„Vertel mij eens een anecdote, ik ben benieuwd, er een van u te hooren.”

„Gaarne, Uwe Hoogheid! Ik heb juist weer een nieuwe Mikosch-mop gehoord!”— — —

De hofmaarschalk meende een aanval van beroerte te krijgen en alle hofdames waren van plan, in zoutpilaren te veranderen.

Alleen een paar jonge officieren trokken met een verlegen glimlachje aan hun korte snorren en een van hen sprak tot zijn kameraden:

„Zeg, de tijden van koning Jerome schijnen hier te zijn teruggekeerd.”

„Uwe hoogheid,” begon de kamerheer en doodelijke stilte heerschte in de zaal, „baron Mikosch kwam onlangs op het station Friedrichstrasse in Berlijn en vroeg aan een kennis van hem: weet je geen nieuwe mop?—Jawel, antwoordde deze, ga maar eens met mij mee.

Hij bracht den baron naar de toilets in het sousterrain en wees hem de opschriften, die daar waren aangebracht.

Lees eens, wat daar staat, Mikosch!—Deze las: voor dames en heeren.—Zoo, sprak zijn vriend, kijk nu eens, met ons hoevelen zijn wij nu hier?

O, lachte Mikosch, ik weet het— — —ik weet het, zwijg maar.

Eenige maanden later, was de baron op een hofpartij bij Keizer Frans Joseph in Weenen.

Nu, baron Mikosch, sprak de Keizer lachend, wat voor een nieuwe anecdote hebt gij?—O, sprak deze, ik heb een bijzonder mooie. Daarop liet hij 4 hofdames en 4 generaals voor den Keizer plaats nemen en vroeg: Uwe Majesteit, wat is dat?

Maar noch de Keizer, noch het overige gezelschap kon de mop raden.

O, lachte Mikosch, ik heb het ook niet geweten, wat het was. Dat zijn de toilets op het station Friedrichstrasse in Berlijn.—”

Sprakelooze verbazing had zich van alle hovelingen meester gemaakt en nog grooter werd hun ontzetting, toen zij zagen, dat Raffles zich blijkbaar amuseerde en om de aardigheid lachte.

Onmiddellijk lachten zijn gasten mee.

Nu begonnen de aanwezigen onder elkaar te fluisteren en men voelde zich meer en meer op zijn gemak.

Ja, de vorst nam zelfs aan tafel plaats en begon een sigaret te rooken.

„Rookt gij ook?” vroeg hij zijn gasten en hij gaf een teeken, sigaren en sigaretten aan te bieden.

Weldra zag de zaal eruit als een tabaksfuif van Friedrich Wilhelm I en toen slotenmaker Ernst in groote openhartigheid tot den vorst sprak:

„Ik begrijp niet, Uwe Hoogheid, dat gij thee lekker vindt en niet meer houdt van een goed glas Münchener”, gaf Raffles bevel, bier te laten serveeren en nu werd het pas recht gezellig.

Toen Raffles des avonds met zijn hofmaarschalk door de vertrekken liep, waagde deze het te zeggen:

„Ik veronderstel, Uwe Hoogheid, dat de uitnoodigingen van hedenavond niets anders dan een scherts zijn geweest?”

„Ik denk er niet aan!” lachte de vorst, „maar gij moet mij morgen honderd andere gasten uitnoodigen en zoo steeds verder, totdat ik andere bevelen geef.

Ik wensch, dat mijn burgers vroolijke, aangename uren bij hun vorst zullen doorbrengen.”

De hofmaarschalk wist niet, wat hij zou antwoorden.

Raffles echter zat nog in den nacht met Charly Brand samen en amuseerde zich kostelijk over het verbaasde hofgezelschap, en het denkbeeld, den eenvoudigen burgers van Plessenheim een genoegen te hebben bereid.

De vorstin van Plessenheim was, verontwaardigd over de nieuwste zotheden van haar heer gemaal, afgereisd en had haar toevlucht gezocht in een modebadplaats aan de Riviera.

Die omstandigheid droeg er veel toe bij, dat Raffles ongestoord zijn baantje als plaatsvervanger van den vorst kon waarnemen.

„Een groot geluk”, sprak hij tot Charly Brand, „dat de vorstin is opgerukt en dat zij van den aanvang af met haar echtgenoot op gespannen voet heeft geleefd.”

„Ja”, lachte Charly, „zeer zeker is het dat!”— — — — — — — — — — — — — — — —

Terwijl Baxter in Plessenheim was, amuseerde de werkelijke vorst van Plessenheim zich met zijn geliefde in Egypte en hij rilde als hij eraan dacht, dat hij op een goeden dag zijn huwelijksreis zou moeten afbreken om weer als vorst zijn leven te moeten dwingen in de perken der hofetikette.

Hij vermoedde niet, welke verrassingen hem thuis wachtten. [22]

Geheel Plessenheim verkeerde in een roes van vreugde en vermaken.

Slechts een enkele nam daaraan geen deel.

Dat was de inspecteur van politie Baxter.

