Zijn Doorluchtigheid de vorst Von Plessenheim zat in zijn kajuit, welke hij op het schip bewoonde, voor de sierlijke mahoniehouten schrijftafel en trommelde nerveus met de slanke, aristocratische vingers op het spiegelglad gepolijste tafelblad.

Af en toe luisterde hij naar een aangrenzende kajuit, waarvan de deur in de zijne uitkwam, maar die gesloten was.

Daar was de hut van zijn beminde, of, zooals men veronderstelde, van mevrouw Amanda Muller.

De steward trad binnen en kondigde aan:

„Mr. Schmidt!”

Onmiddellijk stond de vorst op en ging Lord Lister, alias Charly Schmidt, eenige schreden tegemoet.

Hij stak hem beide handen toe en riep:

„Ik dank u, mijn beste Lord,—pardon, Mr. Schmidt, dat gij zoo vriendelijk zijt, mij op te zoeken. Maar wat ik tot u te zeggen heb, kan alleen geschieden in een gesloten kajuit.”

„Gij maakt mij nieuwsgierig, Mr. Muller”, lachte Raffles, „welke gewichtige dingen kunt gij met mij te verhandelen hebben?”

De vorst bood John Raffles een der gemakkelijke leeren fauteuils aan, schoof hem een zilveren sigarettenkoker toe en bediende ook zichzelf, toen de Groote Onbekende er een uit had genomen.

Nadat beide heeren hadden opgestoken, haalde de vorst den expresse-brief, dien hij eenige uren geleden had ontvangen, te voorschijn en sprak:

„Ik heb een zeer vriendelijk verzoek aan u, beste Lord. Een verzoek, dat ik alleen daarom durf uit te spreken, omdat ik mij vanuit Ostende nog uw groote beminnelijkheid herinner.

Gij waart voor mij sinds dien tijd het type van een volmaakt gentleman en ik vlei mij met de gedachte, dat ik mij u als voorbeeld heb genomen, sinds ik u heb leeren kennen.”

„Om ’s hemels wil!” riep Raffles met een afwerende beweging, „neem mijn persoon toch niet als voorbeeld! Gij zoudt u daar niet goed bij bevinden.”

„Nu, nu,” antwoordde de vorst, die meende dat Raffles alleen uit bescheidenheid zoo sprak.

„Het is zooals ik zeg. Ik heb groote achting voor uw beminnelijkheid, mijn vriend, ik zie in uw geheele wezen het beeld van den volmaakten edelman, slechts één ding verbaast mij: gij schijnt weinig belangstelling te hebben voor het schoone geslacht.”

Hij keek zijn bezoeker met vorschenden blik aan en hoopte eenig antwoord te zullen krijgen.

Maar Raffles zat met onveranderde gelaatsuitdrukking, met het eene been over het andere geslagen en keek den rook zijner sigarette na.

Na eenige oogenblikken sprak de vorst weer:

„Ik bedoel namelijk, dat ik u nog nooit aan de zijde van een schoone vrouw heb gezien.

Heeft dit een bepaalde reden?”

De Groote Onbekende klopte de asch van zijn sigaret af en sprak:

„Zeer zeker, Uwe Hoogheid! De vrouwen, die werkelijk schoon en geestig zijn, de vrouwen, die een man van karakter, zooals ik mij verbeeld er een te zijn, in werkelijkheid slechts kunnen bekoren, deze vrouwen, Uwe Hoogheid, zijn helaas niet meer vrij.

Ik heb tot dusverre altijd het ongeluk gehad, een beetje te laat te komen. En voor andere vrouwen bedank ik.” [9]

„Wel”, sprak de vorst, „dan ben ik gelukkiger. Kijk eens hier!”

Hij maakte een handbeweging naar de deur en hij wierp een hartstochtelijken blik in die richting, alsof zijn geliefde vóór hem stond.

„Daar heb ik de bekoorlijkste vrouw van de wereld, naar wie mijn hart jarenlang heeft gesmacht en toch ben ik door vreeselijke banden geketend. Slavenketenen van stand en geboorte—de boeien van een gedwongen huwelijk, zoodat ik als een misdadiger onder een valschen naam met mijn geliefde op reis moet gaan, om het noodlot eenige uren van geluk af te persen.

Tracht u eens in mijn geval in te denken, bedenk, dat mij niets heiliger is dan mijn liefde voor deze aangebeden vrouw—en gij zult het verzoek dat ik tot u wil richten, niet verkeerd opvatten!

Om kort te gaan, Lord Lister, mijn verzoek is dit:

Wees mijn plaatsvervanger!

Een oogenblik was Raffles stom van verbazing.

De zaak had een zeer grappigen kant, vooral wanneer hij aan de vrouw dacht, die door den vorst werd bemind.

Nog begreep hij niet precies, wat de vorst eigenlijk bedoelde. Hij bedwong een glimlach en sprak:

„Hoe bedoelt gij dat, Uwe Hoogheid?”

De vorst stak een nieuwe sigaret aan en antwoordde:

„De zaak is eenvoudig. Ik ontving zooeven van mijn hofmaarschalk Von Bücklingsburg gewichtige tijdingen, welke in verband met verschillende regeeringszaken mijn onmiddellijke terugkomst noodig maken.

Eigenlijk zijn het geen regeeringszaken, doch slechts een quaestie van aanwezig zijn.

De Keizer van Siam heeft namelijk in de onmiddellijke nabijheid van mijn vorstendom een kasteel en is van plan, zich daar gedurende de eerstvolgende weken op te houden.

Hij neemt die gelegenheid te baat om mijn residentie te bezoeken, er wordt dan een kleine inspectie over de troepen gehouden, ik dineer met hem en de zaak is afgeloopen.

Het geheel is niet meer dan een tooneeleffect, zooals ik u vertelde, niets anders dan eenvoudig een quaestie van aanwezig zijn.

Ik speel in deze comedie de rol van een pop met mechaniek.

In plaats van klein tenue trekt men ’s morgens groot tenue aan, ontvangt dan in een rijtuig met tien paarden bespannen zijn machtigen neef neef Achter-Indië.

De voorgeschreven broederkussen op linker- en rechterwang worden gewisseld, daarbij eenige innige handdrukken, eenige beminnelijke woorden, men laat een paar regimenten voorbij defileeren, spreekt over Zeppelin en de laatste vlootrevue, spreekt op beleefden toon tegen elkaar, vermijdt uit principe elk ernstig gesprek, gaat aan tafel zitten, eet wat de hofkeuken opdischt, houdt een toast op den machtigen neef, krijgt een toast terug en vergezelt hem tot aan de deur der eetzaal.

Dan omhelst men elkaar zooals dat is voorgeschreven, drukt elkaar nogmaals de handen en gaat naar bed met het aangename bewustzijn, zijn plicht als een trouw vader te hebben vervuld voor de welvaart van het land.

Ziet gij, mijn beste Lord, voor die ceremoniën wensch ik u als plaatsvervanger.

Dat wil zeggen, alleen wanneer gij mij gaarne dezen grooten dienst bewijst.

Ik zou nu niet graag afscheid willen nemen van het voorwerp mijner liefde. Wilt gij het uitstapje voor mijn rekening maken?

Gij weet niet, welk een genoegen gij mij doet door het inwilligen van mijn verzoek. Wanneer u iets gelegen is aan een orde van mijn vorstendom, zoek dan uit mijn koffer die uit, welke u het best bevalt.”

John Raffles glimlachte.

„Hebt gij uw orden in uw koffer, evenals men overhemdknoopjes en dergelijke dingen meeneemt, Hoogheid?”

„Ja”, lachte de vorst, „soms vergelijk ik mijzelf bij een handelsreiziger.

Elke kellner, commissaris van politie of andere officieele persoon van groot gewicht kan zoo’n ding uit mijn koffer krijgen.

