[Inhoud]
De Directeur der Koloniale Vereeniging.

De Directeur der Koloniale Vereeniging.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE DIRECTEUR DER KOLONIALE VEREENIGING.

John Raffles hield een prospectus in de handen en sloeg met de vuist op het blad van zijn schrijftafel.

Charly Brand, die rookend bij den haard zat, sprong verschrikt op.

„Wat is er gebeurd?” vroeg hij.

„Daar is weer een ongehoorde boevenstreek uitgehaald”, stoof Lord Lister op, zenuwachtig in de kamer op en neer loopende.

„Ik begrijp je niet”, sprak de secretaris, terwijl hij zijn vriend met de oogen volgde.

„Lees dit prospectus. Het is een ellendige schurkenstreek. De directeur van een Belgische maatschappij schildert met de verleidelijkste kleuren de een of andere woestenij, die de Vereeniging in Afrika bezit.

Alles groeit daar, zonder dat het geld of moeite kost, men behoeft slechts vijftig pond te betalen om millionnair te worden. Niemand behoeft te werken, dat doen de zwartjes. Een vervloekte schurkentroep!

En er zullen weer honderden onnoozele arme drommels gevonden worden, die in Afrika millionnair denken te worden.”

Charly Brand had nu ook gelezen.

Ook op zijn gelaat vertoonde zich een uitdrukking van ergernis en mismoedigheid. Hij legde het blad papier voor Raffles neer en vroeg:

„Geloof je werkelijk, dat er menschen gevonden zullen worden, die 50 pond sterling aan die kerels in Brussel zullen betalen voor een stuk land, dat zij niet kennen?”

„Och kom”, antwoordde Raffles, „vertel den menschen vandaag, dat zij voor een dollar in veertien dagen door een speculatie op de Beurs twintig dollar zullen verdienen, adverteer dat met vette letters en de post zal je wagenvrachten postwissels van een dollar in huis bezorgen.

Je kunt in ’t geheel niet gelooven, hoeveel domme menschen er bestaan, die vlug en zonder moeite rijk willen worden, als zij er maar niet voor behoeven te werken.

De hemel is echter in dit opzicht rechtvaardig en laat deze lieden als straf voor hun vermetelheid, om zonder te werken geld te willen verdienen, de paar guldens verliezen, die zij misschien met veel moeite bijeengespaard hebben.

Geef mij alsjeblieft eens de kaart van Afrika uit mijn boekenkast.”

Charly Brand haalde het gewenschte te voorschijn en legde de opgevouwen kaart voor zijn vriend op de schrijftafel neer. [2]

Raffles spreidde de kaart uit en bestudeerde ze eenige minuten vol attentie.

Daarop nam hij een blauw potlood en maakte een streep om een stuk land aan de Westkust van Afrika, hetzelfde, dat was aangeduid op het prospectus van de Koloniale Vereeniging en dat zich uitstrekte tot dicht bij de grenzen van de Duitsche koloniën.

„Elke Afrikaan weet, dat deze landstreken tot de onvruchtbaarste gedeelten der wereld behooren”, sprak Raffles. „Rotsachtige, harde bodem, afgewisseld door woestenijen of zoogenaamd „Veld”, dat zijn uitgestrektheden onvruchtbaar, dor land, waarop niets anders groeit dan een soort gras, dat hard en stekelig is.

Muildieren en kameelen kunnen het ternauwernood eten.

Water is er in ’t geheel niet. Het moet ver uit het binnenland naar de kuststreek worden overgebracht.

Ik voel er veel voor, om met deze oplichters in onderhandeling te treden. Ik zal den directeur der Koloniale Vereeniging in Brussel een bezoek gaan brengen.”

Hij nam een blad papier en schreef het volgende telegram:

Directeur der Koloniale Vereeniging Van Meyendorp, Brussel.

Bericht, wanneer ik u in Brussel kan spreken.

A. WEBSTER.

London, Fultonstreet 14.”

„Bezorg dit telegram, beste Charly.”

De secretaris nam het blad papier op en maakte zich gereed om naar het telegraafkantoor te gaan.