Hij had zijn intrek genomen in hotel „Zum goldenen Löwen”, het beste hotel van Plessenheim.

Tevergeefs had hij tot dusverre gehoopt, den vorst te zien.

Het was, als had de vorst zijn vroegere levenswijze totaal veranderd en uit het vorstendom Plessenheim een ideaal land geschapen.

Belastingen, welke de burgers tot dusverre hadden gedrukt, werden afgeschaft, onvriendelijke ambtenaren, hardvochtige rechters, etc. uit hun dienst ontslagen, en elken dag konden honderd personen zonder bijzondere uitnoodiging des avonds in het paleis komen om zich daar met den vorst te onderhouden.

Nimmer nog had zich een vorst zoo om de persoonlijke belangen zijner onderdanen bekommerd, zooals deze vorst van Plessenheim en de toestanden, welke op deze wijze in het vorstendom ontstonden, wekten in de geheele wereld opzien en werden in de couranten besproken.

Raffles was nu als vorst van Plessenheim bijna drie weken aan de regeering, toen het oogenblik naderde, waarop de keizer van Siam, Kai Rusz, zijn officieel bezoek wilde brengen.

Tot dit doel kwam de hofmaarschalk van Zijne Majesteit ter bespreking naar Plessenheim.

Deze durfde zijn oogen niet gelooven, toen hij zag, op welke wijze de vorst van Plessenheim met zijn onderdanen omging.

Toen hij des avonds zag, dat de burgers in het slot samenkwamen, schudde hij herhaaldelijk het hoofd en kreeg de stellige overtuiging, dat de keizer geen bezoek zou willen brengen aan een op zoo revolutionnaire wijze bestuurd vorstendom.

Hij kende de hofdames en heeren van vroegere bezoeken en verbaasde zich er over, dat deze zoo geheel veranderd waren.

Zelfs de hofmaarschalk was een natuurlijk mensch geworden.

„Ha, ha, ha,” lachte deze tegen den Siameeschen hofmaarschalk, „ik verzeker u, mijn waarde, dat het een genot is, hier te leven.

Vroeger—ja, vroeger, toen moest men comedie spelen en elkaar naar de oogen kijken. Tegenwoordig is dat niet meer noodig! Men kan zich nu geven, zooals men is!

De vorst heeft bevolen, dat wij ons als menschen en niet als apen moeten gedragen.

En degenen van ons, die niet mensch konden worden—wel, die zijn gevlogen! Ha, ha, ha!”

„Ja—maar—ziet gij, ik moet Zijne Majesteit bericht brengen omtrent dit hof.

Het is toch onmogelijk, dat ik dit alles.… deze eigenaardige voorvallen.… die aan den tijd der Fransche Revolutie herinneren.… dat ik dit alles voor den Keizer verzwijg!—ik houd het voor onmogelijk, dat mijn groote Heer dit vorstendom bezoekt.”

„Ja, ziet gij”, antwoordde de hofmaarschalk, „vroeger, ja, toen had ik al mijn tien vingers afgelikt, als de Keizer van Siam naar hier kwam.—Maar nu!—Wel, voor den duivel, het is ons precies hetzelfde, of uw Keizer hier komt of niet!”

De hofmaarschalk zonk bijna in den bodem over dit antwoord.

Op dit oogenblik klopte de kleine barones Von Brenkenhaus den hofmaarschalk op den schouder en sprak:

„Nu, gij Siameesche tweeling, hebt gij hier nu genoeg rondgesnuffeld? Of wilt gij misschien nog, voordat gij vertrekt, informeeren, of het waschwater heet goed genoeg is voor uw heer en volkomen vrij van bacillen?

Ik verzeker u, hofmaarschalkje, de Keizer zal zich hier kostelijk amuseeren. En hij kan bovendien nog leeren, wat het is, mensch te zijn.”

„Dank u, dank u!” weerde de hofmaarschalk af, „wij zijn dat in Bankong niet gewend!”

„Jammer voor u, Achter-Indiërs!” sprak de kleine barones.

Zonder met den vorst van Plessenheim persoonlijk te hebben gesproken, verliet de hofmaarschalk het slot en begaf zich, daar hij pas den volgenden dag kon vertrekken, naar het hotel „Zum goldenen Löwen”, waar de bekende politie-inspecteur Baxter woonde.

Aan het souper begroetten zij elkaar vriendelijk, daar zij elkaar kenden van de laatste reis van den Keizer van Siam.

„Wat doet gij hier, mijn waarde heer inspecteur?” vroeg de hofmaarschalk nieuwsgierig.

„Ja”, antwoordde Baxter, „dat is een eigenaardige geschiedenis. Of ik ben een groote domkop, of ik ben het niet, maar in elk geval is de andere geslepener dan ik!

Het helpt mij niets, al ben ik nog zoo intelligent!”

„Zal ik u eens wat zeggen”, sprak de hofmaarschalk, [23]terwijl hij aan tafel naast den Engelschen inspecteur van politie plaats nam, „hier in Plessenheim gaat het raar toe, precies alsof de vorst plotseling krankzinnig was geworden.”