Als ze op zijn, bestel ik weer nieuwe.”

John Raffles dacht eenige minuten na, rookte zijn sigaret op en sprak toen:

„Uit vriendschap voor u, Hoogheid, en omdat ik mij geheel in uw toestand kan verplaatsen, wil ik u gaarne van dienst zijn en u voor eenige dagen in uw vorstendom vertegenwoordigen.

Natuurlijk moet ik nauwkeurig door u worden ingelicht, opdat ik niet uit mijn rol val, vooral bij inspectie van de troepen.”

„Als er een oogenblik mocht komen, waarin gij niet weet, wat gij moet doen, laat gij de kerels eenvoudig aantreden en sneller marcheeren, dat is mijn methode altijd en daarmee heeft men altijd succes.

En wees voor het overige onbezorgd, ik wil u namelijk [10]eerlijk bekennen, dat ik zelf zelden weet, wat ik te doen heb.

Daarvoor is mijn hofmaarschalk er, die kerel is wonderlijk goed op de hoogte!

Ik zeg u, Lord Lister, gij zult verbaasd staan over alles wat hij weet.

Te beginnen met de uniformen welke gij te dragen hebt, tot aan de orden, waarmee gij u moet tooien, van de hoofdbedekking tot aan de laarzen, wanneer gij moet opstaan en om hoe laat gij moet eten, hij weet het allemaal precies.

Bovendien is er ook mijn minister van staat, dr. Von Thorn, die alle mogelijke speechen in elkaar zet. Mensch, gij behoeft u om niets te bekommeren.

Die man komt ’s morgens bij u en zegt:

„Uwe Hoogheid! Vandaag moet gij dat en dat zeggen, hij leest u den inhoud van uw rede voor en legt die dan meteen, keurig met de schrijfmachine geschreven, voor u op de schrijftafel neer.

En zoo gaat het den geheelen dag door.

De dokter komt en zegt: Uwe Hoogheid moet een rijtoer gaan maken.

De kamerdienaar meldt: Uwe Hoogheid, het bad is gereed!

Kort en goed, gij hebt verder niets te doen, dan u door al die menschen, die er voor zijn, als een uurwerk te laten opwinden, te laten kleeden en opvoeden.”

John Raffles lachte zoo hartelijk, dat de vorst er mee instemde.

„Maar zeg eens, Uwe Hoogheid”, begon hij weer, „hoe wordt het echter, als uwe gemalin mij wenscht te spreken?”

„Heel eenvoudig”, antwoordde de vorst, „dan wendt gij regeeringszaken voor.

Ik heb bijvoorbeeld de gewoonte om het licht te laten branden tot ’s morgens drie of vier uur.

Ook laat ik achter de ramen, waarvan de gordijnen dan zijn gesloten, een kamerdienaar heen en weer loopen, zoodat zijn schaduw op de gordijnen valt.

Tegenover de vensters van mijn werkkamer bevinden zich namelijk de slaapkamers mijner hooge gemalin.

Op die manier toon ik haar, hoe ik, overladen met regeeringszaken, tot in den morgen door moet werken.

Dat is namelijk de hoofdzaak bij ons, vorsten. Men moet de kunst verstaan, zich altijd zeer gewichtig voor te doen en nooit uit zijn rol te vallen.”

„En hoe is het met de financiën?” vroeg Raffles, „als ik betalingen moet doen?”

„Onzin!” lachte de vorst, „gij hebt geen betalingen te doen; betalingen worden alleen aan u gedaan. Dat wil zeggen, gij ziet daarvan niets.

Maar het is goed, dat gij mij daaraan herinnert, want de eerste, die bij u zal verschijnen en u zijn diensten zal komen aanbieden, is de financier Stern.

Dat is mijn vertrouwde.

Een uitstekend mensch, een kolossale kop, alleen houdt hij de duiten een beetje te zeer vast.

Meestal klaagt hij, dat hij geen geld heeft, maar dat moet gij niet gelooven. Hij wil altijd het voordeel van den Staat.

Elk oogenblik zucht hij: Uwe Hoogheid, gij verlangt te veel geld. Uwe Hoogheid, ik begrijp niet, wat gij met al dat geld doet!

Kort en goed, deze Stern is mijn portemonnaie, van hem leef ik en hij kent mijn wenschen beter dan ik zelf.

Hij legt mij altijd quitanties voor, die ik dan onderteeken en dat is alles, wat ik aan financieele zaken doe.”

„Een prachtige inrichting, ik wou, dat ik ook zoo’n geheimen financier had”, lachte Raffles.

„Bijna had ik nog iets vergeten”, sprak de vorst, „er is een persoon aan mijn hof, dien ik zooveel mogelijk uit den weg ga. Dat is de hofpredikant.

Ziet gij, Lord, ik ben geen godloochenaar, maar zijn sluwe manieren stuiten mij tegen de borst. Hij is mij onsympathiek.”

„Nu”, sprak Raffles, „ik zal hem op zijn eksteroogen trappen.”

„Doet dat!” sprak de vorst, „ik kan hem namelijk niet kwijt raken.

Alleen het idee, dat die man eindelijk eens zijn meerdere zou hebben gevonden, zou voldoende zijn om u als mijn plaatsvervanger naar huis te zenden.

En nu zal ik u dit cheque-boek op de Duitsche Bank geven en dan verzoek ik u, al uw uitgaven op reis te trekken op de Duitsche Bank.”

„Gij schenkt mij een groot vertrouwen”, sprak Raffles, „maar omdat ik eenmaal „ja” heb gezegd, zal ik beproeven, mijn uitgaven, die gewoonlijk vrij aanzienlijk zijn, niet hooger te maken dan uw middelen dat veroorloven.”

Samen zaten zij nog een half uur aangenaam te babbelen bij een snel opgediend ontbijt. De vorst gaf Raffles nog eenige documenten en papieren, benevens zijn zegelring en den kleinen koffer met ordeteekenen. [11]

„Als ik de ordekist nu eens leeg maak?” vroeg Raffles.

„Hindert niets!” antwoordde Zijne Hoogheid. „Als ze op zijn, worden er weer nieuwe gemaakt”

Daarop maakte de vorst snel een einde aan het gesprek. Hij haastte zich naar de deur om te informeeren, of zijn geliefde klaar was.

„Wanneer ontmoeten wij elkaar weer, Uwe Hoogheid?” vroeg Raffles bij het afscheid nemen.

De vorst dacht eenige seconden na en antwoordde:

„Ik had mij voorgenomen, een huwelijksreis van zes weken te maken.

Drie zijn er reeds om. Wij zien elkaar dus over drie weken terug in hotel Kaiserhof te Berlijn, waar ik weer zal opduiken als vorst Von Plessenheim.”

Zij namen afscheid en Raffles verliet met het leeren valies in de hand de kajuit.

Charly Brand verwachtte hem in hun gemeenschappelijke hut.

Hij zag aan het lachende gelaat van zijn vriend, dat dezen iets bijzonder amusants moest zijn overkomen.

„Kom eens hier, mijn jongen”, sprak Raffles, „jij hebt immers al zoolang naar een orde verlangd? Ik zal je aan eentje helpen.”

Charly Brand wist eerst niet, wat hij van die woorden moest denken.

Hij geloofde, dat Raffles hem voor den gek hield.

Maar hoe verbaasd was hij, toen Lord Lister het leeren valies opende en er eenige dozijnen kleine doosjes uitnam, waarin, in watten gehuld, allerlei medailles, kruisen en met steenen versierde ordeteekenen lagen, terwijl ook allerlei gekleurd ordelint te voorschijn kwam.

Dit laatste liet Raffles door zijn vingers glijden en sprak:

„Hoeveel meter heb je noodig om over de borst te dragen? Je ziet, dat hier genoeg voorradig is om je er mee te tooien.”

