[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE BESPREKING.

De directeur der Koloniale Vereeniging, de heer Van Meyendorp, bevond zich in een toestand van zenuwachtige opgewondenheid over de berichten, die de kapitein en de teruggekeerde beambten hem uit Afrika hadden gebracht.

Onmiddellijk riep hij een algemeene vergadering zijner bestuursleden bijeen, om te overleggen, wat in zake deze buitengewone gebeurtenis moest geschieden.

O, hij kon zichzelf wel met de vuist tegen het voorhoofd slaan, als hij over den loop van het gebeurde nadacht!

Hij voelde den bodem onder zijn voeten wankelen, als hij overwoog, dat hij den grond, die millioenen waard bleek te zijn, voor zoo weinig geld had verkocht.

Steeds weer opnieuw onderzocht hij de twee diamanten, die de beambte en de kapitein hem hadden overgebracht.

Hij liet een der voornaamste diamanthandelaren uit Brussel bij zich komen.

Henri Villard heette de man.

Zorgvuldig en behoedzaam opende de directeur der Koloniale Vereeniging het cartonnen doosje, waar de beide onooglijke, bruine steentjes in lagen en gaf ze den deskundige in handen.

Met gespannen aandacht keek hij naar het gelaat van den kenner, terwijl deze de steenen onderzocht met een loupe.

Het duurde eenige minuten, voordat deze antwoordde:

„Heer directeur, deze beide steenen blijken mij na nauwkeurig onderzoek, zonder eenigen twijfel, diamanten van zuiver gehalte!”

Dikke zweetdroppels verschenen op het voorhoofd van den directeur en met zijn zijden zakdoek veegde hij eerst eenige keeren over zijn vuurrood gelaat, voordat hij kon vragen:

„Vergist gij u niet?”

„Vergissing is ten eenenmale onmogelijk. Ik ben zeer gaarne bereid om de steenen te koopen,” luidde het antwoord.

Weer haalde de directeur zijn zakdoek te voorschijn, verkoelde hiermee zijn verhitte wangen en sprak met heesche stem:

„Dus werkelijk diamanten!”

Hij keek bij deze woorden den diamanthandelaar aan, alsof hij door een groot onheil was getroffen en deze verbaasde zich uitermate over de vreemde houding van den directeur.

„Mag ik vragen, heer Van Meyendorp, vanwaar deze diamanten komen?”

„Zeker,” antwoordde de ander, „zij zijn gevonden in onze Afrikaansche kolonie.”

In het volgende oogenblik had hij reeds berouw over deze mededeeling; het was een groote onvoorzichtigheid van hem geweest.

Niemand, behalve de vereeniging zelf, moest iets van deze vondst weten.

De oogen van den diamanthandelaar schitterden, hij reikte den directeur de hand en sprak op opgewonden toon:

„Sta mij toe, dat ik u van harte geluk wensch met deze waardevolle gebeurtenis. Dat zal een opschudding te weeg brengen in de diamantwereld!”

„Zwijg! Zwijg!” riep de directeur der Koloniale Vereeniging uit, terwijl hij een smeekende handbeweging maakte. „Niemand mag nog iets van de zaak weten! Eerst moet het feit werkelijk zijn vastgesteld en moeten wij er ons persoonlijk van hebben overtuigd, van hoe groote waarde het gevondene is, dat aan een onzer beambten in de kolonie is te beurt gevallen.”

„Dat zal niet lang een geheim kunnen blijven”, antwoordde de juwelier, „waar deze steenen gevonden zijn, daar zijn er veel meer!”

„Meent gij dat inderdaad?”

„Ongetwijfeld! Ik wil u gaarne een raad geven, die voor u van groot belang zal zijn, mits gij mij in de winst wilt laten deelen.”

„Later, later!”

„Dan zou het wel eens te laat kunnen zijn, mijnheer Van Meyendorp!” [23]

„Spreek dan!”

„Geef mij het monopolie van den aankoop der steenen van uw vereeniging, dan wil ik met u de helft van de winst bij verkoop deelen.”