„Wat doe je vanavond?” vroeg hij zijn vriend, toen hij reeds in de deuropening stond.

Raffles dacht eenige oogenblikken na, daarop nam hij een courant op en keek de lijst der openbare vermakelijkheden door.

Aandachtig bestudeerde hij de verschillende aankondigingen en sprak:

„Ik zal een bezoek gaan brengen aan de Royal Club en ga nu gauw het telegram bezorgen.

Misschien komt het antwoord nog voordat wij uitgaan.”

Twee uur later kwam het antwoord werkelijk. Het luidde:

Mr. Webster, Londen.

Reis dadelijk hierheen, breng koopsom mee, daar zeer sterke navraag.”

All right!” sprak de Groote Onbekende lachend, „wij zullen nog hedenavond met de boot van elf uur naar Calais varen, zoodat wij morgen in den voormiddag in Brussel zijn.” — —

De Koloniale Vereeniging te Brussel bezat een groot, uit zandsteen opgetrokken gebouw, bij welks hoofdingang twee vergulde olifanten in natuurlijke grootte de wacht hielden als een paar reuzenbewakers.

Het was tegen den middag van den volgenden dag, toen John Raffles en Charly Brand, in eenvoudige kleeren gestoken, het gebouw binnentraden.

Beiden zagen er uit als lieden uit den kleinen burgerstand.

Zij moesten bijna een uur wachten, voordat een rijk gegaloneerd bediende hen door een reeks kantoorlokalen naar den directeur der Vereeniging bracht.

John Raffles nam den man met een snellen, scherpen blik op, toen hij het kostbaar ingerichte vertrek binnentrad.

Hij zag voor zich een klein, gezet persoon met slappe, maar brutale gelaatstrekken, wiens dikke lippen zinnelijkheid verrieden. De groote haviksneus daarentegen getuigde van wilskracht en een eigenaardige trek om den mond duidde sluwheid aan.

Door een gouden bril keek de president naar de binnentredenden met halfgesloten oogen.

Een welwillend glimlachje speelde om zijn mond. Met een beschermende handbeweging begroette hij de beide heeren, wees op twee stoelen naast zijn schrijftafel en sprak:

„Treedt nader mijn lieve vrienden en neemt plaats.”

John Raffles lachte in stilte om den zalvenden toon, welken de directeur aansloeg.

„Gij komt waarschijnlijk,” vervolgde hij, „inzake onze nieuwe kolonie en gij wenscht zeker mee te doen aan de uitbreiding der cultuur aldaar. Een hoogstaand en grootsch werk, mijn beste vrienden, dat gij voorstaat.

Er is niets schooners, dan de zegen der cultuur onder de onbeschaafde zwarten te verbreiden.

Dit werk der menschlievendheid, dat gij steunt, loont zichzelf op prachtige wijze. Elk pond sterling, dat gij besteedt voor dit doeleinde, vermenigvuldigt zich en brengt u honderden procenten winst op.

De hemel zegent zijn zendelingen!”

„Amen,” sprak John Raffles tot zichzelf en luid voegde hij er bij:

„Sta mij toe, dat ook ik een paar woorden spreek.” [3]

„Gaarne, mijn vriend.”

„Fijne vriendschap,” dacht Charly Brand, „als de vent eens wist, met wien hij te doen heeft. Ik ben nieuwsgierig, hoe die twee het samen zullen klaarspelen.”

„Zoudt gij mij uw verdere voorwaarden willen meedeelen?” klonk het opnieuw uit Lord Lister’s mond.

„Die zijn heel eenvoudig,” antwoordde de directeur. „Wij verkoopen u een morgen land in onze kolonie, de plek kunt gij zelf uitkiezen, voor vijftig pond sterling. Het is een belachelijk lage prijs voor dezen maagdelijken bodem.

Hoeveel morgen land wenscht gij, mijn waarde vriend?”

„Voorloopig tien morgen.”

„Hebt gij het geld bij u, dan kunt gij in mijn bureaux dadelijk het verkoopcontract laten opmaken.”

„Ik kan u dadelijk betalen.”