Charly Brand keek met groote verbaasde oogen naar het koffertje met orden en dacht, dat Raffles ze gestolen had.

„Ik bid je, sluit dien rommel weer weg, of liever, gooi het over boord. Wat wil je met dien boel doen? Als de eigenaar bemerkt, dat hij bestolen is, laat de kapitein alle kajuiten doorzoeken en ik zou hier geen enkel plaatsje weten waar je dat waardelooze tuig zoudt kunnen verbergen.”

„Domkop!” lachte Raffles, „deze orden zijn mijn eigendom!

En opdat je alles weet, ik ben niet meer Charly Schmidt, maar Zijne Hoogheid vorst van Plessenheim en jij bent mijn adjudant baron Charly von Brand.

Ga nu naar de kajuit van den heer Otto Muller en laat je daar den koffer met de uniformen, sabels en andere dingen geven, zooals ik dat met hem heb afgesproken.”

„Wat moet ik doen?” vroeg Charly, wien het geheele geval als een flauwe grap voorkwam.

John Raffles herhaalde nogmaals langzaam en duidelijk:

„Ga naar de kajuit van den heer Otto Muller en laat je daar den koffer geven met de kleedingstukken, zooals ik dat met hem heb besproken.”

Hoofdschuddend ging de secretaris heen.

Hij begreep van de zaak niet veel en nog minder, toen de zoogenaamde heer Otto Muller hem een grooten leeren koffer, benevens twee stuks handbagage, welke laatste, naar den vorm te oordeelen, helmen en mutsen moesten bevatten, meegaf.

„Ik verzoek u,” sprak de vorst, „let er op, dat gij door geen steward wordt verrast. Dat moet vermeden worden.”

Charly Brand had geluk op den korten weg, dien hij moest afleggen, want het was juist vóór het diner en nergens een steward te zien.

„Het duurde vrij lang, eer je terugkwam,” merkte Raffles op, „ik wilde je juist tegemoet gaan.”

Met de sleutels, die Charly ook meegekregen had, opende hij den uniformkoffer en nam er de klein-generaalsuniform uit, welke gewoonlijk door vorsten wordt gedragen.

Charly Brand hielp zijn vriend om zich te kleeden en daar deze hetzelfde figuur had als de vorst, paste alles hem als aangegoten.

„Het staat je prachtig!” riep Charly vol bewondering uit, „ook de helm past!”

„Zoo!” sprak Raffles, „ga nu naar den kapitein en deel hem mede, dat de vorst Von Plessenheim hem wenscht te spreken.”

De kapitein meende eerst, dat Charly dronken was.

Hij lachte hartelijk, toen deze den wensch van den vorst Von Plessenheim te kennen gaf en ook de bij hem staande officieren lachten mee.

„Neem mij niet kwalijk!” sprak Charly Brand op scherpen toon, „gij hebt zeker gehoord, wat ik u zei:

Zijne Hoogheid de Vorst von Plessenheim wenscht u te spreken en ik verzoek u, mij te volgen.”

„Mijnheer!” riep de kapitein uit, „houdt gij mij [12]voor krankzinnig of zijt gij het zelf! Ik heb geen vorst Von Plessenheim aan boord!”

„Gij hebt hem aan boord zonder het te weten,” antwoordde Charly Brand, „Zijne Hoogheid staat op uw passagierslijst ingeschreven als de heer Charly Schmidt.”

Nu zette de kapitein een verbaasd gezicht.

Hij wendde zich tot zijn eersten officier met de woorden:

„Deze man maakt toch niet den indruk alsof hij onwaarheid spreekt. Misschien is het een feit, en is Zijne Hoogheid hier werkelijk aan boord. Ik zal den gentleman volgen.”—

Eenige minuten daarna stond hij zwijgend en verbaasd tegenover Raffles en groette op militaire wijze.

„Kom naderbij, kapitein,” sprak Lister, „ik wil u over dienstzaken spreken.

Ik verzoek u, daar ik mijn reis moet afbreken, de eerste stoomboot, die passeert, door vlagge-signaal te roepen en mij door een boot te laten overbrengen.”

„Zeer goed, Uwe Hoogheid!”

„Als u dit mocht gelukken, dan zal ik zoo vrij zijn, u voor dezen dienst een onderscheiding toe te kennen,” sprak Raffles.

„Ik dank Uwe Hoogheid onderdanig. Ik zal mijn uiterste best doen in den koers te blijven van de Hamburger Lloydbooten, opdat uw wensch kan worden vervuld.”

Raffles gaf door een handbeweging te kennen, dat het gesprek was afgeloopen. De kapitein salueerde en verliet de kajuit.

De passagiers waren nog niet voor het diner bijeengekomen, toen het gerucht als een loopend vuurtje de rondte deed:

„Zijne Hoogheid de Vorst von Plessenheim is aan boord.”— — —

Aan tafel werden voor den vorst, alias Raffles en voor den nieuwbakken baron Von Brand bijzondere eereplaatsen ingericht en niemand vermoedde, dat de zich onder de passagiers bevindende Otto Muller de vorst was en dat op zijn eereplaats de plaatsvervanger, de veel gezochte Lord Lister, alias John C. Raffles zat.

Reeds des namiddags gelukte het den kapitein, een stoomschip door vlaggensignalen zijn wensch te kennen te geven.

Tegen zes uur verliet Lord Edward Lister het schip en begaf zich op een stoomsloep naar de Duitsche boot.

In eerbiedige houding, met ontbloote hoofden, keken de mannelijke passagiers hem na, terwijl de dames met zakdoeken wuifden.

De kapitein echter stond in militair salueerende houding aan de valreep en had een nieuwe decoratie op de borst. Een zalig glimlachje lag op zijn gelaat. Hij wilde wel, dat hij elken dag een vorst incognito aan boord had.

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Toen het schip de haven van Napels binnenliep, verscheen er dadelijk een politieboot.

Een Italiaansche officier van politie met een dozijn detectives kwamen aan boord en de officier wendde zich tot den kapitein.

„Wij hebben uit Londen van den inspecteur van politie Baxter bericht gekregen,” sprak hij, „dat zich hier aan boord de veelgezochte avonturier Lord Edward Lister moet bevinden. Ik moet alle passagiers om hun identiteitsbewijzen verzoeken.”

De Italiaansche beambten doorzochten het schip.

De passen van alle reizigers, ook die van majoor Muller en echtgenoote, werden in volkomen orde bevonden.

De detectives konden geen verdachte personen ontdekken.

Als laatste passagier, die geen pas had, werd de Parijsche stille agent van politie Margotte door de Italiaanschen politieofficier aan een verhoor onderworpen.

„Gij komt mij uiterst verdacht voor,” sprak de Italiaan.

„Spreek toch geen nonsens,” antwoordde de politieagent, „ik ben een collega van u.”

„Dat kan iedereen zeggen,” lachte de Italiaan, „bewijs het mij door uw papieren.”

„Ik heb geen papieren bij mij,” sprak de agent. „Ik ben in opdracht van mijn regeering hals over kop aan boord van dit schip gezonden, om den vorst Von Plessenheim, die wij van spionnage verdenken, in het oog te houden.

Mijn regeering heeft zich helaas vergist.

Hij, dien ik voor den vorst moest houden, is een eenvoudig majoor, terwijl de werkelijke vorst Von Plessenheim, dien ik niet kende, gistermiddag het schip heeft verlaten.”

„Wie heeft het schip gistermiddag verlaten?” vroeg de Italiaan. [13]

„Ik zei het u reeds”, antwoordde de Franschman, „de vorst Von Plessenheim met zijn adjudant.”

De kapitein, die het gesprek bijwoonde, mengde er zich nu in en vertelde den officier van politie het voorgevallene.

De Italiaan vloekte en beweerde, dat dit geen zuivere koffie was.