„Ja”, knikte Baxter, „het is een eigenaardige geschiedenis. Ik zou durven wedden, dat de zoogenaamde vorst van Plessenheim niet de vorst zelf is, maar een veelgezochte avonturier en bedrieger uit Engeland, die zich hier op een mij onverklaarbare wijze kostelijk amuseert!”

„Zoo?” vroeg de hofmaarschalk. „Gaat nu uw phantasie niet wat te ver?”

„Wel, zeg eens, hebt gij tot dusverre in de wereldgeschiedenis van een dergelijk voorbeeld gehoord, dat een vorst op zulk een wijze met zijn onderdanen omgaat?” riep de inspecteur.

„Neen, inderdaad niet, daarin hebt gij gelijk!” antwoordde de hofmaarschalk. „Maar wacht eens, ik geloof het toch!”

„Zoo?” vroeg Baxter, den peinzenden hofmaarschalk aankijkend.

„Ik meen gelezen te hebben”, begon de hofmaarschalk, „dat Frederik de Groote op zeer burgerlijke manier met zijn onderdanen omging en ook—wacht—wacht eens—wij hebben in Rusland een der grootste monarchen gehad, die ooit hebben geleefd—Peter de Groote—ja, en die deed precies zooals deze vorst in Plessenheim.

Boeren werden plotseling hertogen en vorsten, gewone vrouwen hofdames, staljongens werden minister en eenvoudige schippers commandeerende admiraals en dergelijke dingen meer!

Ja!— — —Zeer zeker— — —merkwaardig!— —Ik had dat vergeten en andere vorstengeslachten in Rusland uit den tegenwoordigen tijd zijn nakomelingen van die eenvoudige lieden!—drommels—merkwaardig—men vergeet dat weer! Het is mogelijk, dat deze vorst van Plessenheim de voetstappen van Peter den Groote wil drukken.

Maar in den tegenwoordigen tijd is dat immers onmogelijk!

Dat zou revolutionnair zijn!”

Inspecteur Baxter zat ernstig na te denken.

Voor zijn geestesoog dook de gestalte op van Peter den Groote en, daar hij niet volkomen thuis was in de geschiedenis van Rusland, zag hij hem voor zich als de scheepsbouwer uit „Czar und Zimmermann.

„Duivels, ja!” vloekte hij zacht voor zich heen, „ik moet mijn tijd hier voor niets verzuimen, want wat Peter de Groote heeft gedaan, is veel vreemder en verbazingwekkender geweest dan datgene, wat deze vorst van Plessenheim heeft ondernomen, dien ik echter toch voor John C. Raffles houd.”— — —

Het was den volgenden middag, toen Baxter door de hoofdstraat van Plessenheim liep en overlegde, of hij met den middagtrein via Nederland naar Londen terug zou keeren.

Plotseling hield voor een winkel een rijtuig stil en Baxter zag den vorst van Plessenheim, alias Raffles, met Charly Brand uitstappen.

Beide heeren droegen eenvoudig civiel en daardoor zag Baxter duidelijk, dat hij hier werkelijk te doen had met den zoo veelvuldig gezochten John C. Raffles en diens vriend Charly Brand.

Hier was geen twijfel meer mogelijk.

Baxter kende het hoonende glimlachje, waarmee hij Raffles in Londen steeds had gezien.

Hij kende het te goed, om het ooit in zijn leven weer te kunnen vergeten.

De zoogenaamde vorst van Plessenheim bleef, toen hij Baxter zag, een oogenblik staan, klemde zijn monocle vast en lachte tegen Baxter met de gelaatsuitdrukking, die deze maar al te goed kende.

De inspecteur van politie werd beurtelings heet en koud.

Tevergeefs trachtte hij zich een houding te geven.

Terwijl hij nog voor zich uitstaarde, waren Raffles en Charly Brand in den winkel verdwenen, waar zij eenige inkoopen te doen hadden.

Baxter stond buiten voor het étalage-venster, telde de knoopen van zijn vest en mompelde:

„Het is Raffles—het is de vorst van Plessenheim—het is Raffles—het is de vorst van Plessenheim.—

En de laatste knoop zei: „Het is Raffles!”

Toen Raffles den winkel verliet, trad Baxter op hem toe, legde hem de hand op den schouder en sprak:

„Leg uw masker af, John C. Raffles! Ik verklaar u voor gevangen!”

Raffles keek hem eenige seconden in de oogen:

„Ik bewonder uw moed, inspecteur!” antwoordde hij op kalmen toon. „Ik had werkelijk niet geloofd, dat gij zooveel courage hebt—maar ik kan u nog altijd niet het genoegen doen, mij door u te laten arresteeren!

Ik heb mij vast voorgenomen, mij noch in dit leven, noch na mijn dood door u gevangen te laten nemen.

Ik wensch hiernamaals beter gezelschap te krijgen en denk, dat het heel vermakelijk moet zijn, als uw geest [24]de drijfjacht voortzet op den mijne na onzen dood.”