De directeur der Koloniale Vereeniging glimlachte, het was het sluwe lachje van een vos.

De diamanthandelaar begreep de bedoeling ervan en sprak:

„Gij denkt misschien, dat ik mijzelf wil bevoordeelen, ten koste van u. Neen, dat is in ’t geheel niet het geval. Gij zoudt van geen enkelen diamanthandelaar een hoogeren marktprijs per karaat krijgen, dan wat ik u betaal en niemand zou de steenen voor u slijpen.”

„Waarom niet?”

Nu gleed over het gelaat van den handelaar in juweelen de sluwe lach van een vos.

„Hebt gij wel eens gehoord van den Engelschen diamantkoning Sullivan en diens diamant-trust?”

„Neen.”

„Nu dan. Die trust koopt of liever bezit het volledige materiaal aan ruwe steenen. De trust bepaalt de prijzen en beheerscht de markt.

Zoodra die diamant-trust iets zal vernemen omtrent de nieuw-ontdekte velden, zal hij met alle middelen, welke hem ten dienste staan, beproeven, de steenen, of beter gezegd de mijnen, in zijn bezit te krijgen, opdat geen concurrent den prijs zal kunnen vaststellen.”

„Ik begrijp u”, antwoordde de directeur der Koloniale Vereeniging, „gij wilt met mij te zamen concurreeren tegen den trust.”

„Juist, mijnheer.”

„Goed, wij zullen dat samen in orde maken. Nu moet gij mij echter verontschuldigen. Ik hoor, dat in de bestuurskamer de heeren reeds op mij wachten.

Wij spreken elkaar morgen wel nader.”

Hij nam afscheid van den diamanthandelaar en begaf zich naar het aangrenzende vertrek.

De zaal was schitterend verlicht, hoewel het nog dag was.

Alle ramen waren goed gesloten en met zware gordijnen behangen.

Het maakte den indruk, alsof het daglicht geen getuige mocht zijn van de geheime besprekingen, welke gehouden werden door de leden van de Koloniale Vereeniging, die daar hadden plaats genomen aan de met groen laken bekleede tafel.

Met de ernstige deftigheid, die hij had overgehouden uit den tijd, toen hij nog zendeling was, kwam de directeur der Koloniale Vereeniging de zaal binnen en begroette de verzamelde, in vollen getale verschenen medeleden met een zalvend lachje.

Daarop nam hij plaats op den presidentszetel aan het hoofd van de tafel.

Een bediende in rijke livrei plaatste een zwaren, zilveren, drie-armigen kandelaar met brandende kaarsen voor den president en legde een groote portefeuille van bruin leer voor hem op het groene laken.

„Zorg ervoor”, sprak de directeur der vereeniging tot den bediende, „dat niemand, wie het ook mocht zijn, in de nabijheid komt van de gesloten deur van onze vergaderzaal!”

De bediende maakte een diepe, eerbiedige buiging en ging heen.

De heeren, die den raad van toezicht vormden, de aandeelhouders en de onderdirecteuren der Koloniale Vereeniging, die allen hier aanwezig waren, wachtten vol aandacht op de dingen, die komen zouden.

Te oordeelen naar het bevel, dat de voorzitter daar juist aan den bediende had gegeven, moest er zeker iets buitengewoons te behandelen zijn.

Nu liet de voorzitter een zilveren bel weerklinken.

Een algemeene, spannende stilte ontstond.

Ieder was vol groote belangstelling.

De directeur der vereeniging stond met bijzondere plechtigheid uit zijn zetel op, maakte een buiging voor de aanwezigen en sprak:

„Hooggeachte heeren, leden van den raad van toezicht, heeren aandeelhouders. Ik heb u voor een buitengewone vergadering bijeen moeten roepen.

Het verheugt mij en ik ben er u dankbaar voor, dat gij allen in zoo grooten getale zijt verschenen.

Als een herder, die zijn trouwe kudde om zich heen heeft verzameld, zoo sta ik hier voor u en als een trouwe herder zal ik u den hemelschen zegen mededeelen, die mij is geopenbaard.”

