1 Inleiding No. 7. 

2 B.v. die der meetkundige figuren. 

3 Afleiding als in de meetkunde; ontleding naar geslacht soort en het enkele, als in Plato’s Sophista en Politicus. 

4 Bij de behandeling der getallen gaat men uit van de eenheid, het gescheidene; bij de vlakken van de lijn, het samenhangende. 

5 Inl. No. 6. 

6 Inl. No. 9. 

7 Naar ’t Grieksche idioom ἤ τις ἢ οὐδείς („bijna niemand”) vertaal ik zoo hier ἤτοι οὐθέν ἐστιν ἢ ὕστερον

8 „Evenzoo ook bij de andere (vermogens)” zegt A. uitvoeriger, hier en elders. 

9 Bewijs (ἀπόδειξις) gaat uit van het begrip en brengt het tot stand (Zeller die Phil. der Gr. II 2 p. 233 3e dr.). 

10 Het rechte op zichzelf komt niet voor; als ’t raken zal, moet het voorkomen d.i. aan een lichaam verschijnen. De dan mogelijke verhouding van het belichaamde rechte tegenover den koperen bol, is als raakverhouding op zichzelf genomen—d.i. afgezien van de stof van lichaam en bol—eigenschap van het rechte op zichzelf. Zoo kan de ziel, ook niet gescheiden van het lichaam, toch eigenschappen op zich zelf hebben. 

11 Zie 432 b 29 vlg. 

12 Inl. No. 4. 

13 De geheel bizondere eigenschappen van een enkel voorwerp, die niet als algemeenheden te behandelen zijn. 

14 Hierachter staat in de handschriften: „hij noemt de bolvormige vuur en ziel”, verkeerd uit een aan ’t volgende ontleende randaanteekening ingevoegd. In ’t volgende moet uit Cod. V „vuur” opgenomen worden. 

15 Hermotimus van Clazomenae (Metaph. 984 b 19). 

16 Moet zijn: buiten waarneming; bedwelmd door den slag. 

17 Zie beneden. 

18 D.i. de wereld als denkbaarheid, die „het overige”—dus de ziel ook—omvat. Zóó in de mondelinge voordrachten van Plato. 

19 Dit alles naar ’t laatste stadium van het Platonisme, waarin idee en getal vereenzelvigd werd en van het getal de eenheid en de onbepaalde 2(veelheid) de elementen zijn. 

20 Anaxagoras. 

21 Slaat misschien op ’t einde van p. 403b of eerder op de Physica (256 b 23 vlg.) 

22 D.i. vernietigd worden, volgens Philoponus. 

23 Plato Tim. p. 34 B enz. 

24 Oneigenlijke naamgeving duidt A. vaak aan door bijvoeging van het tegenwoordig deelwoord „καλούμενος” „genoemd wordend”. 

25 Beter zin krijgt men door voorvoeging der ontkenning (οὐ): „Het blijkt niet ook éénmaal mogelijk” (nl. hetzelfde te denken). 

26 Misschien worden de laatste twee zinnen, beter omgezet. 

27 Inl. 4. 

28 Slaat waarschijnlijk op den Eudemus, een verloren dialoog van Aristoteles (Zeller III p. 112 n. 3). 

29 Of: bewustzijn. 

30 Tegen Xenokrates’ bepaling van de ziel als een zelfbewegend getal voert A. aan:

1. het getal, als eenheid (monade) is ononderscheiden: de zielsmonade moet onderscheiding hebben van bewegen en bewogen worden.

2. Zielsmonade in het lichaam is als een punt: bij beweging alzoo dus lijn, vlak enz.

3. Getal verandert bij bewerking; ziel bij bewerking van het zielige niet steeds b.v. bij planten en lagere diersoorten.

4. De Demokritische molekels worden bewogen en hierin ligt niet haar verschil met monaden; die dus ook onderscheiden zouden moeten zijn.

5. Zijn lichaamspunten en monaden onderscheidden dan zullen toch steeds 1 punt en 1 monade samen zijn, dus twee (of dan ook wel eindeloos velen) op één plaats zijn.

6. Volgens X. zou alles bezield moeten zijn.

7. Scheiding van ziel en lichaam is volgens hem onbegrijpelijk. 

31 Uit 2 deelen aarde 2 water en 4 vuur. 

32 Liefde (φιλία) en Strijd (νεῖκος) zijn bij Empedokles de krachten die het Al (de Sphaira) vereenigen en scheiden. 

33 Elk van beide theorieën is gebrekkig en de beiden omvattende betreft niet alle ziel. 

34 Woorden van Plato (Phaedo 80 C). 

35 Inl. 9. 

36 Plato. Tim. 69 D

37 Beneden dezelfde zin bij de ziel als doel, waarbij de persoon voorop staat; hier de zaak: de eeuwigheid. 

38 Bestaan niet meer van Aristoteles. 

39 Slaat op het geschrift ‘Over worden en vergaan,’ 323b 18 vlg. 

40 Bij de afzonderlijke momenten der beweging. 

41 Ik lees ἐπιστήμη i. pl. v. den 4o. naamval. 

42 De zichtbaarheid is niet het wezen van het ding, noch kenmerk, noch grond van de definitie. 

43 De aether. 

44 Beneden: „dezelfde natuur is nu eens duisternis dan weer licht” (418 b 31). 

45 Lees καὶ ἅμα

46 Hiervoor zegt het grieksch: het scherpe en ’t zware. 

47 „Niet elk” moet ingelast worden (beneden 29). 

48 N.l. droog. 

49 nl. lucht en water. 

50 Zie „over worden en vergaan” II c. 2 en 3. 

51 Lees het lidwoord vóór συμφωνία

52 Ik lees ᾗ δὲ (ἕν) ἑνὶ καὶ ἅμα

53 Odyss. σ136 sq. „… als de dag, dien Zeus aanbrengt”. 

54 Lees: (ἡ φαντασία) αὐτή

55 Omtrent de grootte van de zon is voorstelling met meening in strijd. Waren zij identiek, dan zou men zijn ware meening [118]verloren moeten hebben of (voorstelling en) meening tegelijk waar en onwaar moeten zijn. Maar als ’t voorwerp ongemerkt verandert, dan wordt alleen de meening onwaar, niet de gewaarwording tevens. Voorstelling is dus niet vereeniging van gewaarwording en meening. 

56 Iets uitgelaten als onecht. 

57 Deze zin over de centraliteit van waarneming is defect vgl. 426 b 12 etc. Het volgende is onduidelijk. „Verhouding” (ἀνάλογον) staat voor overeenkomstigheid. 

58 Slaat op Plato. 

59 In de zoogen. Parva naturalia

60 Bij Plato. 

61 Lees: ἀνθέλκει, κελεύει δ’ ἡ ἐπιθυμία

62 Ingevoegd: ὅτε δὲ vóór ὥσπερ σφαῖρα vgl. 419 b 27. 

63 Lees ἔχῃ met enkele H S S. en Bekker. 

64 Vgl. 420 b 18–20.