„Ik geloof”, sprak hij, „dat de vogel mij ontsnapt is. Merkwaardig, zooveel geluk als die kerel heeft. Maar misschien zal het mij toch lukken en ik zal dadelijk naar Londen telegrafeeren. Misschien kan inspecteur Baxter met zijn beambten den avonturier in Londen vangen.”

„Haal uzelf geen onaangenaamheden op den hals! Het is geen avonturier geweest, dien ik aan boord had, maar inderdaad de vorst Von Plessenheim. Overtuig u zelf!”

Hij wees naar de orde op zijn borst.

„Deze onderscheiding heb ik van Zijne Hoogheid gekregen. Een avonturier kan geen decoraties verleenen!”

„Ik zal het aan mijn collega’s in Londen overlaten, zich onaangenaamheden op den hals te balen”, antwoordde de Italiaansche officier van politie.

„Voorloopig moet ik dezen heer”, hij wees naar den Franschen beambte, „voor gevangen verklaren, daar hij geen papieren betreffende zijn persoon bij zich heeft.”

„Nu, ik denk”, lachte de Franschman, „dat u juist op dit oogenblik het ontbreken mijner papieren mijn identiteit als detective het beste moest bewijzen.”

„Eigenlijk hebt gij gelijk!” antwoordde de Italiaan, „iemand die geen papieren bij zich heeft, en niet kan bewijzen wie hij is, zou best een detective kunnen zijn.

Maar ik kan niet anders handelen. Ik moet u, totdat ik de bevestiging uwer opgaven uit Parijs heb ontvangen, in hechtenis nemen. Volg mij in naam der wet.”

Zoo geschiedde het, dat de eene politiebeambte den anderen gevangen nam, inplaats van Raffles.— —

Inspecteur Baxter had zooeven een telegram ontvangen en de vloo, secretaris Marholm, sloeg hem in het geheim gade om te zien, welken indruk het telegram op den machtigen chef maakte.

De vloo kon tevreden zijn, want Baxter glimlachte vergenoegd, wreef zich de handen en sprak op luiden toon:

„Fameus! Nu heb ik hem eindelijk in de val!”

„Wien hebt gij in de val?” vroeg de vloo. „Onzen vriend Raffles soms?”

Goddam! De duivel hale je grootmoeder!” vloekte Baxter, „wat gaat het jou aan, als ik in mezelf spreek?”

„Dat gaat mij inderdaad niets aan!” antwoordde Marholm en hij legde de pen op tafel, een teeken, dat hij graag een langdurig gesprek met zijn chef wilde houden.

„Welnu dan!” snoof de inspecteur, „zwijg dan en antwoord mij, als ik u wat vraag!”

„Dat ben ik met u eens!” antwoordde de vloo kalm, haalde zijn kort pijpje uit den zak, benevens een pakje tabak en begon langzaam als een philosoof en zoo nauwkeurig mogelijk zijn pijp te stoppen.

Daarna streek hij aan zijn broek een lucifer aan en begon te rooken.

Hij wist, dat inspecteur Baxter al zijn bewegingen volgde als de kat een muis, daarom deed hij zijn best om zich zoo weinig mogelijk te haasten.

Hij had zich reeds den geheelen morgen over zijn chef geërgerd, omdat deze hem, zooals herhaaldelijk voorkwam, achterstallig werk, dat hij zelf reeds twee dagen geleden had moeten afdoen, had opgedragen.

Nu moest Marholm maar zien, hoe hij het klaarspeelde.— —

Daar lagen spoedzaken en andere dingen, die door de nonchalante onverschilligheid van den inspecteur het grootste onheil konden aanrichten, als zij niet werden behandeld.

Marholm had zich na vier uur lang ingespannen te hebben gewerkt, door den hoop acten heenworsteld en kon zich nu gerust de weelde van een pijp tabak veroorloven.

Hij wist, dat Baxter den rook niet kon verdragen, maar dat liet hem koud.

Al kon de inspecteur den tabaksrook niet verdragen, toch was hij genoodzaakt om Marholm, die al zijn werk in orde maakte, in zijn bureau te dulden, want de vloo had hem eens voor altijd verklaard, dat hij zonder zijn pijpje het niet in het bureau kon uithouden.

Baxter wierp hem een giftigen blik toe en sprak:

„Waarom rook je toch geen sigaren?”

„Ja”, antwoordde de vloo, „zoo gaat het nu eenmaal in de wereld. Ik kan uw sigaren niet ruiken en gij mijn shagpijpje niet. Dat is wederzijdsche antipathie! Ik zeg er u ook immers niets van, als gij rookt? [14]

Als ik iemand zie met een sigaar in den mond, denk ik altijd aan een zuigeling met een speen.”

„Zijt gij eindelijk uitgesproken?” vroeg Baxter, „wij hebben wel wat anders te doen! Kijk eens na in het koersboek, hoe de beste aansluiting is naar Cuxhaven.”

„Wilt gij op reis gaan?” vroeg de vloo.

„Ja! En gij met verscheiden andere beambten zult mij vergezellen!”

„Dus naar Duitschland? Wat is daar aan de hand? Moeten wij soms verbieden, dat zij hun vloot uitbreiden?”

„Klets niet! Kijk het koersboek na! Wij moeten ons haasten opdat de schurk ons niet ontsnapt.”

„Een schurk?” vroeg de vloo. „Ik weet niet, dat er in Engeland, de koloniën of ergens anders ter wereld een groote misdaad is gepleegd.”

Hij nam zijn grooten reisgids van zijn schrijftafel, keek dien in en antwoordde:

„De beste verbinding is via Vlissingen en dan verder per spoor.

De trein vertrekt om zes uur van hier naar de haven.”

Allright!” antwoordde de inspecteur van politie. „Zeg tegen sergeant Thomson en ook tegen detective Schmidt, dat zij zich hier om 5 uur in het bureau moeten gereed houden voor de reis naar Duitschland.”

„Wilt gij mij niet vertellen, mijnheer de inspecteur, waarom het handelt?”

„Gij hebt alleen te doen wat ik beveel!”

„Ik vraag u ook niet als beambte, heer inspecteur, maar gij weet, dat ik u reeds dikwijls een goeden raad heb gegeven, die u voor allerlei onheil zou hebben behoed, als gij hem hadt opgevolgd en alleen daarom ben ik zoo vrij, deze vraag tot u te richten.”

„Neen”, antwoordde Baxter, „in dit geval heb ik uw raad niet noodig en ik kan mij ook niet herinneren, ooit goeden raad van u te hebben gekregen!

Ik was altijd heel dom …”

„Dat ben ik met u eens”, lachte de vloo.

„Wat zegt gij?” vroeg Baxter woedend, omdat hij niet wist, waarom de vloo lachte.

„Ik zeg niets!” antwoordde de vloo. „Gij hebt zooeven zelf gezegd, dat ik in uw tegenwoordigheid er geen meening op na mag houden. Beveel slechts en dan zal ik doen, wat gij wenscht. Ik zal nu mijn collega’s berichten, dat zij zich gereed moeten maken.”

Met den zes uurstrein vertrokken de inspecteur van politie Baxter, de vloo, de politiesecretaris Thomson en de detective Von Schmidt naar de haven, maar alleen Baxter wist, met welk doel.

Hij vermeed het, gedurende de geheele reis, meer te spreken dan hoog noodig was.

De vloo, die voor zijn vermaak de eene pijp na de andere rookte, kon het idee niet van zich afzetten, dat Baxter weer op weg was, een groote domheid te begaan.

„Ik ben nieuwsgierig wat deze reis weer te beteekenen heeft!”

Zonder oponthoud reisden zij naar Cuxhaven en daar begaven zij zich onmiddellijk naar de aanlegplaats der stoombooten.

Reeds over een paar uur zou een schip der Middellandsche Zeelijn binnenkomen.

De vloo hoorde dit uit een gesprek tusschen Baxter en een douaneofficier.