Hij nam het voor hem staande kleine kartonnen doosje en hield dat eenige oogenblikken in de hoogte.

Met een zoetsappigen glimlach, de oogen opgeslagen naar den hemel, vervolgde hij:

„De hemel moge geven, dat de inhoud van deze kleine papieren doos ons tot vorsten der aarde maakt!”

De aanwezigen wisten niet, of de directeur der Koloniale Vereeniging op dat oogenblik krankzinnig of dronken was.

Hier en daar fluisterde men elkaar zijn opmerkingen daaromtrent in het oor.

Wat kon dat doosje bevatten?

Een bestraffende blik van den directeur trof hen, [24]die zoo oneerbiedig waren om te durven fluisteren.

En de directeur vervolgde op denzelfden lijmerigen, zoetsappigen toon:

„Ik verzoek den geachten aanwezigen, door geen enkele profane uitlating dit gewichtige, onvergetelijke oogenblik te willen ontheiligen. Waarlijk, deze vergadering zal met gulden letters gegrift kunnen worden in de geschiedenis onzer schoone vereeniging.

En het vaderland zal met ons onschatbare voordeelen van dit uur genieten.

Het vaderland zal onze namen vereeuwigen en wij allen zullen voortaan mannen van beteekenis zijn voor den bloei van het ons zoo dierbare vaderland!

Hooge eereteekenen en ridderorden zullen onze borst versieren, de wereld zal zich vol eerbied voor onze macht buigen.

Staat allen op, mijne heeren, en luistert staande naar dat, wat ik u nu mede te deelen heb.”

Als één man stonden alle aanwezigen op.

Niemand van hen waagde het, een opmerking te maken.

De nieuwsgierigheid had haar toppunt bereikt.

Al die heeren met hun vette, weldoorvoede gezichten, met glimmende kale schedels of gepommadeerde haren, zware, gouden horlogekettingen en breede ringen met fonkelende steenen, allen wachtten nu bijna bewegenloos en in groote spanning op de openbaring, die zij van den directeur zouden vernemen.

Met plechtig handgebaar nam deze het deksel van het cartonnen doosje af.

Alle halzen werden zoo ver mogelijk uitgerekt.

Met de punten zijner vingers haalde de directeur een bruin, glinsterend steentje eruit te voorschijn en hield dat dicht bij de brandende kaarsen.

Niemand begreep, wat dit moest beteekenen.

Een geheimzinnige glimlach trok over het gelaat van den directeur en op een toon, alsof hij een gebed uitsprak, vervolgde hij:

„Gij, mijn lieve vrienden, buigt uwe hoofden neer in het stof en heft uw handen dankend op naar den hemel.

Heft allen tezamen een lofzang aan, want de hemel heeft een groote weldaad aan ons bewezen.

De hemel heeft ons meer dan mild gezegend!

Ziet, mijn lieve vrienden, deze kostbaarheid is in onze kolonie gevonden. Een deskundige heeft mij reeds bevestigd, dus ik deel het u hierbij mede als een onomstootelijke waarheid: Het is een diamant!”

De directeur der Koloniale Vereeniging zweeg.

Niets werd in het vertrek vernomen dan de zware, hijgende ademhaling der aandeelhouders.

Het duizelde hun en met hun geestesoog zagen zij fabelachtige schatten voor zich.

Het onooglijke bruine steentje veranderde in een schitterenden diamant, ter grootte van een kanonskogel.

De groene tafel werd een reusachtige gouden staaf en hun vingers woelden in de onmetelijke schatten, die hen allen tot meer dan millionnairs zouden maken. Bergen gouds werden voor hun oogen opgestapeld. Zelfs de wonderbare sprookjes uit de Duizend-en-een Nacht verloren hun beteekenis, vergeleken bij hun toekomstbeelden.

Plotseling gaf één der heeren aan zijn bijna bovenmenschelijke opwinding lucht door het uiten van een onverstaanbaren kreet.

Dit was het teeken tot een algemeen vreugdegeschreeuw.

