Veertien dagen later traden Raffles en Charly Brand in Amsterdam bij den agent der Belgische koloniale vereeniging binnen, gereed om naar Afrika af te reizen.
Zij werden naar een houten loods geleid, die in den tuin van het gebouw stond.
Hierin bevonden zich reeds verscheiden gezinnen en alleen reizende kolonisten, in het geheel ongeveer veertig personen, die allen den hemelschen zegen deelachtig moesten worden. Zij wachtten reeds twee dagen op het vertrek van de stoomboot.
De agent had hen hier in deze loods, waar het verbazend vuil was, onder dak gebracht.
Op onzindelijke bundels stroo, opeengeperst als een kist Kieler sprot, zelfs zonder de geslachten afzonderlijk te houden, huisden de kolonisten hier.
De agent vertelde, dat de boot eerst den volgenden dag zou vertrekken en bood ook Raffles hier onderdak aan.
„Wij zijn steeds ijverig bezig om voor het welzijn onzer kolonisten te zorgen,” sprak de agent. „Gij behoeft voor het verblijf in deze loods slechts een gulden te betalen, terwijl men in het minste hotel nog het dubbele van dat bedrag eischt.”
„Ik dank u zeer voor uw bemoeiingen, waar het mijn persoon betreft,” antwoordde de groote onbekende.
„Ik ben gewend om mij tegenover iedereen erkentelijk te betuigen, die mij van goeden raad dient en daarom ben ik zoo vrij om u voor de brutaliteit waarmee gij mij een varkensstal voor een gulden als verblijfplaats aanbiedt, den hemelschen zegen voor u in te roepen.”
Voordat de agent wist, wat er met hem gebeurde, had Raffles hem een oorvijg gegeven en zonder zich verder te bekommeren over het verbaasde gelaat van den ander, verliet hij het bureau.
Den volgenden dag om twee uur lag de stoomboot voor het vertrek gereed.
„Een zielverkooper,” fluisterde de Lord tot zijn vriend, toen zij het oude vaartuig bestegen.
„Men zou bang zijn, aan boord van dit wrak het kanaal over te steken, hoeveel te erger is dus een reis naar Afrika. Maar ter wille van het goede doel zullen wij het kalmpjes wagen en ons aan deze halfvergane planken toevertrouwen.”
De agent had uit woede over de oorvijg den kapitein en de bemanning tegen Raffles in het harnas gejaagd.
Het ellendigste verblijf op het schip, een waar rattenhol, werd hun beiden als zoogenaamde hut aangewezen.
Lord Lister keek met een spottend glimlachje in het hok rond en amuseerde zich om Charly Brand die mompelde:
„Zeg, ik wil nog liever elken dag in Londen ruzie hebben en vechten met inspecteur Baxter en door hem worden nagezeten, dan in deze armzalige menschenval naar Afrika te varen.”
„Er zal je niets anders overblijven dan de vaart mee te maken, want de boot is al op weg,” lachte zijn vriend, terwijl zij zich samen naar het dek begaven.
De kust was reeds uit het gezicht verdwenen en de boot bevond zich in volle zee. Nauwelijks was het tweetal eenige oogenblikken boven of de etensbel luidde.
In een laag, onzindelijk vertrek zaten de kolonisten aan houten tafels, waarop kommen stonden en beproefden een slecht riekend, vloeibaar gerecht, dat hun door de matrozen werd gebracht, naar binnen te werken.
Toen een matroos Raffles een dergelijke kom aanbood, sprak deze:
„Hoor eens, boy, hier is vijf shilling, die je kunt verdienen, als je mij het genoegen doet, in mijn plaats deze portie soep op te eten.”
„De matroos wist niet, wat hij zou antwoorden. De [5]vijf shilling had hij o, zoo graag gehad, maar de inhoud van de blikken kom.…!”
„Neen, mijnheer,” antwoordde hij na eenige minuten, terwijl hij zich achter het oor krabde, „voor vijf shilling kunt gij dat niet verlangen. Aan dat eten bederf ik voor twee dagen mijn maag.”
„Mooi,” sprak Raffles, „ik houd van een eerlijk antwoord. Hier heb je de vijf shilling en ga nu heen om den kapitein het bocht, dat hierin is, over zijn hoofd leeg te gieten.”
