In Scotland Yard ging weer alles verkeerd.
Politie-inspecteur Baxter raasde, vloekte en tierde, secretaris Marholm, bijgenaamd, de Vloo, Baxter’s rechterhand, deed hetzelfde; de dienstdoende commissarissen van politie en de inspecteurs vloekten, tierden en raasden, de agenten zelfs raasden, vloekten en tierden, want de Lord-Mayor had den politie-inspecteur een uitbrander gegeven, Baxter had die verder gegeven aan de vloo, de vloo aan de sergeanten, de sergeanten aan de politie-agenten en verder werd de booze bui van den Lord-Mayor gekoeld op de echtgenooten van de Engelsche politie-beambten en eindigde in stukgegooid huisraad en verbrand eten.
Als een lawine was de uitbrander van den Lord-Mayor op Scotland Yard gevallen.
En waarom?
John C. Raffles had het gewaagd, op een zitting van de rechtbank in Oxford-Street een zijner meesterstreken uit te voeren, waarover geheel Londen zich amuseerde.
Maar de politie-beambten vloekten, raasden en tierden, want de president van deze rechtbank was de broer van zijn lordschap den Lord-Mayor.
Hij was een zeer pedant en weinig intelligent heerschap, en vooral om zijn onverbiddelijk strenge uitspraken zeer gevreesd in Londen.
Een arme werkman stond dien morgen voor het gerecht en moest zich wegens diefstal van een pond sterling verantwoorden, die hij zijn werkgever had ontstolen.
De geschiedenis, welke aanleiding had gegeven tot het gebeurde, was zeer droevig en zou elken anderen rechter mild gestemd hebben.
Alleen den broer van zijn lordschap niet.
De werkman, die slechts een armoedig inkomen had, had een vrouw en acht kinderen, waarvan vier tegelijk ziek lagen aan diphteritis.
Deze ziekte verslond spoedig de weinige spaarpenningen, welke de man bezat en de dokter had hem gezegd, dat hij alleen door uiterst sterke voeding, wijn en vruchten, de zwakke kinderen in leven kon houden.
De werkgever van den armen man had hem zijn verzoek om voorschot eenvoudig geweigerd.
Hij behoorde, evenals de rechter, tot de hardvochtigen, die hun medemenschen alleen beoordeelen naar hetgeen zij als werkkracht presteeren.
Hij toonde niet het minste medegevoel voor den nood en het lijden zijner arbeiders.
In een aanval van wanhoop had de arme kerel toen diefstal gepleegd en uit het geldkistje van zijn werkgever, dat op de schrijftafel stond, een goudstuk—ter waarde van een pond—genomen.
Met tranen in de oogen bekende hij den rechter zijn schuld en smeekte om een milde uitspraak.
Op de publieke tribune werd af en toe het onderdrukte snikken van dames vernomen en men besloot een collecte te houden voor den armen man en vader.
Maar Zijn Lordschap, die zich fier de strengste rechter van geheel Engeland noemde, dacht er anders over.
Hij verhief zich in het ambtscostuum, zooals men dat in Engeland draagt; hij had de witte pruik op het hoofd en om den hals den kraag ter grootte van een wagenrad, die den zwarten mantel van boven afsluit en sprak:
„De daad van beklaagde bewijst een buitengewone verdorvenheid.
„Wanneer een mensch die geen werk heeft steelt, wanneer een mensch die een misdadiger van beroep is een [6]dergelijke daad pleegt, dan verdient hij een milde uitspraak, want dan wordt hij eigenlijk door de omstandigheden gedwongen om te stelen.
„Wanneer echter een man op wien tot dusverre niets te zeggen viel, een eerzaam, fatsoenlijk burger, die werk heeft, zich tot diefstal laat verleiden, dan verdient dat een strenger oordeel.
„Maar nog scherper moet dit oordeel worden, wanneer hij er zelfs niet voor terugdeinst den man, die hem slechts weldaden heeft bewezen, doordat hij hem werk en dus brood geeft, wanneer hij zulk een man besteelt!
„Zijn werkgever te bestelen, is de grootste brutaliteit!
„Het allerergste, mijneheeren, is het echter, wanneer zulk een mensch ook nog meent de mildheid der rechters te mogen inroepen!
„Zijn verdediger wees zooeven op het feit, dat beklaagde acht kinderen heeft.
„Mijneheeren, deze acht kinderen zijn geen verontschuldiging, integendeel, zij getuigen slechts van het buitensporige, zedelooze leven van beklaagde.
„Ik vraag u, mijneheeren, is het te verdedigen, dat men, onder dergelijke geldzorgen levende, zich de weelde permitteert, er acht kinderen op na te houden?
