[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

CHARLY BRAND GEVANGEN GENOMEN.

Charly Brand kwam terug met de mededeeling, dat eerst over drie dagen een stoomschip uit Engeland naar Afrika vertrok.

Zij moesten dus wachten.

De groote onbekende benutte den tijd, die nog overbleef voor het vertrek om groote inkoopen te doen van levensmiddelen en andere zaken, die hij in Kilambayo niet kon krijgen.

„Wil je werkelijk voor langen tijd in Afrika blijven?” vroeg Charly Brand.

„Het kan zijn,” antwoordde John Raffles, „ik kan nu nog niet zeggen, hoe lang mijn zaken mijn oponthoud daar zullen vorderen.”

Gedurende dit gesprek bevonden Raffles en zijn vriend zich op een wandeling en liepen tegen twee uur in den namiddag door de Fultonstreet.

Charly Brand wou juist de opmerking maken, dat het zeer onvoorzichtig van hem was, zich overdag zoo openlijk in Londen te vertoonen, toen Raffles plotseling in een portiek sprong van een groot warenhuis, waar zij juist langs liepen, zonder zich den tijd te gunnen, zijn vriend een verklaring te geven van zijn handelwijze.

Charly Brand zou deze verklaring zeer spoedig vernemen.

Twee oudachtige heeren, die Raffles blijkbaar reeds had gezien, voordat zij hem hadden ontdekt, traden op hem toe.

Het waren de inspecteur van politie Baxter en detective Marholm van Scotland Yard.

Goddam!” riep de inspecteur van politie Baxter uit, toen hij opeens Charly Brand voor zich zag staan. „Wanneer ik mij niet heel sterk vergis, dan staat hier voor ons de bondgenoot van onzen langgezochten Raffles!”

„Zonder twijfel!” sprak detective Marholm, „hij is het. Maar helaas hij alleen!”

Charly Brand overlegde bij zichzelf, of de detectives hem nog den tijd zouden laten, in een cab te springen en weg te rijden, toen inspecteur Baxter reeds naar hem toesnelde, hem een revolver op de borst zette en uitriep:

„Gij zijt onze gevangene!”

De secretaris was zoodanig geschrokken, dat hij geen poging deed om te ontvluchten, noch trachtte weerstand te bieden. Hij zag trouwens wel in, dat dit vruchteloos zou zijn.

Zonder eenige moeite leidde de inspecteur van politie Baxter hem naar een cab en wilde hem samen met: detective Marholm naar Scotland Yard brengen.

John Raffles had van uit het Warenhuis gezien, hoe alles zich had toegedragen.

Nauwelijks waren inspecteur Baxter en detective [17]Marholm met Charly Brand weggereden, toen hij in een tweede cab volgde.

Hij moest zich overtuigen, waar de detectives zijn vriend naar toe brachten.

Hoe verbaasd was hij echter, toen het rijtuig voor het politiebureau in de Fultonstreet stilhield en politie-inspecteur Baxter met behulp van detective Marholm den geboeiden Charly Brand naar binnen bracht.

De kapitein had onderweg bedacht, dat voor een rit naar Scotland Yard te veel tijd noodig zou zijn, daar hij het voornemen had, in deze omgeving onderzoek te doen naar het verblijf van den grooten onbekende, want het sprak bijna vanzelf, dat ook Raffles zich in de buurt moest bevinden, waar zij Charly Brand hadden ontmoet.

Hij droeg daarom den gevangene over aan den daar aanwezigen commissaris, overtuigde zich op zijn horloge, dat het ongeveer drie uur was en sprak:

„Gij kunt den gevangene om zes uur met den gevangenwagen naar het hoofdbureau van politie brengen.”

Toen Baxter en detective Marholm weer in de Fultonstreet waren teruggekomen, was Raffles reeds lang in zijn cab verdwenen.

Beide detectives begonnen nu, terwijl ieder een kant van de straat voor zijn rekening nam, de voorbijgangers scherp op te nemen, daar zij hoopten, hier den grooten onbekende te zullen ontdekken.

Zij waren bijna een uur lang op deze manier bezig en begonnen al voor de vijfde maal de Fultonstreet af te loopen, toen detective Marholm in de nabijheid van het politiebureau zag, dat kapitein Baxter door een Ierschen matroos werd staande gehouden.

„Bij den heiligen Sint Patrick!” riep de zeerob, „jij ouwe dikbuik zult al je tanden verliezen!”

Op hetzelfde oogenblik kreeg de inspecteur van politie een stomp in zijn gelaat, die hem ruggelings op den grond deed tuimelen.

Direct was detective Marholm toegesneld om zijn chef te helpen.

Tegelijkertijd had hij zich echter te verdedigen tegen de vuistslagen van den matroos, want niettegenstaande nu dronkenschap bleek de aanvaller een behendig bokser te zijn.

Alle handigheid van detective Marholm en de hulp van verscheiden voorbijgangers en politie-agenten waren noodig om den zeerob te overmannen en naar het bureau te brengen.

