[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

EENE VERGEEFSCHE LANDING.

Kort voordat Raffles van Southampton naar Afrika vertrok, verscheen nogmaals in de couranten dezelfde advertentie van de Koloniale vereeniging te Brussel, eene advertentie, die eene geheele pagina in beslag nam.

Met ongeveer dezelfde woorden, zooals het prospectus had bevat, dat Raffles indertijd had gelezen, werden in de advertentie de groote voordeelen en bijzondere aantrekkelijkheden der Afrikaansche Kolonie afgeschilderd.

De groote onbekende begaf zich naar het telegraafkantoor in de Oxford street, waar hij het volgende telegram verzond:

Directeur der Koloniale Vereeniging Van Meyendorp, Brussel. Wensch driehonderd morgen land te koopen. Kan ik die krijgen? Smitson, London, Oxfordstreet.

John Raffles betaalde het antwoord meteen, en, nadat hij een uur had gewacht, kreeg hij op het telegraafkantoor een bevestigend antwoord uit Brussel. [19]

„Dat had ik wel gedacht,” sprak hij tot zijn vriend, „zoodra die schurken in Brussel er van overtuigd zijn, dat van de vertrokken kolonisten niemand meer in leven is, verkoopen zij het land opnieuw.

Ik verheug er mij bijzonder op, met deze heeren prachtige zaken te doen.

Zij vermoeden niet, dat ik nog in het land der levenden ben.”

Na eene reis van drie weken landden Raffles en zijn getrouwe voor de tweede maal in Kilambayo.

Dat was eene vreugde voor de arme achtergebleven kolonisten, die reeds alle hoop hadden opgegeven uit hun ellendigen toestand verlost te zullen worden.

De Engelsche stoomboot, die de vrienden had gebracht, nam, behalve eenige jonge, sterke kolonisten, die door Raffles als arbeiders waren aangenomen, alle anderen mee naar Kaapstad.

De groote onbekende kwam met den kapitein van het koopvaardijschip overeen, dat deze op zijne terugreis, ongeveer acht dagen later, weer in Kilambayo zou landen.

Nadat het schip was afgevaren, toog Raffles aan den arbeid.

Het eerste wat hij deed, was een door hem meegebrachte, goed ingerichte tent en eene schuur voor de waren die hij had medegenomen, te laten opzetten.

Hij had zes kolonisten aangewezen om dat werk uit te voeren.

Twee paarden had hij uit Engeland meegebracht.

Intusschen was de vijfde dag zijner aanwezigheid in de kolonie aangebroken, toen Raffles op een avond tot Charly Brand sprak:

„Ik zal vannacht een onderzoekingstocht door het mij toebehoorende land ondernemen.”

Zijn secretaris keek hem verbaasd aan.

„Wil je hyena’s schieten of eenige uitgehongerde jakhalzen?”

„Dat nu juist niet!” lachte Raffles. „Ik wil menschen vangen en jij moet me helpen.”

Charly Brand begreep niets van dit antwoord. Het was hem bovendien een duistere zaak, wat Raffles gedurende de laatste weken in het schild voerde.

De maan scheen helder op hun rit en een stijve bries woei verfrisschend uit den oceaan.

Zwijgend reed Charly Brand naast Raffles over de mijlenverre woestenij.

John Raffles had aan zijn zadel een leeren zak bevestigd.

Toen ze ongeveer twee Engelsche mijlen van Kilambayo waren verwijderd, begon Raffles een melodie uit een bekende operette te fluiten en gaf zijn paard de sporen.

Af en toe greep de groote onbekende in de leeren zak en Charly Brand, die zijn vroolijk fluiten aanhoorde en hem iedere paar seconden een eigenaardige handbeweging zag uitvoeren schudde bedenkelijk het hoofd en begon zijn vriend nu voor werkelijk krankzinnig te beschouwen.

Nadat Raffles volle drie uur op deze zeldzame manier was bezig geweest, riep hij tot Charly Brand:

„Nu zullen wij naar huis terugkeeren!”

„Zou je mij niet eens willen uitleggen”, sprak deze, toen hij met zijn paard dicht naast Lord Lister reed, „wat je zonderlinge manier van doen eigenlijk beteekent?”

Raffles antwoordde glimlachend:

„Ik heb mijn velden verzorgd en als een goede landbouwer mijn zaadkorrels uitgestrooid.”

„Ik begrijp er niets van”, zuchtte Charly Brand. „Jij wordt langzamerhand voor mij een raadsel.”

De dag begon reeds aan te breken toen zij in de kolonie terug keerden. Raffles verdeelde nu zijn tijd zoodanig, dat hij overdag sliep en des nachts zijn geheimzinnige ritten herhaalde.

Charly Brand pijnigde zijn hersens, maar begreep niets van het doen en laten van zijn vriend.