„Mijnheer,” fluisterde de matroos, angstig rondkijkende, „laat de baas u maar niet hooren, hij zou u aan een ketting leggen!”
Raffles lachte en ging naar de kajuit, waar de manschappen hun middagmaal genoten.
„Hier ruikt het fatsoenlijker,” sprak hij tot Charly Brand, die hongerig de lucht van het een of andere gebraad opsnoof.
„Gebraden varkensvleesch!” riep Raffles lachend uit. „Kom, nu gaan wij ook eens kijken, wat de heeren officieren eten.”
Hij ging met zijn vriend verder naar de kleinere eetzaal, waar aan de kapiteinstafel eenige van de beambten der Maatschappij zaten, die door den hofmeester werden bediend.
De kapitein en de officieren keken vol verbazing naar Raffles en Charly Brand, die zonder te vragen aan de tafel plaats namen.
„Eten!” beval Raffles kortaf.
„Voor den duivel!” brulde de kapitein, „je vreten staat beneden, maak dat ge wegkomt!”
John Raffles stond op, ging naar den spreker toe, keek hem met doordringende blikken aan en sprak:
„Gij vergist u, heer kapitein! Want uw matrozen zelf zijn niet in staat, om, zelfs voor vijf shilling, dat „vreten” naar binnen te werken. Zij wagen er hun maag niet aan.
„Ik verlang van u, dat gij mij en mijn reisgezellen spijzen zult laten voorzetten, die geschikt zijn om gegeten te worden door menschen en niet door honden!
„Mocht gij dat niet willen doen dan hebt gij de gevolgen af te wachten.”
De kapitein keek den vermetelen spreker met groote oogen aan.
Iets dergelijks was hem nog niet overkomen.
„Vervloekt!” brulde hij, „wat valt u in, om mij hier aan boord van mijn schip de wetten te willen voorschrijven? Hier ben ik heer en meester en ik beveel, wat gegeten wordt.”
„Gij vergist u,” antwoordde Raffles, „gij kunt uw matrozen en officieren bevelen geven, maar niet ons, passagiers.
„Gij hebt gehoord, welke eischen ik stel en ik verwacht uw antwoord binnen een uur.
„Willigt gij mijn verzoek niet in, dan zal ik uw gedrag aan den eersten Engelschen consul rapporteeren.”
De bedreiging met den Engelschen consul maakte indruk.
Tot dusverre waren als kolonisten slechts Polen, Russen of Duitschers vervoerd, Engelschen waren nog niet naar de kolonie verhuisd.
John Raffles en Charly Brand waren de eerste onderdanen van het Britsche Rijk, die de kapitein naar het andere werelddeel moest overbrengen en hij begreep, dat deze twee hem in moeilijkheden zouden kunnen brengen.
„Het is goed”, mompelde hij, „ik zal opdracht geven aan den hofmeester, dat voor u en uw vriend andere spijzen worden opgediend.”
„Neen,” antwoordde Raffles, „niet alleen voor mij en mijn vriend, maar ook voor mijn reisgenooten. Denk daaraan!
„Verder neem ik aan, dat gij van de maatschappij niet meer dan een vast bedrag ontvangt voor het voedsel der landverhuizers, zoodat gij niet in staat zijt, daarvan mij en mijn lotgenooten een betere tafel te geven en daarom ben ik bereid, honderd pond sterling bij u te deponeeren. Ik geloof wel, dat dit bedrag voldoende is om alle onkosten te bestrijden.”
Dit aanbod van Raffles snoerde den kapitein volkomen den mond.
Geld was ook in dit geval de sleutel, die alle deuren opent.
„Is het eten dan werkelijk zoo slecht?” vroeg de kapitein nu op zeer beleefden toon.
„Overtuig er u zelf van.”
De kapitein liet door een der matrozen een schaal met het door Raffles afgekeurde eten brengen. Toen dit voor hem op tafel stond, sprak Raffles:
„Ik wed om twee flesch champagne, dat gij mij niet kunt vertellen, waaruit die soep bestaat.
„Het kunnen evengoed afgekookte zeilen zijn of houtspaanders of schoenzolen. Blijkbaar bevinden zich de gezamenlijke overblijfselen van de haringen, die de bemanning misschien gisteren heeft gegeten, als heerlijke aanvulling in de soep.
„Misschien zijn gekookte haringkoppen een bijzondere lekkernij in België?” [6]
De kapitein riep een matroos toe:
„Breng den kok bij mij!”