De ter vergadering samengekomenen liepen en sprongen, met hun handen en armen gesticuleerend, als waanzinnigen door elkaar heen.

„Diamanten! Diamanten!” riepen zij elkaar toe.

Als razenden schreeuwden, dansten en lachten zij.

Zij waren aangegrepen door een waren dorst naar goud.

Zelfs de directeur, die zooeven vol zalvende plechtigheid en ernst voor hen had gestaan, had zijn waardige houding vergeten.

Hij was op een stoel geklommen, zwaaide onophoudelijk met zijn bel en schreeuwde:

„Lang leve onze vereeniging. Hoera! Hoera voor de diamanten! De diamanten!”

Daarop tilden twee leden van de commissie van toezicht hem van den stoel en droegen hem zoo lang in galop door de zaal, totdat zij alle drie uitgeput en naar adem hijgend op den grond neervielen.

Bijna een kwartier duurde het, eer de diamantkoorts uit de verhitte hersenen week en de rust in zooverre weer intrad, dat de directeur der vereeniging weer aan het woord kon komen.

Ieder bekeek nu aandachtig de beide steentjes; als een bende waanzinnigen verdrongen zij zich om den directeur.

De voorzitter der vergadering moest de kleine, bruine, op kiezelsteentjes gelijkende bewijsstukken beschermen tegen de begeerig ernaar uitgestrekte handen.

Het kostte den directeur ontzettend veel moeite om [25]weer stilte te krijgen en toen hem dit eindelijk was gelukt, vervolgde hij zijn rede:

„Geliefde vrienden! Gij ziet, dat ik u niet te veel heb beloofd.”

„Neen! neen!” viel men hem in de rede.

„En laat ons er nu eens over nadenken, op welke wijze wij het geluk, dat zich aan ons voordoet, kunnen vasthouden. Het land, waarop deze steenen zijn gevonden, is verkocht!”

Een drukkende stilte volgde op deze mededeeling.

Daarop stond consul Thibaud, de eerste onderdirecteur, van zijn stoel op en sprak:

„Wij hebben den grond der kolonie reeds veertien maal verkocht. Telkenmale zijn de kolonisten gestorven en luidens de overeenkomst verviel de grond dan weer aan onze vereeniging.

Zijn de kolonisten, die wij dezen keer naar Afrika hebben gezonden, nog in leven?”

De directeur der vereeniging vouwde de handen over zijn buik, zette een bedroefd gezicht, alsof hij plotseling kiespijn had gekregen en antwoordde:

„Helaas, ja!”

„Allen?”

„Allen! En zelfs nog eenige kolonisten van onze voorlaatste expeditie!”

Een luid „vervloekt!” en andere zegewenschen weerklonken uit de monden van deze achtenswaardige heeren.

„Maar hoe is dat mogelijk?” vroeg de eerste onderdirecteur weer, „hebben onze agenten zoo slecht hun plicht gedaan en het kolonievee niet verder de binnenlanden ingedreven?”

„Helaas, neen!”

„Zijn deze kerels nog in onzen dienst?” vroeg een der aandeelhouders.

„Dadelijk naar de hel jagen!” schreeuwde een ander.

„Zij zijn dood,” antwoordde de directeur der vereeniging. „Gij herinnert u wel, welk vreeselijk ongeluk kapitein Möller een maand geleden in de Noordzee overkwam, toen hij op de terugweg was uit Afrika?

Zij zijn dood en ons kostbaar schip ligt op den bodem van den Oceaan. Een groote schadepost voor ons!”

„Nu ja,” mompelde een der aandeelhouders, „het schip was immers zeer hoog verzekerd, wij hebben daar goede zaakjes mee gemaakt.

Maar wat kunnen wij doen, welke middelen kunnen wij in het werk stellen om onzen grond weer in handen te krijgen?”

„Een negeropstand organiseeren!” riep de consul uit. „De zwarte bandieten kunnen dan de blanke honden doodslaan!”

„Ja, uitstekend! Een magnifique idée!” schreeuwden de aandeelhouders.