Als een razende tierend en vloekend liet de matroos zich naar het lokaal der beambten van politie brengen.

„Bij den heiligen Sint Patrick!” schreeuwde hij, „raakt mij niet aan, of ik sla jelui, vervloekte Engelschen, al je ribben stuk!

Goddam! Is er dan geen zoon uit Ierland in de buurt, die een landsman te hulp kan komen?”

„Zwijg nu maar stil!” bulderde detective Marholm, „en slaap eerst je roes maar uit. Het zal je wel veertien dagen arrest kosten!”

Detective Marholm vertelde den commissaris waarom zij den matroos gearresteerd hadden en ging weer terug naar den inspecteur van politie, die in een restaurant op hem wachtte.

Op de wacht waren verscheiden politie-agenten van Iersche nationaliteit.

Ook de commissaris zelf was een Ier en toen detective Marholm het politiebureau had verlaten, sprak hij den matroos vriendelijk toe en gaf hem, in weerwil van de groote dronkenschap, waarin zich de zeerob bevond, nog een flesch brandewijn.

Met welbehagen begon de man te drinken.

Plotseling viel de flesch uit zijn handen, zijn hoofd viel zwaar neer op zijn borst en hij sliep in.

De beambten van politie legden hem op de bank in de wachtkamer, maar sloten hem niet verder op.

Tegen zes uur beproefden zij hem wakker te maken, daar de transportwagen voor de deur stilhield, die hem en de overige gevangenen naar het hoofdbureau van politie zou brengen, maar het gelukte niet, hem te doen ontwaken.

Twee politie-agenten moesten hem naar beneden dragen en in een hoek van den wagen neerleggen.

Ook hierdoor ontwaakte de arrestant niet uit zijn roes.

Hierop werden de andere gevangenen gebracht en ten slotte ook Charly Brand, die onder bijzondere voorzichtigheidsmaatregelen in een kleine cel van den wagen apart werd opgesloten.

Toen op die manier alles in orde was gemaakt, nam een der agenten van politie in den wagen plaats, sloot de deur van binnen af en het voertuig zette zich in beweging.

De gevangenwagen was nog slechts op korten afstand van het bureau van politie verwijderd toen de beschonken matroos zijn oogen opende.

Onmiddellijk sprong hij als een kat naar den agent toe en sloeg dezen, nog voor dat de man een wapen kon trekken, met een geweldigen vuistslag neer.

In het volgend oogenblik had de matroos den bewustelooze zijn sleutels afgenomen en opende hij de deur naar de cel van Charly Brand.

Dit alles speelde zich zoo bliksemsnel af, dat de [18]gevangenen, die het geheele voorval met open mond aanstaarden, nauwelijks konden begrijpen, wat er gebeurde.

Ze zagen alleen, hoe de matroos de deur van den gevangenwagen opende en met den geboeiden, maar bevrijden gevangene naar buiten sprong en in de donkere straat verdween.

Dit voorbeeld werkte aanstekelijk.

De een na den ander sloeg denzelfden weg in en de laatste was zoo beleefd, om de deur in het slot te gooien.

Toen eindelijk de gevangenwagen het binnenplein van Scotland Yard opreed en een groot aantal detectives uit het gebouw te voorschijn kwamen, waren deze zeer verbaasd, dat de wagen niet geopend werd.

Men opende met geweld de deur van den buitenkant.

Op den bodem van het voertuig lag nog steeds de bewustelooze politie-agent en voor de rest was geen enkele gevangene te ontdekken.

Inspecteur Baxter wachtte intusschen tevergeefs in zijn bureau.

Alles wat hij tot dusverre aan de gevangenneming van Charly Brand te danken had, was een gezwollen blauwe neus.

Hij schuimbekte van woede, toen detective Marholm hem schaterend van lachen het bericht bracht omtrent den ledigen celwagen.

„Daar begrijp ik niets van”, schreeuwde hij, „hoe is dat nu weer mogelijk?”

Heel eenvoudig,” antwoordde detective Marholm, „de beschonken matroos, aan wien gij uw dikken neus te danken hebt, was niemand anders dan onze wederzijdsche vriend John Raffles.

Wij hebben hem gevangen genomen, zonder te weten, met wien wij de eer hadden.”

„Vervloekt, dat zal mij eene les zijn!” schreeuwde de inspecteur, van politie.

„In hoeverre?” vroeg detective Marholm lachend, „denkt ge misschien, dat voortaan iedereen, die zoo vrij is met u te gaan boksen of u omver te loopen John Raffles is?

Ik ben bang, dat gij dan nog wel eens een enkel keertje een gek figuur zult slaan.”

Inspecteur van politie Baxter keek woedend voor zich, nam weer aan zijn schrijftafel plaats en bestudeerde met eene gewichtige houding zijne akten en papieren.

In stille zuchtte hij echter: „Dat ik dien man niet herkend heb!”

Detective Marholm verliet het bureau van zijn chef en amuseerde zich in zijn eentje om Raffles, die den inspecteur als souvenir een opgezetten neus had bezorgd.