Toen deze verscheen, nam de kapitein de schaal soep op, goot den inhoud over het hoofd van den kok en schreeuwde:
„Vervloekte hond, je schijnt het geld, dat men je geeft om levensmiddelen in te koopen, voor jezelf te gebruiken. Ga dadelijk naar de keuken terug en maak voor de passagiers gebraden varkensvleesch, aardappelen en pruimen gereed. En wee, als ik nog een enkele klacht hoor!”
De kok, die volmaakt onschuldig was, durfde geen antwoord geven en ging heen.
John Raffles echter legde glimlachend tien banknoten van tien pond voor den kapitein neer, welke deze met een grijnslach in zijn broekzak liet verdwijnen.
Vanaf dat oogenblik was alles in de beste orde.
De medereizigers van den grooten onbekende vermoedden niet, dat de persoon, die een wijziging had gebracht in de keukenvoorschriften—en wel tot algemeene tevredenheid—niemand anders was dan John Raffles.
De welwillendheid van den kapitein ging nog verder.
Hij had een dekhut voor Raffles en Charly Brand laten inrichten en beiden waren tevreden. Zij voelden zich zeer behaaglijk, behalve het bewustzijn, zich aan boord van een zoogenaamden „zielenverkooper” te bevinden, die als een volgezogen spons elk oogenblik met man en muis op den bodem der zee kon verdwijnen.
Maar het geluk diende hun, want het was gedurende de geheele reis goed weer. Na drie weken naderde de stoomboot in het vroege morgenuur de plaats van bestemming.
Gewapend met een verrekijker stond John Raffles op het dek en bestudeerde de kust, die als een door de zon verbrande, boomlooze gele streep in onafzienbare uitgestrektheid voor hem lag.
„Ik geef je honderd pond sterling,” sprak de groote onbekende tot Charly Brand, „als je mij daar ginds ergens een groen plekje kunt aanwijzen, waar, zooals de directeur van de koloniale vereeniging in zijn prospectus beweert, tienmaal per jaar wordt geoogst.”
Voordat zij aan land gingen, kwam de kapitein, met wien Raffles gedurende de reis nader bevriend was geworden en die in zijn hart een wel is waar ruwe, maar toch goedhartige zeeman was, naar hem toe en klopte hem op den schouder.
„Wilt gij werkelijk aan land gaan, mr. Webster?”
„Ja zeker, kapitein, waarom niet? Ik ben blij, dat ik het oude wrak kan verlaten.”
„Daar hebt gij gelijk in”, antwoordde de kapitein. „De oude kast is voor mij ook geen al te prettig verblijf!
„Maar als gij vierentwintig uur aan land zijt, aan deze kust, die door God en de menschen is verlaten, dan zult gij hartelijk blij zijn, als gij uw voeten weer aan boord kunt zetten van dezen teringachtigen romp, om Afrika weer den rug toe te draaien.”
„Ik wil het toch probeeren”, antwoordde Raffles, „de bodem kan toch niet overal in een dergelijken toestand zijn als hier aan de kust.”
De kapitein lachte even.
„Het is de tiende reis, die ik nu maak en telkenmale bracht ik een vijftigtal kolonisten naar deze havenplaats.
„Geen enkelen heb ik tot dusverre teruggezien. De duivel mag weten, wat er van hen geworden is.”
„Wij zullen elkaar terugzien!” antwoordde Raffles.
„Ik wensch u het beste, sir. En luister naar een goeden raad: volg niet de beambten der maatschappij, die met ons mee zijn gekomen. Dat zijn letterlijk doodgravers!”
Des middags betraden de Groote Onbekende en zijn vriend den Afrikaanschen bodem.
De havenplaats Kilambayo bestond uit eenige barakken met zinken golfbedekking en een dozijn vuile, verwaarloosde negerhutten.
John Raffles richtte zijn schreden naar een der eerste, waarop de particuliere vlag van de koloniale vereeniging was geheschen en boven welks deur het opschrift prijkte:
„Hotel de Directeur der Koloniale Vereeniging”.
Daaronder bevond zich een klein schild, dat nog vermeldde:
„Deftig verblijf voor alle reizigers”.