„Ik ben werkelijk nieuwsgierig,” fluisterde Marholm tot sergeant Thomson, „wien wij verwachten.”

Intusschen hadden Baxter en zijn beambten zich verzekerd van de hulp van den Hamburgschen commissaris van politie voor de arrestatie.

Deze beambte zorgde voor de hulp van twintig manschappen aan den steiger. Deze waren aangekomen en twaalf van hen hadden zich op de kade opgesteld, toen de boot langzaam, door de loodsen gestuurd, de landingsplaats naderde.

„Let op, mannen”, sprak de Hamburger commissaris van politie, „de boot voert in top een vorstelijke vlag. Er is een of andere Hoogheid aan boord.”

Nauwelijks legde de boot aan of de beambten van politie met Baxter aan het hoofd, begaven zich aan boord en de laatste sprak tot den verbaasden kapitein:

„Wijs mij de passagiers, welke gij in de Middellandsche Zee van boord der „Rotterdam” hebt overgenomen.”

Hij moest zijn bevel tweemaal herhalen, want de kapitein vertrouwde zijn ooren niet en keek zeer verbluft.

Eindelijk sprak hij:

„Gij bedoelt toch niet Zijne Hoogheid den vorst Von Plessenheim?”

„Nonsens!” antwoordde Baxter, „ik bedoel een der slimste oplichters, dien wij sinds lange jaren vervolgen, een zekeren John C. Raffles!”

„Mooi, Sir!” sprak de kapitein, die nu over de eerste verbazing heen was, „zoekt hem dan maar!

Ik heb behalve den vorst en diens adjudant geen passagiers aan boord genomen.” [15]

De passagiers begonnen reeds ongeduldig te worden en begonnen reeds aan wal te gaan.

Zoodoende bleef Baxter niets anders over dan met zijn beambten het schip te verlaten, daar de kapitein geen onderzoek veroorloofde.

Hij nam plaats aan den voet der landingsbrug, welke de stoomboot met den wal verbond, om ieder der passagiers nauwkeurig op te nemen, zoodra hij over de brug aan land ging.

De stewards kwamen het eerst met de handbagage der passagiers, daarop volgden de reizigers zelf.

Bijna het laatst kwam John C. Raffles in klein generaalstenue, dat hij als plaatsvervanger van den vorst Von Plessenheim droeg.

Nauwelijks had Baxter hem opgemerkt, of een gejoel van blijde verrassing maakte zich van hem meester.

Hij herkende zijn vijand, ondanks de schitterende uniform. Zijn hart klopte hoorbaar van vreugde!

Eindelijk had hij John Raffles!

Aan ontsnappen viel niet te denken. De brug was slechts zoo smal, dat twee passagiers er tegelijkertijd naast elkaar op konden loopen en aan het eind stond Baxter met zijn beambten en daarachter de Hamburger politiecommissaris met twaalf agenten.

„Aha!” riep Baxter zacht tot Marholm, „ook zijn trouwe vriend en helper, de beruchte Brand! Dat is een goede vangst!”

„Bega geen dwaasheden!” fluisterde de vloo terug.

„Ik waarschuw u! Wie weet, of het inderdaad John C. Raffles is?”

„Vergissing is onmogelijk!” sprak Baxter. „Hij is het—hij is het! En nu zal ik hem gevangen nemen!”

De groote onbekende was langzaam de landingsbrug afgekomen en stond nu op een armlengte verwijderd van den inspecteur van politie.

„In naam der wet, John C. Raffles, verklaar ik u voor gevangen!” sprak Baxter, den heer in generaalsuniform naderend.

Verbaasd keek de commissaris van politie naar zijn Engelschen collega. Hij wist niet, wat hij van het geval moest denken.

Daar klonk helder en duidelijk van de landingsbrug, als een Pruisisch commando, de stem van Raffles:

„Wachtmeester, arresteer dezen man! Hij waagt het, mij te beleedigen!” (Zie het titelblad.)

Handig sprongen de commissaris en agenten naderbij. Nog voordat Baxter een woord verder kon spreken, voelde hij zware handen op zijn schouders, werd hij van de brug weggetrokken en hoorde hij den commissaris van politie zeggen:

„Gij hebt den vorst zwaar beleedigd, ik verklaar u voor gevangen!”

Snel boog zich een der beambten over hem heen en deed hem boeien aan.

„Laat mij los!” riep Baxter en hij trachtte te vergeefs zich uit de vuisten der agenten los te werken.

Maar deze waren gewend, dat, wat zij vastpakten, niet weer los te laten, behalve wanneer een hunner meerderen het beval.

Hun chef echter stond in militaire houding tegenover den vorst Von Plessenheim.

„Commissaris!” sprak de vorst, „het is een ongehoorde brutaliteit mij, die generaalsuniform draagt en die dus niet verwisseld kan worden met een persoon in civiel, te willen arresteeren.”

De commissaris verontschuldigde zich en na een toestemmende handbeweging van den vorst commandeerde hij zijn manschappen:

„Brengt den man weg!”

„Hij is het! Hij is het! Het is John Raffles!” schreeuwde de wanhopige Baxter, terwijl hij een laatste poging deed om zich los te rukken.

Maar te vergeefs.

„Als je niet dadelijk stil bent, dan sla ik je met mijn vuist in het gezicht, zoodat je je tanden wel uit kunt spuwen. Wij maken hier in Hamburg weinig complimenten,” dreigde een der agenten en een andere riep:

„Je moogt blij zijn, dat je er zoo gemakkelijk afkomt! Ge schijnt niet te weten, dat, als een particulier zijn hand opheft tegen een officier, deze hem aan zijn sabel mag steken, zoodat hij daaraan spartelt als een kever aan een speld. Ik geloof, dat je dronken bent!”

Zij brachten Baxter naar de wacht, terwijl de vloo met zijn collega’s stond te praten.

„Jongens,” sprak hij, „dat is de mooiste grap, die ik ooit heb beleefd.

Daar heeft onze inspecteur zich weer eens terdege de vingers gebrand.

Goddam, als de Londenaren dat gewaar worden, lachen zij zich half dood! Het was een schitterend tooneeltje, toen Baxter door de politieagenten in hechtenis werd genomen— — — —

Ik had groote moeite om mijn lachen te verbergen.

Let eens op, dat wordt een amusant zaakje! Ik verzeker u, wat alle kranten te zamen niet kunnen klaarspelen, oorlog uit te lokken tusschen Engeland en [16]Duitschland, dat zal onzen Baxter in zijn domheid nog wel gelukken.

Wel mijn hemel! Dat is een ontzettende misslag, een vorst in generaalsuniform aan te zien voor John C. Raffles!”

„Nu,” sprak sergeant Thomson, „de vorst leek vervloekt veel op John Raffles!”

„Dat is waar,” antwoordde de vloo, „maar wanneer hier in Duitschland iemand een uniform draagt, al is hij de grootste schurk, dan is hij onder dat kleed veiliger dan achter de gepantserde wanden van een dreadnought.

Hier moet men altijd tegenover de uniformen staan met de pinken op de naden van den broek!

Dat is immers het ideaal van Baxter, dat hij ook bij ons in Scotland Yard wil invoeren.—

En nu ben ik werkelijk zeer nieuwsgierig, of dat John C. Raffles dan wel inderdaad de vorst Von Plessenheim is.”

Zij gingen naar het station en keken naar het vertrek van den sneltrein.

Zij zagen, dat voor den vorst Von Plessenheim een extra wagon werd aangehaakt en dat de stationschef en diens beambten in groot tenue hem de noodige eer bewezen.

Tot den volgenden dag moesten zij op de invrijheidstelling van hun chef wachten.

Meterlange telegrammen werden eerst gewisseld tusschen Hamburg, Cuxhaven en Londen.