„Dat zal geen gemakkelijk werk zijn, mijn vrienden,” bracht de president in het midden. „Ik heb verontrustende tijdingen vernomen van onzen teruggekeerden agent en ook van kapitein Stolkenborg.

Een Engelschman, een zekere Webster uit Londen—ik herinner mij hem nog zeer goed; hij was persoonlijk bij mij, toen hij land bij ons kocht—heeft van de andere kolonisten het land gekocht en is nu alleen heer en bezitter van onze kolonie!”

„Naar den duivel met hem! Vervloekte Engelschman!” schreeuwden en raasden de aandeelhouders, terwijl zij hun vuisten schudden tegen den afwezigen grondeigenaar. Moordlust was in hun oogen te lezen.

„Onze agenten hebben reeds beproefd, met gewapende matrozen in Kilambayo te landen. Maar de Engelschman belette hun aan land te komen en verbood hun, nu of ooit een voet op zijn bodem te zetten.”

„Wat!” schreeuwde een der heeren, „heeft men ooit van een dergelijke schandelijke brutaliteit gehoord? Is die kerel, die Engelschman, dan krankzinnig? Wat wil de schurk in onze kolonie?”

„Drommels!” riep een andere, „ik reis zelf desnoods naar Afrika en schiet den spitsboef, die ons den toegang tot onzen eigen grond verbiedt, neer!”

„Het is op het oogenblik ons eigendom niet!” sprak een onvoorzichtige aandeelhouder, met welke woorden hij zich een storm van verontwaardiging op den hals haalde.

Maar met al hun ruzie maken en vloeken kwamen zij niet veel verder.

Zij trokken als geketende slaven tevergeefs aan hun boeien.

Zij moesten wel inzien, dat zij inderdaad niet meer de eigenaren waren van de kolonie en dat mr. Webster uit London door eerlijken aankoop zijn rechten kon laten gelden.

Zij sloegen nu tot een ander uiterste over en stelden zich aan als wanhopigen.

Maar hoe dan ook, er moest een uitweg gevonden worden.

De Engelschman mocht niet de eigenaar blijven van het kostbare stuk land.

Door geweld of door list—dat kwam er niet op aan—maar hij moest tot elken prijs verjaagd worden.

Eindelijk luidde de directeur der koloniale vereeniging [26]zijn voorzittersbel om zich stilte te verzekeren.

„Mijn lieve vrienden,” zoo begon hij weer, „ik heb er al ernstig over nagedacht en ik hoop, deze zaak tot ons aller tevredenheid in het reine te brengen.

Mijn plan is reeds opgemaakt.

Ik zal met den diamanthandelaar Villard, dien gij allen kent, en met de heeren der commissie van toezicht reeds morgen naar Afrika afreizen!”

„Wij gaan allen mee!” riepen de aandeelhouders.

De directeur antwoordde glimlachend:

„Uitstekend, mijn lieve vrienden, reist allen mee!”

„Bravo! Bravo!”

Opnieuw klonk de bel van den voorzitter.

„Wij zullen met den Engelschman in onderhandeling treden betreffende het terugkoopen der kolonie en door Villard en nog twee deskundigen op dit gebied uit Amsterdam de plaatsen laten onderzoeken, waar de steenen gevonden zijn.”

„Ik ben eveneens bereid om als deskundige op te treden,” sprak een der aandeelhouders, die van beroep professor in de geologie was.

„Aangenomen,” antwoordde de spreker, „onze deskundigen moeten natuurlijk in ons eigen belang het werkelijke resultaat van hun onderzoek alleen aan ons mededeelen en moeten indien hun bevindingen gunstig luiden, den Engelschman een ongunstig rapport uitbrengen, opdat wij het land tegen lagen prijs kunnen terugkoopen.

Vindt dit plan uw instemming?”

Weer klonk een luid „Bravo!” uit den mond der aandeelhouders.

Allen verklaarden het plan van den directeur, uitstekend te vinden en met een „lang zal hij leven!” was de vergadering afgeloopen. [27]