„Neen, mijneheeren, dat is niet noodig!
„Die weelde mag zich een millionnair nauwelijks veroorloven!”
Op dit oogenblik trad een man in werkmanskleeren de rechtszaal binnen, liep achter de rechterstafel, nam een stoel en tilde de aan den muur hangende klok van haar plaats.
Daar het volgens Engelsch gebruik zeer vrij toegaat in het gerechtslokaal, wekte zijn verschijnen geen verwondering op.
Alleen vroeg een der rechters, die het dichtstbij zat, wat hij met de klok ging doen.
„Ik moet de klok hiernaast in orde maken, ik ben uurwerkmaker,” antwoordde de werkman en verdween.
De rechter had intusschen zijn rede verder gehouden en juist toen de werkman de zaal wilde verlaten, sprak hij:
„En daarom moet op beklaagde de volle straf worden toegepast en deze is drie jaar gevangenisstraf, welke onmiddellijk zal ingaan.”
Snikkend viel de arme man voorover met het hoofd op de bank der beschuldigden, terwijl in het publiek luide kreten van ontstemming werden vernomen.
Plotseling verhief zich vol waardigheid de griffier en sprak tot den rechter:
„Ik maak er uw Lordschap opmerkzaam op, dat ik het tijdstip van het begin der straf voor beklaagde niet kan vaststellen, daar de officieele klok niet aanwezig is.”
De Lord-mayor keek naar den muur, waar de tijdmeter had gehangen.
De rechters eveneens.
Geen hunner wist, wat hij moest zeggen, want volgens de Engelsche wet moet de aanvang der straf nauwkeurig worden geregistreerd volgens de klok, die achter de rechterstafel hangt!
Maar die was verdwenen!
Nu stond de verdediger op.
„Ik stel voor, de uitspraak van Zijn Lordschap voor ongeldig te verklaren, omdat de tijd niet kan worden vastgesteld.”
„Ik zal den tijd volgens mijn horloge vaststellen!” antwoordde de rechter op scherpen toon.
„Dat zou in strijd zijn met de wet, Uw Lordschap!” sprak de verdediger. „Uw horloge is niet de bij de wet bedoelde officieele klok en daar iedere minuut kostbaar is in het leven van een mensch, kunnen wij reeds nu niet meer aangeven, hoeveel minuten verstreken zijn na de uitspraak.
„Ik stel de ongeldigheidsverklaring voor.”
Op dit oogenblik trad een der gerechtsdienaren binnen en legde een briefje voor den verdediger neer.
Deze opende het haastig en las het.
Met gespannen aandacht keek het publiek naar hem.
Men was nieuwsgierig, hoe het merkwaardige geval met de klok opgehelderd zou worden.
Een hartelijke lach van den verdediger klonk en op zoo duidelijken toon, dat ieder het kon hooren, sprak hij:
„Mijne heeren, ik krijg hier het volgende bericht:
Zeer geachte heer advocaat! Wees zoo goed, den rechter mee te deelen, dat ik de klok heb gestolen, opdat mijnheer de rechter voortaan niet meer zulke wreede vonnissen velt als hij heden doet.
Groetend,
JOHN C. RAFFLES.”
Het bulderend gelach, dat den gestrengen rechter, den broer van den Lord-mayor, vanuit de publieke tribune [7]in de ooren klonk, zal hij waarschijnlijk zijn heele leven niet hebben vergeten.
Des avonds las men het geval in alle kranten, maar reeds eerder wist de Lord-mayor van Londen het en onmiddellijk ontving politie-inspecteur Baxter een brief van vier zijden met een geweldigen uitbrander, omdat het hem nog steeds niet was gelukt, John C. Raffles te vangen.
Den volgenden dag ontving Baxter van een zijner agenten bericht, dat twee heeren, op wie ontegenzeggelijk het signalement van John C. Raffles en Charly Brand paste, zich te Havre aan boord van de Nederlandsche passagiersboot „Rotterdam” hadden ingescheept.
Dadelijk stelde hij zich in verbinding met het scheepsagentuur te Rotterdam en kreeg bericht, dat het schip Lissabon aandeed en zich van daar naar Napels zou begeven.
Waarschijnlijk was het reeds weer uit de haven van de Portugeesche hoofdstad vertrokken.
Men wachtte elk oogenblik het telegraphische bericht daaromtrent.
„All right!” vloekte Baxter, „dan zal ik de beide heeren door de Italiaansche politie in Napels laten gevangen nemen. Ik hoop, dat ik ze eindelijk in handen krijg.
„Raffles zal niet voor een tweeden keer een klok uit de rechtszaal stelen!” [8]