Toen Baxter eindelijk des avonds om 6 uur werd vrijgelaten, vloekte hij:

„Als gij weer grijnst, Marholm, dan sla ik u, zoo waarachtig als ik Baxter heet, de ribben stuk!”

„Wie grijnst er?” vroeg de vloo. „Gij schijnt hallucinaties te hebben; ik vind, dat de zaak meer om te huilen is!

Den vorst Von Plessenheim verwisselt gij met Raffles en mijn doodbiddersgezicht met grijnzen.”

„Gij schijnt er bijzonder veel pleizier over gehad te hebben, nietwaar?” vervolgde Baxter. „Ik ken u immers.”

„Daarin vergist ge u weer,” sprak de vloo. „Vraag mijn collega’s. Dat is werkelijk geen pleizier, wat wij sinds gisteren hebben doorgemaakt. Ik ben er ziek van geweest.—Vooral, omdat ik bijna in mijn lachen was gestikt!”

Deze laatste woorden sprak Marholm echter niet luid.

„Maar dit zeg ik u, lieden,” snoefde Baxter, „ondanks mijn ellendigen toestand heb ik daar in de gevangenis veel geleerd.

Daar mag niemand tot zijn superieur spreken zonder de hakken tegen elkaar te slaan en de pink op den naad van den broek te doen. Hij mag verder niets anders zeggen dan: „Tot uw dienst, ja!” of: „Tot uw dienst, neen!”

Ik zal een nieuw reglement voor Scotland Yard in elkaar zetten en zal jelui drillen, dat geheel Londen er pleizier van zal hebben.—

Alleen het eten is vervloekt slecht in de gevangenis.

Ik heb een reuzenhonger,” voegde hij er aan toe.

Hij ging met Marholm naar een restaurant en at als een slootgraver.

Daarop sprak hij, nadat hij zich verzadigd had:

„Zoo goed heeft het mij in mijn geheele leven nog niet gesmaakt.”

Na het diner maakten zij een wandeling en begaven zich daarop naar hun hotel.

„Ik ben op een prachtig idee gekomen,” sprak Baxter plotseling.

„Nu, nu,” bromde Marholm, „houd uw prachtige invallen liever voor u.”

Baxter’s oogen rolden woest.

„Wilt ge mij alweer tergen, Marholm? Als ik zeg, dat ik een prachtig idee heb, dan is dat zoo. Morgen zullen wij met den vroegtrein naar Bücklingsburg reizen. Daar zal ik mij er van overtuigen, of dat Raffles dan wel de vorst Von Plessenheim was.

Als het werkelijk de vorst was, dan zweer ik, dat ik mijn ontslag indien.

Maar ik durf er mijn hoofd op verwedden, dat de commissaris te Hamburg een vriend is van Raffles.”

„Wel,” sprak de vloo, „dat vind ik niet erg voor de hand liggen. Gij schijnt grooten lust te hebben u nog meer te blameeren.”

„Wat?” riep Baxter uit, „wat zegt gij daar? Ik zou mij geblameerd hebben? Mijnheer! Gij schijnt niet te weten, met wien gij spreekt. Ik blameer mij in het geheel niet! Ik ben in dienst en— — — —”

Hij hijgde naar adem, omdat hij verder geen woorden kon vinden. Daarop vervolgde hij, zonder zijn zin te kunnen eindigen:

„Maar in Bücklingsburg zal ik alles te weten komen. Gij kunt morgenochtend per boot naar Engeland terugkeeren. Uw collega’s kunt gij meenemen, ik zal de verdere reis alleen maken.”

„Goddank!” zuchtte de vloo.

„Wat bedoelt gij?” riep Baxter, „beweerdet gij [17]nog iets? Voortaan hebt gij mij alleen te antwoorden: Tot uw dienst, ja! Tot uw dienst, neen! Begrepen?”

„Dat kan vermakelijk worden,” lachte de vloo, „ik geloof niet, dat de Lord-mayor met deze nieuwe schikking genoegen zal nemen.”


„Ik vind mij zelf precies een hoofdfiguur uit een operette”, sprak Raffles, even voordat de trein, die hem naar de hoofdstad Bücklingsburg bracht, het station binnenliep.

„Ja”, antwoordde Charly Brand, „het gaat zeer komiek toe in de wereld en vooral de dingen, die met jou gebeuren, hebben in de meeste gevallen een zeer vermakelijk tintje.”

„Pas nu eens op, mijn lieve jongen”, vervolgde Raffles, „nu zal je de menschen in al hun kleinheid leeren kennen!

Voortaan zal je niets dan gebogen ruggen te zien krijgen.

Aan de eene zijde gebogen ruggen van mannen, die wel zooveel karakter bezitten, dat zij zich over hun gebukte houding schamen en aan den anderen kant kromme ruggen van hen, wier hersenen totaal verstompt zijn.

Zulke lieden, mijn beste Charly, vormen het grootste gedeelte van hen, met wie wij te doen zullen krijgen.

„Ik zeg je, Charly, het slechtste gepeupel, dat je in het Oosten van Whitechapel en in de Berlijnsche achterbuurten kunt ontdekken, heeft nog meer menschelijk gevoel dan deze lieden.

Well, daar zijn wij in Bücklingsburg!”

Hij begaf zich naar het open venster en keek naar het perron waar een eerewacht en een muziekkorps waren opgesteld.

De geweren werden gepresenteerd, terwijl de muziek het volkslied aanhief.

Adjudanten en hofdienaren snelden als door elkaar krioelende mieren naar het salonrijtuig en nu moest Raffles al zijn verstand, voorzichtigheid en koelbloedigheid aanwenden, om de hem omringende beambten niet met elkaar te verwisselen.

Het eerst kwam de hofmaarschalk zijn coupé binnen.

Hij geleek op een dikken kikker, die de oogen verdraait en met keelgeluid zijn kwak, kwak roept.

Daar hij kortademig was moest hij telkens zijn zin afbreken, voordat hij verder kon spreken.

Met een diepe buiging kwam hij nader en sprak:

„Ik ben gelukkig— — — —Uwe Hoogheid, innig gelukkig ben ik— — —Uwe Hoogheid weer in Zijn schoon land te kunnen begroeten.”

„Ik ben zeer vermoeid”, antwoordde Raffles met een genadig knikje, „de reis heeft mij aangegrepen. Ik hoop niet dat er veel formaliteiten voor de ontvangst zijn mee te maken.”

„Slechts de allerkleinste. Wil Uwe Hoogheid zoo vriendelijk zijn, de eerewacht te inspecteeren?”

„Natuurlijk”, antwoordde Raffles. „De plichten, welke wij moeten vervullen, zijn helaas niet te vermijden.”

Hij volgde den hofmaarschalk, liep door een haag van dienstdoende hofbeambten, de muziek zette sterker in, de officier van de eerewacht riep met donderende stem:

„Geeft acht! Presenteert het geweer!— — —”

Met een hoorbaren ruk vlogen de hoofden der brave grenadiers naar links en met een enkele beweging ploften de geweren loodrecht voor het lichaam neer.

John Raffles liep vriendelijk groetend, de hand aan zijn uniformpet, langs de mannen heen om daarop, door den hofmaarschalk geleid, in het achter het station staande hofrijtuig plaats te nemen.

De hofmaarschalk was op een uitnoodigende handbeweging van hem mee in het rijtuig gaan zitten en, verblijd over deze onderscheiding, aan deze zijde van zijn vorst te zitten, en zich zoo aan het publiek te mogen vertoonen, keek hij om zich heen als een pauw.

„Nu, wat is er voor nieuws?” vroeg Raffles gedurende den rit.

De hofmaarschalk snakte naar lucht, en terwijl Raffles onophoudelijk de hand aan zijn hoofddeksel hield en voorbijgangers groette, begon hij te vertellen:

„Hare Hoogheid de vorstin is sedert eenige dagen ongesteld, daar Hare Hoogheid op eene wandeling een lichte verkoudheid heeft opgeloopen.— — —

Hare Hoogheid zal daardoor verhinderd zijn Zijne Hoogheid te kunnen ontvangen.