„Maak geen drukte, Mr. Raffles”, sprak Baxter, „en volg mij naar het station. Ik ben van plan, u onmiddellijk over te brengen!”

De vorst lachte luidkeels, zoo luid, dat de nieuwsgierige voorbijgangers, die met ontbloot hoofd eerbiedig op eenigen afstand stonden, moesten meelachen.

„Neem uw handen weg”, beval hij den inspecteur nu.

„Ik laat u nooit weer los!” antwoordde deze; „nogmaals: ik verklaar u voor gevangen! Volg mij!”

Nu gaf Raffles, zonder dat Baxter het zag, den geheimen politie-agent, die vlak bij hem stond, een wenk en sprak:

„Bevrijd mij van dien man! Hij schijnt krankzinnig te zijn! Hij vervolgt mij reeds langen tijd!”

Bliksemsnel wierpen zich twee geheime agenten van politie op Baxter, bonden hem de armen op den rug en hielden hem stevig vast.

De vorst had met Charly Brand in het rijtuig plaats genomen; hij boog zich uit het portier en riep den agenten toe:

„Zet dien man onmiddellijk over de grenzen. Mocht hij nog bagage hier hebben, geef hem die dan mee!”

En zoo geschiedde het, dat Baxter onder geleide van twee politie-agenten in zijn hotel terugkeerde.

Daar gaf men hem gelegenheid, zijn handkoffer te pakken en juist toen hij wilde vertrekken, kwam er een telegram voor hem van Scotland Yard:

„Kom onmiddellijk hierheen. John C. Raffles bevindt zich sinds gisteren in Hotel Cecilia.

MARHOLM.”

„Goddam! vloekte Baxter, „de duivel moge mij halen!”

Daarop wendde hij zich tot de beambten van politie, die in zijn kamer zaten om hem naar het station te brengen:

„Ik neem alles weer terug, wat ik tegen den vorst heb gezegd. Hij is niet de persoon, dien ik zoek. Ik beken, dat er hier een persoonsverwisseling bestaat. Mijn man bevindt zich in Londen.”

De beambten antwoordden niets, maar begeleidden hem naar het station.

Toen Baxter daar in den trein zat, scheurde hij vol woede den ondersten knoop van zijn vest af, wierp hem uit het venster en riep:

„Daar heb je je belooning voor je leugentaal, jij ellendeling!”

De knoop echter was blij, van Baxters vest bevrijd te zijn.— — — — — — — — — — — —

Raffles bevond zich in zijn studeerkamer in het paleis en sprak tot Charly Brand:

„Ik kreeg zooeven een brief van onzen vriend Plessenheim uit Londen. Hij schrijft, dat hij naar huis terug wil komen en hij verzoekt mij, onder eenig voorwendsel op reis te gaan en met hem in Londen samen te komen.

Daar zou ik hem dan verslag kunnen uitbrengen. Dan zou hij naar zijn residentie terugkeeren en het bewind weer in handen nemen.”

„Nu”, sprak Charly Brand, „de vorst zal opkijken, als hij terugkomt. Jij hebt hier den heelen boel op stelten gezet en ik zou er graag eens getuige van willen zijn om te zien, hoe de vorst hier wordt ontvangen!

De eenige man, die gebleven is zooals hij was, is de bankier Stern. Die man is inderdaad een prachtkerel!

Het meest sympathieke van hem heb ik het feit gevonden, dat hij steeds genoegen nam met alle schenkingen voor liefdadige doeleinden, die je gedaan hebt uit het vermogen van den vorst. Steeds verzekerde hij, dat het hem zooveel genoegen deed, dat het opgestapelde geld eindelijk eens voor verstandige doeleinden werd gebruikt!”— — — —

Vier-en-twintig uur later nadat Baxter was vertrokken, heette het dat de vorst van Plessenheim met zijn vriend Charly Brand voor eenigen tijd naar Berlijn reisde.

Inderdaad echter was het John Raffles, die de hoofdstad van het vorstendom verliet, om weer plaats te maken voor den werkelijken vorst.

„Deze geschiedenis is van veel belang geweest voor mij zelf en voor de goede onderdanen!” sprak Raffles in de coupé tot Charly Brand. „Ik heb de menschen, die hier wonen, weer tot normale menschen gemaakt!

Nu zullen wij zien, hoe mijn opvolger en voorganger, de vorst, zich tegenover zijn onderdanen zal gedragen!”

„Het beste van de heele historie is, dat men jou eindelijk eens een standbeeld heeft opgericht”, sprak Charly Brand.

Raffles stak een sigaret aan en lachte zachtjes.

Daarop sprak hij:

„Je ziet, mijn beste Charly, dat het geen moeite kost, om een standbeeld te krijgen van de menschen.

Mijn standbeeld hier echter heb ik eerlijk verdiend!”

„Ja, dat heb je!” antwoordde Charly Brand, „als je nog langer hadt geregeerd, dan had het volk je minstens „den groote” genoemd.”