Het meubilair van dit „deftige verblijf” was gemaakt van tonnen en ledige kisten en een dikke, oude negerin, de eigenares van het hotel, begroette Raffles op vertrouwelijke wijze, terwijl zij hem dadelijk een groot glas brandewijn als welkomstdronk aanbood.
De groote onbekende bedankte evenwel met beleefde woorden voor den drank en vroeg, of hij een kamer kon krijgen voor zich zelf en zijn vriend.
Een dergelijke vraag scheen de eigenares van het hotel nog nooit te hebben gehoord. [7]
Toen Raffles zijn woorden herhaalde, antwoordde zij met een vriendelijk glimlachje:
„O, mijnheer, wij slapen allen bij elkaar.”
„Heel netjes,” lachte Raffles, die pleizier begon te krijgen in het geval. „Wijs mij dan maar eens waar men kan slapen.”
„Heel eenvoudig”, grijnslachte de oude negerin, „ik heb hangmatten, worden deze opgehangen aan haken en mijnheer slapen als God in Frankrijk.”
Deze verklaring stelde Raffles volkomen tevreden.
„Kosten vijf gulden per dag,” voegde de negerin er nog aan toe.
Nu moesten Raffles en Charly Brand hartelijk lachen.
Voor dezen zelfden prijs hadden zij steeds in een Londensch hotel een kamer, naar de eischen des tijds ingericht, met badkamer gehad.
Vanuit het „hotel” begaf Raffles zich naar den agent der Maatschappij.
Maar deze was door de beide beambten van de Vereeniging die met de stoomboot waren meegekomen, omtrent de twee Engelschen ingelicht en Raffles vond hem dus niet.
Alleen een kleurling, de zoon van een blanke en van een negerin, die in dienst was van de vereeniging, vroeg Raffles, wat deze wenschte.
„Ik wilde landbouwwerktuigen en vee koopen. Men vertelde mij in Brussel, dat ik dit hier allemaal zou kunnen krijgen.”
De kleurling staarde Raffles aan, alsof deze krankzinnig was.
Hij had in zijn geheele leven nog nimmer van landbouwwerktuigen of vee hooren spreken, dat hier te koop zou zijn.
Hieruit bleek dus al dadelijk, dat de directeur der maatschappij met den zegen des hemels in zijn mond schandelijk had gelogen.
Raffles dacht na, wat hem nu te doen stond.
Bijna twee uur lang zat hij stil en peinzend aan het strand naar de branding te kijken.
Op eenigen afstand van hem waren kolonisten druk bezig, van kisten en dekens een zeer primitief nachtverblijf in elkaar te zetten.
De vrouwen en kinderen, die mee waren gekomen naar het vreemde werelddeel, jammerden en klaagden en zelfs de mannen zagen in, dat zij in een wanhopigen toestand verkeerden.
De agenten hadden getracht, hen gerust te stellen en verteld, dat zij den volgenden dag verder het land in gebracht zouden worden.
In een land, vanwaar nog geen enkele kolonist, zooals de kapitein had gezegd, was teruggekomen!
Tegen den avond gelukte het Raffles eindelijk, den agent der Vereeniging, een ouden, doorloopend beschonken Portugees, te spreken te krijgen.
Met veel moeite kon hij zich tegenover den stomdronken kerel verstaanbaar maken en een paard van hem koopen.
Den volgenden dag begaf Raffles zich in het kamp der kolonisten, riep de ongelukkigen bijeen en sprak tot hen:
„Ik hoop, dat gij allen hebt begrepen, te zijn overgeleverd aan het noodlot. Een wisse ondergang wacht ons, want de Maatschappij heeft ons op schandelijke wijze bedrogen.
„Pas op twee dagreizen afstands van hier bevindt zich land, dat voor bebouwing geschikt is, doch dat noch aan ons, noch aan eenigen Europeaan toebehoort.
„Mocht gij u daarheen begeven, dan zouden wilde volkeren u vermoorden.
„Luistert dus naar mijn voorstel.
„Ik koop het land, dat gij meendet te bezitten, van u en neem eenige mannen als arbeiders met mij mede. Deze moeten mij gedurende een paar dagen op een onderzoekingstocht vergezellen en later breng ik u allen naar Europa terug.”
De ongelukkigen wisten niet, op welke wijze zij uiting zouden geven aan hun vreugde.
Charly Brand echter meende dezen keer werkelijk, dat zijn vriend krankzinnig was.