Dan heb ik, hoewel Hare Hoogheid— — —het niet wenschte— — — —de kleine barones Brenkenhaus in den hofdienst aangesteld.”

„Brenkenhaus?” herhaalde Raffles.

„Jawel, Hoogheid.— — —Uwe Hoogheid herinnert zich misschien, indertijd bij het bezoek op slot Brenkenhaus te hebben gezegd, dat de kleine barones zeer in uw smaak viel, en daarom meende ik— — —mij de genade van Uwe Hoogheid te verzekeren— —als ik de kleine barones aan het hof bracht. [18]

Hare Hoogheid de vorstin is hierover niet zeer gesticht!”

„Dat begrijp ik”, lachte Raffles, en de hofmaarschalk stemde onmiddellijk, zooals dat was voorgeschreven, met lachen in.

„Verder hebben burgemeester en wethouders verzocht— — —nog heden bij Uwe Hoogheid te worden ontvangen, opdat zij de wenschen van Uwe Hoogheid betreffende de feestelijkheden ter ontvangst van Zijne Majesteit den Keizer van Siam vernemen.”

„Ja, ja, zeer juist”, antwoordde Raffles, „de menschen kunnen vanavond komen.”

„Vanavond?” herhaalde de hofmaarschalk, en hij vervolgde: „Ik vraag excuus, Uwe Hoogheid.— — —Ik had vanavond— — —voor de officieren van het garnizoen en de hoogere ambtenaren van het hof een klein souper vastgesteld.— — —Maar, als Uwe Hoogheid het beveelt, dan kan er om zes uur thee worden geserveerd!”

„Zorg voor de thee! Het zou mij overigens zeer aangenaam zijn”, ging Raffles voort, „als ik bij de ontvangst van den burgemeester ook eens eenige andere stemmen van burgers mijner hoofdstad kon vernemen. En niet alleen van mannen, ook van vrouwen.

Noodig beslist voor hedenavond honderd burgers van verschillende standen met hunne vrouwen uit in het slot te komen en laat al het andere aan mij over.”

Als door een bliksemstraal getroffen, zoo verschrikt keek de hofmaarschalk op, toen hij dit bevel van zijn vorst vernam, om honderd burgers uit te noodigen.

„Pardon, Uwe Hoogheid— — —” begon hij, adellijke of burgerlijke— — —”

Raffles trok de wenkbrauwen samen, bij welk teeken van misnoegen de hofmaarschalk als een mishandeld insect in een hoek van het rijtuig wegkroop.

„Ik bedoel burgerlijke! Hebt gij mij niet begrepen?” sprak hij scherper dan te voren.

„Jawel, Uwe Hoogheid!”

„En weliswaar”, ging Raffles door, „niet de heeren pastoors, leeraren, post- en politie-ambtenaren, maar ik wensch de heel eenvoudige burgerij, kleermakers en schoenmakers, bij mij te zien.”

De mond van den hofmaarschalk ging machinaal eenige keeren open en dicht. Hij snakte naar lucht.

Doch in plaats van te spreken, stamelde hij slechts:

„Hoog— — —Hoog— — —Hoog— — —”

„Wel”, zei Raffles, „wat zit u toch zoo hoog? Voor den dag er mee!”

„Uwe Hoogheid houdt van een grapje!” lachte de hofmaarschalk vleiend. Daarna wierp hij een scherpen blik op Charly Brand, die op de achterbank van het rijtuig zat, en zich tot Raffles wendend, sprak hij:

„Uwe Hoogheid vergeve mij, dat ik u met een vraag kom lastig vallen. Zou ik den naam en den stand van uwen begeleider mogen weten, opdat ik en de overige beambten der hofhouding Uwen begeleider overeenkomstig rang en stand kunnen aanspreken.”

„Zeker”, antwoordde Raffles, „deze meneer is baron Von Brand en zal mij voorloopig persoonlijke diensten bewijzen. Hij is mijn reisgezel.”

De hofmaarschalk maakte een diepe buiging voor Charly.

Juist op dit oogenblik reed het rijtuig het slotplein op. De paarden stonden door een ruk aan den teugel opeens stil.

De hofmaarschalk sprong er uit, boog opnieuw, zette zijn hoed af, en langs een nieuwe haag van roode uniformen wandelde Raffles over de purperen looper naar het slot van den vorst Von Plessenheim.

Hij hield zich, om geen fouten te begaan, geheel aan de voorschriften van zijn vorstelijken vriend. Hij deed niets, dat hem niet door den hofmaarschalk werd voorgeschreven.

Aldus wekte het bij niemand achterdocht, dat Raffles, hoewel hij de vertrekken niet kende, zich onder leiding van den hofmaarschalk, die met alles vertrouwd was, naar de vorstelijke vertrekken begaf, waar hij zich door de kamerdienaren liet bedienen.

Een half uur later zat hij in de werkkamer op een met een tijgervel overdekte chaise-longue uit te rusten van de vermoeienissen der reis.

Terwijl Raffles sliep, was de hofmaarschalk naar de kanselarij gegaan om met de aanwezige hofdignitarissen een gewichtige conferentie te houden.

Hier was uit het kruipend insect, uit den opgeblazen kikvorsch een geweldige, forsche natuur gegroeid.

„Mijne heeren”, begon hij, toen allen bijeen waren. „Het is de wensch van Zijne Hoogheid, de burgers van zijn land te leeren kennen.

Zijne Hoogheid heeft deze wijze van ontvangst aan het hof van den Koning van Engeland leeren kennen, en wenscht die hier in te voeren.

Zend door middel van boden invitaties aan honderd personen in de stad, en weliswaar aan eenvoudige lieden, ambachtslui en wat daartoe behoort.

De ontvangst heeft plaats om 6 uur. De uitgenoodigde gasten moeten om 5 uur in de kleine groene [19]zaal bijeenkomen, waar ik zelf de noodige aanwijzingen zal meedeelen.”

De hovelingen stonden verbaasd.

Zoolang zij in dienst waren, was hun zooiets niet overkomen.

Doch de wensch van den vorst was bevel; dus begaven zij zich weer naar hun secretarissen en deelden dezen de opdracht van den Vorst ter verdere uitvoering mee.

Deze beambten stelden zich daarna in verbinding met de politieoverheid om de namen en adressen te vragen van menschen, die waardig waren door den Vorst van het land te worden ontvangen.

De politie doorsnuffelde onmiddellijk met grooten ijver de boeken van den burgerlijken stand en er werd speciaal op gelet, dat de in aanmerking komenden vóór alles militair waren geweest en nimmer eenige straf hadden ondergaan.

Na een uur lang hard gewerkt te hebben, hadden zij de namen bij elkaar en een half uur later verschenen de hoflakeien met de uitnoodigingsbrieven in de huizen der uitverkorenen.

Als een loopend vuurtje verspreidde zich het bericht, van den vreemden wensch des vorsten door de Residentie.

Tegen 5 uur in den namiddag begaven de uitgenoodigden zich met hoorbare hartkloppingen en het gevoel of zij ter dood gebracht moesten worden naar het slot.

De meeste van hen waren liever thuisgebleven dan zich door de genadige zonnestralen van den Vorst te laten beschijnen.

Ja, eenige hadden zelfs den moed, dicht bij het paleis met hun vrouwen, want deze waren, zooals het bevel luidde, meegegaan, terug te keeren.

Maar de voor de veiligheid zorgende politiebeambten beletten hun dit en brachten hen met zachte vermaningen op den goeden weg terug.