Zoodra inspecteur Baxter in Londen was aangekomen, [25]haastte hij zich per rijtuig naar Scotland Yard, zonder zich een oogenblik rust te gunnen.

Het was kort voordat het bureau gesloten werd en de Vloo wilde juist met een zucht van verlichting zijn schrijftafel verlaten, toen zijn hooge chef, de inspecteur, het bureau binnenstormde.

„Is Raffles nog in Londen?” was in plaats van een groet de eerste vraag, welke bij tot de Vloo richtte.

Marholm echter was niet zoo haastig en, terwijl hij den inspecteur gemoedelijk de hand toestak, sprak hij:

„Goeden avond, inspecteur!”

„Ik heb maling aan jouw goeden avond!” antwoordde deze, „ik wil weten, of Raffles nog in Londen is. Daarvoor ben ik regelrecht van het station naar het bureau gekomen, zonder mijzelf een oogenblik slaap te gunnen!”

De Vloo lurkte aan zijn tabakspijp en antwoordde:

„Hm, of Raffles nog in Londen is, weet ik niet!”

„Wat?!” schreeuwde Baxter. „Is hij misschien niet meer hier? En daarom kom ik als een krankzinnige hierheen gesneld en dat alleen, omdat gij hebt geseind, dat hij nog hier is?

Ik herhaal je, Marholm, je brengt mij nog tot wanhoop!

Als hij ons nu weer ontsnapt, dan is het dezen keer uw schuld en gij alleen draagt de verantwoording!”

De Vloo zoog behaaglijk aan zijn tabakspijp, blies dikke rookwolken voor zich uit en scheen zich niets aan te trekken van de opgewondenheid van zijn superieur.

„Hedenmiddag”, zoo begon hij, „was Raffles nog in Londen. Ik zelf zag hem in zijn hotel doodkalm met een dame zitten dineeren!”

„Wat?!” riep Baxter uit, „die kerel waagt het, in het publiek in een hotel te dineeren en dat nog wel met een dame? Deze brutaliteit overtreft alles!”

„Dat vind ik niet!” antwoordde de Vloo, „Raffles beweegt zich graag in het publiek, ondanks onze aanwezigheid.

Tot dusverre, inspecteur, hebben wij hem, hoewel hij zich in het openbaar beweegt, nog niet te pakken kunnen krijgen!”

„Waarom hebt gij hem niet gearresteerd? Als mijn plaatsvervanger hadt gij dat moeten doen!”

„Ik zal wel oppassen” lachte de Vloo, „de schande om John C. Raffles te willen arresteeren en hem niet te kunnen krijgen, laat ik liever aan anderen over!

Ik heb nu eenmaal geen vertrouwen in onze zaak, wat betreft den Grooten Onbekende, naar wien ik heden mijn hand slechts behoefde uit te steken, maar een inwendige stem waarschuwde mij om niet zoo roekeloos te zijn!

Want als men John C. Raffles heeft, heeft men hem nog lang niet! Dat is juist het meesterlijke van hem!”

„Beveel onmiddellijk alle detectives om ons bij te staan en laat hen in de voorkamer aantreden!

De duivel zelf zou in het spel moeten zijn,—als John C. Raffles ten minste nog in het hotel is,—dat wij hem dezen keer niet zouden krijgen!”— —

Een half uur later betrad inspecteur Baxter de vestibule van het hotel en informeerde daar, nadat hij een nauwkeurige beschrijving van John Raffles had gegeven, of een dergelijk persoon tijdelijk hier in het hotel woonde met een dame.

De kellner, die den inspecteur kende, gaf hem na eenig nadenken de gewenschte inlichtingen en sprak:

„Jawel, een heer, zooals gij hebt beschreven, woont als mijnheer Otto Muller met zijn vrouw in de kamers der eerste étage, hij bewoont daar zelfs de zoogenaamde vorstelijke vertrekken.”

„Juist iets voor hem!” mompelde Baxter, „iemand zooals ik ben, is blij, als hij een eenvoudige kamer kan betalen, en deze schurk huurt de vorstelijke vertrekken op de eerste étage. Maar dat komt, omdat hij van het geld van anderen leeft.”

De kellner, die deze alleenspraak had gehoord, sprak:

„Ik verzoek u, mijnheer de inspecteur, als die persoon werkelijk een bedrieger is, de arrestatie zonder veel opzien te baren te willen doen plaats hebben met het oog op onze andere gasten.”

„Wees onbezorgd”, sprak de inspecteur, „ik zal u geen onaangenaamheden bezorgen. Is de heer Otto Muller aanwezig?”

„Neen”, antwoordde de kellner, nadat hij even bij den portier had geïnformeerd. „Mijnheer en mevrouw zijn een half uur geleden naar den schouwburg gegaan. Voor middernacht zullen zij niet terugkomen.”

Er bleef Baxter niets anders over dan niet zijn beambten in de conversatiezaal van het hotel te wachten.

