoogheid.”

„Psst!”— — —viel de heer Otto Muller hem in de rede. „Ik reis volkomen incognito.”

Hij wierp een veelzeggenden blik op de jonge dame aan zijn arm, waarop Raffles met een glimlachje antwoordde.

„Ik heb mij dan ook in de passagierslijst ingeschreven als Otto Muller, particulier”, vervolgde de heer Muller. „Wees zoo vriendelijk, Lord Lister, mij om ’s hemels wil niet aan te spreken als Hoogheid, maar mij Muller te noemen.”

„Ik zal mij naar uw wensch schikken”, sprak Lister, „en die naam behoort niet tot die welke men moeilijk onthoudt. Bij deze gelegenheid zou ik u willen verzoeken, ook mijn naam te veranderen. Ik reis eveneens incognito en heet Schmidt.”

„Aha, zijt gij iemand op het spoor?”

„Zeer zeker”, antwoordde Raffles, „ik maak jacht op den beruchten bedrieger, die op zoo ongehoorde wijze misbruik maakt van mijn naam.”

„Ik kan begrijpen, dat het minder aangenaam is, dat zulk een kerel als die Engelsche oplichter onder uw naam allerlei schurkenstreken pleegt. De man is toch zeker geen familie van u?”

„Wel neen!” lachte Lord Lister, „gij hebt groot gelijk, Uwe Hoogheid—pardon—mijnheer Muller, als gij veronderstelt, dat ik, om geen onaangenaamheden te krijgen met de politie, reis als Charly Schmidt.

Sta mij toe, u mijn vriend voor te stellen.”

Hij maakte een handbeweging naar zijn vriend:

„Charly Brand uit Parijs.”

Aangenaam babbelend wandelden zij samen over het dek en de passagiers, welke zij tegenkwamen, bleven verbaasd staan en amuseerden zich kostelijk om de merkwaardige gelijkenis, welke er bestond tusschen de beide heeren Muller en Schmidt.

Den volgenden dag liep de stoomboot de haven van Lissabon binnen en de passagiers namen de gelegenheid waar om, gedurende het oponthoud in de haven, de stad te bezoeken en de beroemde vorstengraven te gaan zien.

Als in een panopticum werden daar de gebalsemde Portugeesche koningen vertoond.

Het maakte een onaangenamen indruk, dat de lijken van Don Pedro en diens zoon waren ten toon gesteld. Het gelaat van den koning was, tengevolge der verwonding, griezelig om aan te zien.

Zonder eenige piëteit vertelde de Portugeesche grafbewaker de levensgeschiedenis en het einde van den door moord om het leven gekomen koning.

Verlucht ademden de bezoekers op, toen zij weer aan boord van het schip waren.

Het diner smaakte den meesten van hen niet.

Even voordat de stoomboot zich weer in beweging zette, verscheen een expresse besteller van de Portugeesche post in een klein bootje. Hij scheen voor iemand aan boord gewichtige stukken mee te brengen.

Eenige oogenblikken later klonk de stem van den persoon, die aan boord de postzaken behandelde; deze riep:

„Expressebrief voor den heer Otto Muller! Mijnheer Otto Muller!”

Eindelijk verscheen deze en de postbode kon hem de brieven overhandigen.

Daarop zette zich de stoomboot in beweging, om koers te nemen naar Napels.— —

Terwijl de heer Otto Muller zijn brieven las, zaten Lord Lister en Charly Brand in een beschut hoekje op dek te rooken.

„Wij zullen te Napels het schip verlaten”, sprak Lord Lister tot Charly Brand, „ik ben van plan, naar Rome te gaan en daar den winter door te brengen.”

„Mij is elke plaats aangenamer dan Londen”, antwoordde de secretaris. „Het scheelde weinig, of men had ons kort voor ons vertrek, ondanks al onze voorzorgsmaatregelen, toch nog gevangen genomen.

Politie-inspecteur Baxter wordt langzamerhand slimmer!”

„Nonsens!” lachte Raffles, „ik vind, dat hij van week tot week dommer wordt.

Zijn onhandig optreden, toen hij slechts een hand had uit te steken om mij in hechtenis te nemen, en in [4]mijn plaats weer een verkeerde pakte, getuigt niet van groote volmaaktheid zijner geestesgaven.

Als ik mij niet vergis, bevindt zich hier aan boord een meer gevaarlijk mensch dan Baxter en wel een detective, Margotte genaamd.

Hij schijnt den een of ander te vervolgen en heeft, geloof ik, niet het flauwste vermoeden van mijn aanwezigheid hier aan boord.”

Een hoorbare zucht ontsnapte aan de lippen van Charly Brand en hij antwoordde:

„Ik heb meer dan genoeg van dat eeuwige vervolgd worden door detectives! Maar zeg eens, ik heb het je al eerder willen vragen, wie is eigenlijk die Otto Muller?”

John Raffles lachte vroolijk:

„Een der lichtzinnigste en meest ondoordacht levende menschen, die ik ooit hebt leeren kennen!

Hij heeft een klein vorstendom en regeert in zijn land als een souverein.

Ik leerde hem kennen als lid van de Ostender speelclub. Wij waren toentertijd goede vrienden en tevens het voorwerp van algemeen amusement.

Wij gelijken zoo fabelachtig veel op elkaar, dat toen in Ostende de merkwaardigste vergissingen plaats hadden.

Wij verschillen alleen wat ons karakter betreft.”

„Wat zou dat voor een dame zijn?” vroeg Charly Brand verder, „waarmee de vorst reist onder den naam van Muller en echtgenoote?”

„Wie?” antwoordde Raffles schouderophalend, „volgens mijn meening een onbeduidende gewezen modiste, waarop de vorst op het oogenblik verliefd is.

Weet je, beste Charly, mannen die over de vijf-en-dertig zijn, zooals de vorst en ik, verbazen hun medemenschen af en toe door onbegrijpelijke afwijkingen van het normale. Je zult deze opmerking nog meerdere malen kunnen maken.”

Op dit oogenblik kwam een steward naar hen toe en sprak:

„Pardon! Ik moet u even storen! De heer Otto Muller laat den heer Charly Schmidt verzoeken, bij hem in de kajuit te willen komen. Mijnheer had een gewichtige zaak met u te bespreken.”

Raffles stond op en volgde den steward. [5]