„De zegen van den Allerhoogste leidt uw schreden. Ik houd veel van menschen zooals gij zijt, die een kort besluit nemen en zoodoende het geluk, dat zich voordoet, vasthouden. De hemel zegene u!”

„En jou moge hij bijstaan!” dacht Charly Brand in stilte.

„Welke zijn de verbindingsmiddelen naar deze kolonie, ik bedoel: hoe en langs welken weg kan ik er komen?” vroeg John Raffles.

„Zeer eenvoudig,” antwoordde de directeur der koloniale vereeniging. „Elke veertien dagen zenden wij vanuit Amsterdam met onzen agent op onze eigen stoombooten de kolonisten naar Afrika en wel op onze eigen kosten.

Alle mogelijke werktuigen, die gij voor den landbouw noodig hebt, ook het vee, dat gij wenscht aan te schaffen, kunt gij bij ons agentschap in Kilambayo, zoo heet onze havenplaats aan de Afrikaansche kust, voor billijke prijzen koopen.”

„Zeer goed,” antwoordde Raffles, „want ik heb mijn hoofd al gebroken met de vraag, op welke wijze ik voor mijn boerderij het benoodigde materiaal naar Afrika zou kunnen overbrengen.”

„Wij zorgen op alle mogelijke manieren voor onze kolonisten en gij krijgt alles van ons: vrije overtocht, vrije kost en het land bijna voor niets. Ik zorg als een vader voor onze kolonisten. Niets ontbreekt hun.”

„Behalve alles!” dacht Charly Brand.

„Ik verzoek u,” sprak Raffles nu, „mij een bewijs te willen geven, dat ik recht heb op tien morgen land en dan ben ik bereid om u vijfhonderd pond sterling te betalen.”

De directeur drukte op den ivoren knop van een electrische bel. Een zijner beambten kwam binnen en bleef met een buiging bij de deur staan.

„Mijn allerbeste secretaris”, sprak de directeur der vereeniging op vaderlijken toon, „hier zijn twee jonge, hoopvolle, dappere en door den zegen des hemels begunstigde nieuwe vrienden van onze kolonie.

Deze eene heer wenscht tien morgen land te koopen. Maak als ’t u belieft, het stuk van den verkoop in orde en bezorg het overige.”

Hierop vervolgde hij, zich tot John Raffles wendende:

„Ziet gij, mijn waarde vriend, twintig jaar geleden begon ik mijn loopbaan als arm zendeling in Afrika.

In dit wonderland schenkt de hemel zijn allerbesten zegen aan de armsten zijner kinderen. Gij ziet, tot welke invloedrijke en machtige betrekking ik mij heb opgewerkt.

Ga ook daarheen en breng het even ver als ik.”

Hij stak Raffles zijn met ringen beladen, vleezige hand toe en zag er uit, alsof hij, evenals de paus, een handkus verwachtte.

Daarop verlieten de nieuwbakken kolonisten de werkkamer van den directeur der koloniale vereeniging.

Toen de groote onbekende een uur later in zijn hotel aankwam, belde hij haastig den kellner en riep dezen toe:

„Whisky en sodawater! Zoo snel als je kunt!”

Nadat de zwartgerokte het gewenschte gebracht had, goot John Raffles, geheel tegen zijn gewoonte in, een glas van den scherpen drank naar binnen, waarna hij Charly Brand de flesch voor hetzelfde doel toeschoof.

„Oef!” zuchtte hij, „deze man is de eerste in mijn leven die op mijn zenuwen heeft gewerkt. Zooveel hemelsche zegen kan er eenvoudig niet bestaan, als waarmee deze kerel om zich heen gooit. Ik zeg je, Charly, die man moet de gemeenste schurk zijn die erop de wereld rondloopt.

Ik ben alleen maar nieuwsgierig, welke dingen wij in Kilambayo zullen beleven.”

„Het zal ons aan niets ontbreken,” lachte de secretaris, terwijl hij de stem van den directeur der koloniale vereeniging nabootste.

„De hemel zal ons zijn allerbesten zegen schenken en ——”

„Breekijzers en verstand,” viel Raffles hem in de rede, „zullen ons naar Afrika vergezellen.

„Geef mij nog een whisky!” [4]