Het was over éénen, toen Otto Muller met zijn dame in het hotel terugkeerde.

Men liet hem ongestoord naar zijn kamers gaan en—juist op het oogenblik toen hij zijn dame den kostbaren theatermantel afnam en haar in den nek kuste—werd de deur geopend en Baxter, gevolgd door de Vloo en een massa detectives, snelden de kamer binnen, pakten [26]hem beet, wierpen hem op den vloer en legden hem boeien aan.

„Goddank!” riep Baxter, „eindelijk heb ik u! De kruik gaat zoolang te water tot zij breekt en dezen keer ontsnapt gij mij niet meer!”

„Om ’s hemels wil”, riep de dame uit, „wat doet gij? Wie zijt gij en wat wilt gij?”

„Dat zult gij meteen wel zien, mijn lieve dame!” antwoordde Baxter, die vermoedde, dat zij niet veel bijzonders was.

„Gij kunt uw vriend naar het hoofdbureau van politie volgen en zijt voor ons ook een goede vangst.”

Nu had de vorst van Plessenheim zijn bezinning teruggekregen. Ondanks de boeien van het zwaarste kaliber, zooals men die alleen gebruikt voor gevaarlijke misdadigers, wierp hij een blik vol verontwaardiging naar Baxter en riep:

„Zeg eens, gij idioot, wie zijt gij eigenlijk en wat valt u in om mij op deze brutale wijze te beleedigen?”

„Wat?” schreeuwde Baxter, „durft gij mij een idioot te noemen? Gij hebt mij lange jaren genoeg voor den gek gehouden, maar nu is daaraan een einde gekomen!”

„Ik vraag u”, riep de vorst woedend uit, „wie gij zijt? Deze grap zal u duur te staan komen!”

„Nu wil de kerel nog weten, wie ik ben. Hij kent mij zeer goed.

Mijn lieve vriend, wij behoeven geen comedie voor elkaar te spelen. Al het verdere zult gij op Scotland Yard vernemen, Mr. John C. Raffles!”

Op dit oogenblik kwam de directeur van het hotel binnen, om Baxter te verzoeken, het hotel te verlaten, daar het lawaai reeds de aandacht der andere gasten had getrokken.

„Mijnheer de directeur”, riep de vorst, „zeg mij als ’t u belieft, wat deze lieden willen. Ik heb het gevoel alsof ik onder een bende krankzinnigen ben terecht gekomen.”

„No, Sir”, antwoordde de directeur, „dat is niet het geval, maar dit is inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard met zijn beambten.”

„Ik dank u”, antwoordde de vorst.

„Spaar uw woorden toch!” riep Baxter den directeur toe, „die man houdt u voor den gek. Hij weet best, wie ik ben.”

„En deel mij nu mede”, vervolgde de vorst, „waarom gij mij behandelt als een gevaarlijk misdadiger.

Misschien omdat ik tijdelijk hier woon? Ik denk toch, dat in Engeland iedereen zich mag noemen zooals hij wil.”

„Aha!” riep Baxter, „hij bekent al, dat hij onder een aangenomen naam leeft!”

„Ik heb niets te bekennen!” klonk het antwoord. „Mijn naam gaat u niets aan!

Maar deze behandeling tegen mijn persoon zal voor u de onaangenaamste gevolgen hebben.

Opdat gij weet, met wien gij te doen hebt, zeg ik u:

Ik ben de vorst van Plessenheim!

De inspecteur van politie barstte in een luiden schaterlach uit.

„Dat is een prachtige mop, die gij daar vertelt, maar men mag mij morgen ophangen, als gij de vorst van Plessenheim zijt!

Vooruit, mannen! Pakt hem beet en brengt hem naar Scotland Yard en neemt zijn liefje maar meteen mee!”

Geen woorden of bedreigingen hielpen den vorst en op wreede wijze kwam er een eind aan zijn huwelijksreis.

Al zijn papieren had hij ter beschikking gesteld van Raffles; hij wist werkelijk niet, hoe hij zich uit dezen toestand zou redden.

Den volgenden morgen verkondigden de kranten met vette letters het volgende nieuws:

John C. Raffles eindelijk gepakt!

John C. Raffles in een hotel onder den naam Muller gearresteerd!

Zijn geliefde, een vroegere actrice, eveneens gevangen genomen!

Baxter was de held van den dag. De gezamenlijke detectives van Scotland Yard brachten hun chef als bewijs hunner vereering een lauwerkrans en Baxter was in den zevenden hemel.

Het was tegen den avond van den volgenden dag, toen John C. Raffles den Engelschen bodem betrad en de eerste couranten kocht aan de haven.

„Vervloekt?” sprak hij tot Charly Brand, toen zij in de coupé zaten, „het was hoog tijd, dat ik in Londen terug kwam.

Hier lees ik in de krant, dat men den vorst Von Plessenheim in plaats van mijne persoon gevangen heeft genomen. Dat kan Baxter duur te staan komen.”