Zoo onverklaarbaar had Raffles, volgens zijn overtuiging, nog nooit gehandeld, hoewel het toch reeds herhaaldelijk was voorgekomen, dat Charly geruimen tijd noodig had gehad om de bedoelingen van zijn vriend te begrijpen.

„Sir, een stoomboot nadert de haven!”

Met deze mededeeling wekte op zekeren dag de man, die de wacht hield, den grooten onbekende uit zijn rustigen slaap.

John Raffles verliet zijn rustplaats en keek eenigen tijd aandachtig door zijn verrekijker.

Weldra had hij onderscheiden, dat de stoomboot, die inderdaad de havenplaats naderde, een schip van de Koloniale Vereeniging was, daar het de vlag der vereeniging voerde.

„Hallo jongens!” riep Lister, „we krijgen gezelschap. Kom, wij zullen ons op alles voorbereid houden, Wie weet, wat deze boot ons brengt!”

Hij liet eenige kisten, die met geweren, revolvers en patronen waren gevuld, openen, wapende zijn mannen en sprak tot hen:

„Ik hoop, dat gij mij in alles, wat ik nu van u zal verlangen, zult gehoorzamen. Men zal wellicht beproeven [20]om mij hier van mijn eigen grond, dien ik heb gekocht, te verdrijven. Gij allen weet evengoed als ik, dat de Koloniale Vereeniging geen land meer hier aan de kust bezit en dat ik van u en van de weer vertrokken kolonisten het land heb gekocht.”

„Zeker, dat is waar,” antwoordden de arbeiders en uit hun oogen sprak oprechte verontwaardiging, toen zij zich herinnerden, op welke schandelijke wijze zij door de koloniale vereeniging bedrogen waren.

John Raffles liet aan een vlaggestok naast zijn tent de Engelsche vlag ophijschen.

Twee uur later was de stoomboot aangekomen en een honderdtal kolonisten, onder begeleiding van zes beambten, maakte zich gereed om den bodem van Kilambayo te betreden.

Hoe verbaasd waren allen, toen zij, die in het eerste roeibootje aan land werden gebracht, werden begroet door Raffles, aan het hoofd zijner gewapende manschappen, die hun toeriep:

„Wat wenscht gij? Zonder mijn voorkennis zet niemand hier een voet aan wal.”

„Wie zijt gij?” klonk het terug.

„De eigenaar van dit land. Ik zal elke poging om deze kust te betreden met de wapens in de hand verhinderen.”

John Raffles zag, hoe de beambten de hoofden bij elkaar staken en geheimzinnig samen fluisterden en na eenige minuten gaven zij bevel om het bootje naar het schip te laten terugkeeren.

Bijna een half uur verliep.

Toen vertrokken vier booten tegelijkertijd van het stoomschip, waarin Raffles gewapende matrozen zag zitten.

„Het komt er nu op aan, mannen,” riep hij zijn kameraden toe, „zij willen ons met geweld verdrijven. Laten wij ons verdekt opstellen. Zoodra ik het eerste schot heb gelost, moet ook gij mikken op de zijkanten der booten.”

Hij ging met zijn manschappen achter rotsblokken liggen, die zich op het strand bevonden, zoodat het voor de matrozen in de booten een onmogelijkheid was om hen te treffen.

Zoodra het Raffles voorkwam, dat de eerste boot dicht genoeg bij was gekomen, nam hij zijn geweer op, waaruit hij ontploffingsmateriaal kon schieten, mikte kalm en bedaard op den zijkant van het naderende bootje, onder de waterlinie, en vuurde.

Duidelijk kon Raffles volgen, hoe de kogel in de boot drong.

Het duurde slechts eenige seconden, of reeds moesten de matrozen in het bootje hun best doen om het binnendringende water uit te scheppen.

Een tweede schot van Raffles volgde, en nu moesten de matrozen in allerijl trachten hun leven te redden.

Hun kameraden kwamen hun ter hulp en konden nog juist, met inspanning van al hun krachten, de matrozen uit het snel zinkende bootje redden.

Haastig roeiden zij naar het stoomschip terug.

Zij gaven hun pogingen op, om met geweld aan land te komen.

Een luid „hoera!” van Raffles en zijn mannen weerklonk over het water, toen de matrozen aan boord terugklauterden.

Omdat het water hier zeer ondiep was, moest de stoomboot op een afstand van een halve Engelsche mijl van de kust verwijderd blijven.

Bijna een uur verliep, voordat opnieuw een boot werd uitgezonden, waarin Raffles, behalve twee matrozen, den kapitein van het schip en een beambte der koloniale vereeniging ontdekte, welke een witte vlag hadden geheschen.

„Zij komen nu om met ons te onderhandelen,” sprak Charly Brand.

Raffles liet de boot landen en ging, omringd door zijn lieden, de aankomenden tegemoet.

„Met welk recht”, zoo begon de kapitein, „ontvangt gij ons op vijandelijke wijze?”

De groote onbekende keek hem met trotsche blikken aan.