„Maar wat wil je hier in deze door God verlaten streek uitvoeren? Je hebt immers zelf van den kapitein gehoord en van de oude negerin in het hotel, dat, zoover de kolonie zich uitstrekt, niets te vinden is als steenen en zand.”
Lord Lister lachte en antwoordde niet.
Den volgenden morgen begaf hij zich in Zuidelijke richting op weg met een kleine karavaan van kolonisten en vergezeld door gehuwde negers, die water en eetwaren droegen.
Twee dagen lang bleef hij, tot groote verbazing der beambten van de kolonie, met zijn kleine karavaan weg uit Kilambayo.
Hetgeen hij vond, was precies zooals hij het zich had gedacht.
Een brandend heete steenbodem en woest land, dat [8]was de vruchtbare grond, die door den directeur der Koloniale Vereeniging zoozeer was opgehemeld.
Men moest ver naar het binnenland om, geheel afgesloten en zonder een enkele verbinding met de kust, land te vinden, dat voor den akkerbouw geschikt was.
Dit grondgebied behoorde echter niet aan de kolonie.
Wilde negerstammen waren de eigenaren ervan en door hun bijlen en zwaarden waren de kolonisten, die tot dusverre steeds door de beambten der Vereeniging daarheen waren gebracht, vermoord.
De gewetenlooze schurken deelden dan de eigendommen en bezittingen der arme slachtoffers met de opperhoofden der negers, aan wie zij de Europeanen hadden overgeleverd.
Raffles vond op zijn onderzoekingstocht de beenderen van de vermoorden in het zand liggen.
Drie dagen later maakte het stoomschip zich gereed voor de terugreis naar Europa, nadat eerst eenige goederen, ivoor en gummi, waren ingeladen en de noodige kolenvoorraad was opgedaan.
Kort voor de afreis kwam Raffles aan boord en sprak:
„Kapitein, ik neem passage voor mij en mijn vriend tot aan de eerste Spaansche havenplaats.”
De kapitein was oprecht verheugd.
„Ik ben blij, dat gij verstandig zijt geworden. Waarlijk, het zou mij ook hebben verbaasd, als gij zoo dom waart geweest om in deze zandwoestijn te blijven.”
De kolonisten, die genoeg geld hadden, nu zij hun land aan Raffles hadden verkocht, wilden eveneens met de stoomboot terugreizen.
Maar de kapitein, die niet genoeg proviand aan boord had, moest hun verzoek weigeren en Raffles beloofde hun, een Engelsch stoomschip te zullen zenden.
Raffles was van de geheele strook land langs de kust tot aan de grens van Duitsch-Zuid-West-Afrika, door aankoop van de landverhuizers, eigenaar geworden en had overal kleine bordjes laten plaatsen met zijn naam.
Hij merkte zeer goed de hoonende gezichten van de beambten, toen zij zagen, dat hij bezit nam van het land. Zij amuseerden zich nog meer, toen Raffles hun vertelde, dat hij in Spanje vee en landbouwwerktuigen wilde gaan koopen.
„Waarschijnlijk”, zoo spotten zij, „wil die gekke Engelschman zijn vee met steenen voeden en het droge zand gaan ploegen.
„De man heeft het „spleen”, het is hem door de warmte in de hersens geslagen—”
Veertien dagen later landde Raffles in Spanje en nam afscheid van den kapitein.
Hij vermoedde niet, dat hij noch hem, noch een enkele plank van het schip zou terugzien.
Een storm op de Noordzee deed een week later de stoomboot der kolonie met man en muis vergaan.
Raffles dacht er echter niet aan, om in Spanje vee en landbouwbenoodigdheden te koopen. Met de eerst-vertrekkende Engelsche passagiersboot voer hij naar Southampton en een week later kwam hij weer in Engeland terug.
Charly Brand dacht, dat hiermede de reis naar Afrika was afgedaan.
Maar hoe verbaasd was hij, toen zijn vriend, nauwelijks aan land zijnde, tot hem sprak:
„Over een week hoop ik naar Kilambayo terug te keeren.”
„Dan alsjeblieft zonder mij”, antwoordde Charly Brand,
„Dat laat ik aan jezelf over”, lachte Raffles, „maar ik geloof, dat je door niet mee te gaan, een groot genoegen zoudt missen.”
„Mooi genoegen!” dacht Charly Brand. [9]