Nauwelijks was hij in Londen aangekomen of hij spoedde zich naar het dichtstbijgelegen telegraafkantoor en verzond het volgende telegram aan den hofmaarschalk:

„Ik ben naar Londen gereisd en hier ten gevolge [27]van een persoonsverwisseling in hechtenis genomen.

Neem onmiddellijk per telegraaf maatregelen via Duitschen gezant en beklaag u bij de Engelsche regeering. Ik verlang algeheele satisfactie. Om het u gemakkelijker te maken, deel ik u mede, dat ik incognito in het hotel woonde onder den naam van Otto Muller.

Laat geen minuut verloren gaan, treed onmiddellijk handelend op.

Ik laat dit telegram door mijn reisgezel afgeven.

VON PLESSENHEIM.”

„Ziezoo,” sprak Raffles, „als Baxter zich er ooit leelijk heeft ingedraaid, dan is het zeker dezen keer.”

Den volgenden morgen nam Baxter zijn gevangene het eerste verhoor af.

Een geheele rij van de voornaamste juristen uit Engeland, rechters en advocaten, waren hiervoor samengekomen en zelfs de Lord-mayor was uit nieuwsgierigheid verschenen.

Om van zijn triomf ten volle te genieten, had Baxter zelfs den gehaten journalisten toegang verstrekt.

Vol belangstelling keken alle aanwezigen naar den gevangene, die bewaakt werd door zes tot de tanden gewapende agenten van politie en verwonderden zich over de trotsche, zelfbewuste houding, welke hij bleef aannemen.

„Het is jammer van den kerel,” fluisterden de journalisten tegen elkaar. „Hij ziet er uit als een geboren vorst.”

Met een verachtelijk glimlachje luisterde beklaagde naar de eindelooze acte van beschuldiging, welke Baxter voorlas.

Bijna twee uur lang duurde dit en aan het slot vroeg Baxter:

„Bekent gij, de u ten laste gelegde misdaden, te hebben gepleegd?”

„Gij zijt stapelgek!” antwoordde de gevangene. „Gij zijt zóó volslagen krankzinnig, dat ik voor u een speciale cel in mijn krankzinnigengesticht zou laten bouwen, als ik u in mijn residentie had.”

Baxters gelaat werd purperrood, terwijl de vloo zich op de lippen beet en de journalisten elkaar glimlachend aanstieten.

„Een ongehoorde brutaliteit,” mompelden echter de juristen en Baxter sprak:

„Jammer, dat bij ons de lijfstraffen zijn afgeschaft, anders zou ik deze beleediging van mijn persoon weten te wreken.”

„Prettig, als gij mij eens komt bezoeken!” lachte de vorst.

„Zwijg!” schreeuwde Baxter. „Mij kunt gij niet bedriegen! Ik kom regelrecht uit uw vorstendom.

Ik heb een paar dagen geleden nog met den vorst van Plessenheim gesproken.”

„Dat kan wel zijn,” antwoordde de gevangene, terwijl een lachje om zijn lippen speelde.

„Maar wat gij vertelt, komt toch niet uit!”

„Wij zullen daar niet over twisten,” riep Baxter, „bekent gij nu eindelijk, dat gij John C. Raffles zijt?”

„Ik herhaal u nog eenmaal,” antwoordde de vorst, „dat gij stapelgek zijt! Ik ken uw John C. Raffles alleen uit de kranten en wil u en al dezen heeren gaarne bekennen, dat ik mij dikwijls kostelijk om hem heb geamuseerd.”

„Gij bekent dus niet,” riep Baxter tandeknarsend van woede terwijl de aderen op zijn voorhoofd als koorden waren opgezwollen.

De vorst antwoordde met een schouderophalen en keek hem vol minachting aan.

Allright!” riep Baxter uit. „Dan lever ik u over aan den rechter? Breng den gevangene weg!”

Op dit oogenblik werd een deur der zaal geopend en verschillende hooggeplaatste Engelsche ambtenaren en een vertegenwoordiger van het Duitsche gezantschap snelden binnen.

Nauwelijks hadden de binnenkomende heeren den gevangene gezien of zij liepen haastig naar hem toe, maakten diepe buigingen en een der Engelschen, Lord Ruston, adjudant van den koning, beval op scherpen toon den verbluften politie-agenten:

„Neemt onmiddellijk Zijne Hoogheid de boeien af!”

Daarop wendde hij zich tot Baxter, die er als een steenen beeld bijstond en bulderde hem toe:

„Mijnheer, gij zijt de grootste idioot en lomperd, die er ooit in Engeland heeft geleefd. Zijt gij krankzinnig of dronken?

Om een vorst hier in een dergelijken toestand te brengen!”

Baxter deinsde bij die woorden achteruit, alsof een granaatvuur tegen hem geopend was.

Met beide handen steunde hij zich op de schrijftafel en stamelde:

„Uwe Lordschap—Uwe Lordschap—ik begrijp niet—ik begrijp niet—ik begrijp niet—” [28]

„Gij hebt gelijk,” vervolgde Lord Ruston, „gij begrijpt inderdaad niet.