„Oplichters en bedriegers ontvangt men niet op fatsoenlijke manier.”

„In hoeverre hebben wij ons dat aan te trekken?” vroeg de kapitein.

„Wel,” antwoordde Raffles, „dat is heel eenvoudig, zou ik denken. Gij hebt daar aan boord een groot aantal kolonisten, die van de koloniale vereeniging land hebben gekocht.”

„En ik zou denken, dat dit iets is, waar gij niets mee te maken hebt. Het verkoopen van grondgebied is immers het doel der vereeniging?”

„Gij vergist u, kapitein, want de koloniale vereeniging heeft hier geen land in eigendom.

Zooals ik u met mijn officieele stukken kan bewijzen, ben ik eigenaar van al het land en ik verbied ieder, die niet mijn particuliere toestemming heeft, hier een voet aan wal te zetten.”

De kapitein wendde zich tot den beambte der vereeniging, die met een verlegen lachje naar het gesprek had staan luisteren: [21]

„Wat hebt gij hierop te antwoorden?” vroeg de kapitein.

„Die heer vergist zich.”

„Ik zal u bewijzen, dat dit niet het geval is!” riep Raffles uit. „Ik kan mij onmogelijk vergissen, want ik ben in het bezit van de gezegelde en onderteekende koopcontracten, betrekking hebbende op dezen grond.

Maar uw vereeniging bestaat uit bedriegers en oplichters.

Zij verkoopen deze kolonie zoo dikwijls als zij kunnen.

Tot dusverre ben ik de eerste kolonist, die noch door honger of dorst is omgekomen, noch door de negers werd omgebracht.

Maar nu keert gij naar huis terug. Vertel uw directeur, dat hij, die een kuil graaft voor anderen, er dikwijls zelf invalt. Zeg hem, dat ik meer dan tevreden ben over den goedkoopen aankoop van deze kolonie, want— —” Raffles zweeg even en haalde met glimlachend gelaat een klein katoenen zakje te voorschijn, „ik zal u iets meegeven voor uw directeur.”

Hij opende het zakje en nam er eenige kleine, bruine steentjes uit, die als ongezuiverde suikerkorrels in de zon glinsterden.

Eén daarvan gaf Raffles aan den kapitein en vroeg:

„Weet gij, wat dat is?”

„Neen,” antwoordde de ander in gespannen aandacht.

Hartelijk lachend vervolgde de groote onbekende:

„Die zaadjes groeien op mijn landerijen. Zoover als gij kunt kijken in zuidelijke richting, is de grond als bezaaid met deze steentjes. Men behoeft er niet eens naar te graven, zij liggen dadelijk aan de oppervlakte.”

De kapitein bekeek het steentje in zijn hand en wist niet, wat hij er mee moest beginnen. De beambte der vereeniging echter, die lang in Zuid-Afrika had gewoond, keek ernaar met schitterende oogen, waarin hebzucht te lezen stond.

Raffles zag dit alles en amuseerde zich kostelijk.

Daarop nam hij een tweede steentje, zoo groot als een erwt, uit zijn linnen zakje en, terwijl hij het aan den beambte gaf, sprak hij:

„Ik schenk u ook een dergelijk souvenir, bewaar het goed. Als gij het aan uw directeur laat zien, zing dan eens voor hem:

„Behüt’ dich Gott, es wär’ zu schön gewesen,

„Behüt’ dich Gott, hast mein nicht sollen sein!”1

„Wat beteekenen die steentjes nu eigenlijk? Ik begrijp er nog niet veel van, om u de waarheid te zeggen!” sprak de kapitein tot den beambte.

„Een diamant!” fluisterde deze, en een koude rilling van zenuwachtigheid liep langs zijn rug.

„Jawel, het zijn diamanten,” herhaalde de groote onbekende, „en ik hoop binnen eenige weken zooveel gevonden te hebben, dat wij inderdaad dat zijn, wat gij in uw blufferig prospectus hebt betiteld met het woord: millionnairs.”

In groote opgewondenheid keerden de beambten met den kapitein aan boord van de stoomboot terug.

Charly Brand echter stond tegenover Raffles in diens tent en wist niet, wat het onbedaarlijke lachen van zijn vriend beteekende. Het duurde meerdere minuten voordat Lord Lister zijn lachbui in zooverre meester was, dat hij zijn zilveren sigarenkoker te voorschijn kon halen en, zich behaaglijk neervlijende, de blauwe, geurige rookwolkjes om zich kon blazen.

Op het stoomschip werd intusschen door de aanwezige beambten der maatschappij een beraadslaging gehouden. Nadat zij het groote nieuws hadden vernomen, hadden zij met algemeene stemmen besloten dadelijk naar België terug te keeren, teneinde met den directeur der Koloniale Vereeniging de zaak te bespreken. [22]


1

„Dat God u behoede, het zou te schoon zijn geweest,

Dat God u behoede, gij hebt mijn eigendom niet mogen zijn!”