Toen de hofmaarschalk de groene zaal binnentrad, waar de uitgenoodigden bijeen waren, had hij het gevoel, zich tegenover een kudde schapen te bevinden.— — —

De gasten durfden nauwelijks ademhalen, toen de hofmaarschalk met zijn van goud overladen uniform voor hen trad. Zij keken schuw naar den vloer en zouden het liefst, evenals de struisvogels, hun hoofd verborgen hebben gehouden.

De hofmaarschalk nam een lijst op, waarop de namen der uitgenoodigden stonden genoteerd en begon voor te lezen, waarop iedereen met een duidelijk „hier!” moest antwoorden.

„Slotenmaker Ernst?”

„Hier!” antwoordde de diepe stem van bedoeld persoon.

„De echtgenoote van Slotenmaker Ernst?”

„Ook hier,” sprak met een hoofdbuiging en een piepstem de broodmagere schoone.

„Kleermaker Vos?”

Een stilzwijgen volgde. De man was niet verschenen.

De hofmaarschalk fronste de wenkbrauwen en vernam, dat de kleermaker ziek was.

„Noteer dit feit!” sprak hij tot den hem assisteerenden secretaris.

„Daar kan men weer zien, hoe slordig onze politie werkt! Dat hadden zij mij toch moeten meedeelen!…

Inplaats daarvan.….. Het is niet te gelooven! Wij zullen morgen een bericht— — —aan den inspecteur van politie zenden.”— —

En zoo ging het voort; eindelijk gaf hij den secretaris de lijst en sprak tot de verzamelde menigte:

„Luistert nu eens oplettend naar mij.

Gij moet, wanneer Zijne Hoogheid, de Vorst, binnenkomt, een diepe buiging maken.

Gij moet, als Zijne Hoogheid u aanspreekt, altijd zeer kort antwoorden. „Jawel uwe Hoogheid”, of: „neen, uwe Hoogheid!”— — —

Gij moet meelachen, als de Vorst lacht!

Gij moet, als hij ernstig kijkt, eveneens een ernstig gezicht zetten.

Kort en goed—gij moet in alles den Vorst volgen, nauwkeurig volgen.

Hebt gij dat begrepen?”

„Ja!” weerklonk het.

„Gij moet ook later, als er thee en broodjes worden rondgediend, met handschoenen iets nemen. Begrepen?”

„Jawel!” klonk het weer in koor.

Nu verliet de hofmaarschalk het gezelschap, om den Vorst te berichten, dat de uitgenoodigde gasten waren bijeengekomen.

Gedurende zijn afwezigheid kwamen de burgemeester, de wethouders en andere autoriteiten eveneens in de groene zaal en keken met opgetrokken neuzen naar de gewone burgers, die zich daar bevonden.

Terwijl zij zacht fluisterend met elkaar spraken en hun opmerkingen maakten over het vreemde gedrag van den Vorst, klonk plotseling achter de vleugeldeuren [20]het driemaal herhaalde kloppen van den hofmaarschalk, ten teeken, dat de Vorst naderde.

Nu openden eenige bedienden de deur en Raffles, de vorst Von Plessenheim, naderde zijn onderdanen.

Als op commando bogen alle aanwezigen voor hem.— — —

Toen zij zich weer oprichtten, keken zij in zijn lachende oogen en onmiddellijk verscheen op aller gelaat eveneens een glimlach.

De burgemeester begon nu een goed ingestudeerde rede voor Raffles af te steken, waarin hij zijn vreugde te kennen gaf, den Vorst weer in zijn Residentiestad terug te zien.

Daarop begaf de hooge persoon zich naar de genoodigden en begon zich met hen te onderhouden over hun particuliere omstandigheden.

Daar hoorde hij veel, waarvan anders een Vorst weinig verneemt.

Vooral de vrouwen, die haar schroom voor den Vorst sneller overwonnen dan de mannen, begonnen over de moeilijke levensomstandigheden, de drukkende belastingen en de hooge prijzen van alle levensmiddelen te vertellen of wel zij klaagden hem vrijmoedig over het ongeluk, dat dezen of genen had getroffen.

Raffles, die door twee secretarissen was vergezeld, gaf dezen korte bevelen omtrent datgene, wat zij moesten noteeren.

Daarop begaf Raffles zich naar de roode zaal, waar lange tafels met gebak en vruchten waren gereedgezet.

Hij wachtte bij de hofdames en hooger geplaatste hovelingen en ook Charly Brand.

Naast zijn secretaris liep een mooie kleine blondine, waarover men aan het hof veel fluisterde, daar zij zich absoluut niet in de hofetikette kon schikken.

Het was de kleine barones Von Brenkenhaus.

Het hofgezelschap dacht te zullen sterven van schrik, toen zij zonder eenige plichtplegingen naar Raffles toetrad, hem de hand toestak en zei:

„Goeden dag, Uwe Hoogheid!

Dank, dat gij eindelijk weer terug zijt! Gij hebt mij indertijd verteld, dat het hier bij u zoo vroolijk en amusant was, maar ik moet u eerlijk bekennen, dat ik mij nog nooit in mijn leven zoo heb verveeld als hier.”

„O! Dat doet mij leed!” antwoordde Raffles. „Dat spijt mij inderdaad!” en de groote onbekende lachte hartelijk over de naïeveteit van het blondje.

Op zijn lachen volgde een donderende echo.

De gasten, die vol spanning naar hun Vorst keken, begonnen volgens het bevel van den hofmaarschalk eveneens luid te lachen.

Raffles keek verbaasd om zich heen.

„Nu, nu,” sprak hij tot den dichtbij hem staanden man. „Waarom lacht ge zoo?”

„Ja,” sprak deze, „dat weet ik zelf niet, maar mijnheer de hofmaarschalk heeft bevolen dat wij moesten lachen, als Uwe Hoogheid lacht, dus.…..”

„Dat is ongelooflijk,” mompelde de Vorst hoofdschuddend.

„Ga als ’t u belieft rustig zitten, drink thee en eet gebak.”

Onmiddellijk namen de uitgenoodigden plaats en weer waren het de vrouwen, die het eerst haar angst overwonnen en, nadat zij het kostbare porselein en zilver hadden bewonderd, van de thee en het gebak gebruikten.

„Staat uwe Hoogheid toe,” vroeg de kleine barones, „dat ik bij die menschen ga zitten en een beetje met hen praat?”

„Gaarne,” lachte Raffles, „doe dat, barones!”

„Een ware verkwikking,” fluisterde de barones, „dat zijn tenminste echte menschen! Weet gij, Uwe Hoogheid, gij kijkt werkelijk veel verstandiger dan ik had gedacht, gij bevalt mij!”

De gezichten der hooggeplaatste personen werden bleek als lijken.

Maar toen Raffles de barones antwoordde:

„Daarvoor krijgt gij een belooning van mij,” werden zij het er over eens, dat de vorst Engelsche manieren aan het hof wilde invoeren.

„Hij schijnt in het buitenland geheel en al Engelschman te zijn geworden!” fluisterde de eene Kamerheer den ander toe, „wat zullen wij nu doen?”

„Ja— — —ja— — —ja— — —,” klonk het antwoord: „Ik denk, dat de lui daar precies zoo zijn als de barones.”

„Nu”, sprak de vorst juist tot deze twee heeren, „wilt gij niet bij ons plaats nemen en een beetje aan het gesprek deelnemen?”

„Ja— — —ja— — —ja— — —” antwoordde de kamerheer, „ik was reeds van plan, met mijn collega bij de lui plaats te nemen en hun eenige anecdotes te vertellen.”

„Anecdotes?” vroeg Raffles. „Welke anecdotes kent gij dan wel?”

Het zou in vroegere dagen bepaald een misdaad [21]zijn geweest, de etikette op zulk een ruwe wijze te schenden, maar de Kamerheer wilde volgens voorbeeld der barones ook zonder veel omslag met den vorst spreken en op deze manier in de gunst komen.