Gij verstaat het alleen, om de grootste verwarringen in het leven te roepen. Gij hebt ons een potje gekookt, waaraan wij allen onze vingers en lippen weleens leelijk kunnen branden. Maar de duivel hale u! Ik zal ervoor zorgen, dat gij een voorbeeldige straf krijgt!

Het zou het beste voor u zijn, dat gij om uw zenuwen weer te kalmeeren, naar een koudwater-inrichting gingt.

Iedere dokter in Engeland en ieder van ons zal gaarne constateeren, dat gij krankzinnig zijt!”

Baxter, voor wien de geheele kamer in het rond draaide, staarde Lord Ruston aan en stotterde:

„Ja, uw Lordschap, ik geloof werkelijk, dat ik krankzinnig ben!”

„Goed, dat gij het inziet!”

Daarop wendde de Lord zich tot den vorst, die nu ontdaan was van de boeien en begon, in naam der Engelsche regeering, de eene verontschuldiging na de andere te uiten.

De vorst, die zijn goed humeur reeds had teruggekregen, stelde den Lord gerust en noodigde hem en alle aanwezige grootwaardigheidsbekleeders uit voor een diner in zijn hotel.

Eenige minuten later waren Baxter en Marholm alleen gebleven.

De inspecteur had het hoofd in de handen geleund en staarde als een waanzinnige naar den grooten lauwerkrans boven zijn schrijftafel, waarop met gouden letters gedrukt stond:

Aan den nieuwen Sherlock Holmes,
den besten detective der 20 eeuw
Hun hooggeëerden inspecteur
JAMES BAXTER.
De beambten van Scotland Yard.
Herinnering aan de arrestatie van John C. Raffles
op 2 September 1909.

De vloo las eveneens dit opschrift, klopte den inspecteur op den schouder en sprak:

„De 2e September is uw Sedan geworden. Gij zijt de tweede Napoleon III en wel de Engelsche politie-Napoleon.”

Terzelfder tijd boden reeds de krantenjongens in Londen een extra-sensatienummer te koop aan en in Scotland Yard zat nog steeds Baxter naar den lauwerkrans te staren. Hij wist niet, wat hij moest doen.

Plotseling sprong hij op, greep Marholm met beide vuisten beet en schreeuwde:

„Gij zijt een gemeene hond! Wurgen zou ik u wel willen voor deze schandelijke daad!”

„Om ’s hemels wil,” sprak de vloo en snakte naar adem, „wordt geen moordenaar ook nog!”

Baxter beschikte in zijn woede over reuzenkrachten en hij zou inderdaad de arme vloo misschien om het leven hebben gebracht, als op dit oogenblik de deur niet was geopend.

Baxter staarde naar de deur en stamelde:

„Wat wenscht gij, uwe Hoogheid?”

„Ik ben nog even teruggekomen,” antwoordde de binnentredende, „om met u een paar woorden in vertrouwen te spreken:

Ik zie in, dat gij u in deze zaak ondanks alles correct hebt gedragen en kom derhalve terug om u te verzekeren dat ik u volkomen vertrouw en u deze orde te overhandigen voor uw plichtsbetrachting.”

Baxter staarde, alsof het een hemelwonder was, haar het met briljanten bezette gouden kruis van het vorstendom Plessenheim.

Tevergeefs snakte hij naar lucht, om zijn dank te kunnen uitspreken.

Nog voordat hij een woord had kunnen zeggen, was de bezoeker als een spook verdwenen en de vloo sprak:

„Ik geloof niet, dat zooiets al ooit is voorgekomen.”

Beneden voor de deur stapte John Raffles met Charly Brand in een rijtuig en terwijl dit heenrolde, sprak Lord Lister tot zijn vriend:

„Zoo, mijn beste jongen, nu heb ik voor den laatsten keer voor den vorst Von Plessenheim gespeeld en een pleister gelegd op de wond van Baxter in den vorm van een orde.”

De vloo had het etui, dat op de schrijftafel lag, geopend.

Baxter, die nog steeds naar de orde in zijn hand staarde, werd plotseling door een luiden uitroep van Marholm in zijn verrukking gestoord.

„Alle duivels,” riep de vloo, „gij zijt niet meer alleen krankzinnig, ik ben het ook!”

„Waarom?” vroeg Baxter.

„Daarom!” antwoordde de vloo, hem een kaartje voor den neus houdend.

„Ziet gij, dit vond ik in het etui van de orde.

Hier staat geschreven: [29]

„Mijn lieve Baxter!

Voor trouwe diensten overhandig ik u hierbij mijn ridderorde en blijf ik uw zeer toegenegen

VORST V. PLESSENHEIM.”

En daar”—de vloo keerde het kaartje om—„daar staat geschreven:

„Groeten van John C. Raffles”.

Dat is het allerdolste wat ik ooit heb beleefd! Daar begrijp ik niets van!”

„Ik ook niet!” zuchtte Baxter, „maar ik heb er een orde bij gekregen!” [30]