Raffles had intusschen niet stilgezeten.
Met behulp zijner arbeiders en aangeworven negers had hij in Kilambayo een soort fort laten bouwen, dat er uitzag als een militaire vesting.
Hekken van planken, voorzien van stevig prikkeldraad, omgaven de wallen en een uit steenen opgetrokken huis met schietgaten bevond zich als een citadel in het midden.
Op dit gebouw wapperde aan een langen stok de vlag der Engelsche natie.
Van een voorbijvarend koopvaardijschip, dat aan de reede versch drinkwater en vruchten aan boord had genomen, was Raffles in het bezit gekomen van twee stukken scheepsgeschut.
Deze had hij op het platte dak van de citadel achter de borstwering geplaatst.
Dreigend hielden de twee kanonnen hun vuurmondingen naar de haven gericht.
„Als ik er nu lust in had,” sprak John Raffles glimlachend tot Charly Brand, „dan zou ik mij, naar het voorbeeld van den keizer der Sahara, kunnen kronen tot koning van Kilambayo.
„Maar ik wil dit genoegen gaarne gunnen aan den directeur der koloniale vereeniging.”
„Ik begrijp niet, wat je hier wilt beginnen,” antwoordde de aangesprokene, „er heerscht hier een tropische hitte, waarbij een fatsoenlijk mensch het nauwelijks uit kan houden en het is hier zoo vervelend, dat men er bijna krankzinnig van zou worden.”
„Je hebt niet geheel ongelijk, mijn beste jongen,” lachte Raffles, „maar ik hoop, dat alles spoedig anders zal worden. Vooral ook, omdat mijn voorraad sigaretten weldra uitgeput zal zijn.
„Hoe jammer, dat inspecteur Baxter, onze vriend van Scotland Yard, niet hier is.
„Hij zou onze verveling zeer zeker spoedig verdrijven en de vermakelijkste kluchtspelen opvoeren.”
Het tweetal stond gedurende dit onderhoud op het dak der citadel en de groote onbekende bestudeerde door een verrekijker af en toe den horizon.
Aan de poort van het steenen gebouw werd juist de wacht afgelost. Raffles had militaire orde en tucht onder zijn manschappen ingevoerd en liet elken dag een troep van twintig man exerceeren buiten de vesting.
Al deze manschappen droegen dezelfde uniform van Engelsch kaki.
Zijn lieden zouden voor hem door een vuur zijn gegaan.
„Zie je iets op zee?” vroeg Charly Brand, toen hij bemerkte, dat zijn vriend den kijker niet van de oogen afhield.
Maar deze wenkte hem om te zwijgen.
Met groote aandacht bestudeerde hij den horizon.
Ook de secretaris keek nu met scherpe blikken over den Oceaan en na verscheiden minuten ontdekte hij daar, waar hemel en aarde elkaar schenen aan te raken, een dunne, smalle rookwolk.
Geen van hen beiden sprak nog een enkel woord.
Steeds grooter werd de rookwolk, steeds meer naderde het onbekende en eindelijk kon Charly Brand duidelijk onderscheiden, hoe de zwarte romp van een groot stoomschip als het ware uit den Oceaan opdook.
Het vaartuig zette blijkbaar regelrecht koers naar Kilambayo.
Reeds kon Charly met het bloote oog op het schip, dat zeer snel naderde, de Belgische vlag herkennen.
Op dat oogenblik legde Raffles zijn verrekijker neer en sprak op den bevelenden toon, dien hij jaren geleden had aangeslagen, toen hij als Engelsch officier dienst deed, tot zijn vriend:
„Laat alarm blazen! De Belgen, waarop ik reeds menige dagen wacht, zijn in aantocht!”
In afwachtende houding bleef Raffles op het platte dak der citadel staan.
Zijn slanke, aristocratische verschijning met de militaire houding gaf hem in dit oogenblik het uiterlijk van een bevelhebber, die, als de vijand met snellen pas nadert, met kalme onverschrokkenheid en stalen wilskracht in den blik, het gevaar onder de oogen [28]ziet en zijn manschappen door een enkel woord weet te bezielen.
Charly Brand had zich in allerijl naar beneden begeven.
Hij snelde naar het plein achter het gebouw en trad de loods binnen, waarin de manschappen verblijf hielden.
Een oogenblik later was in de vesting alles in rep en roer gebracht.
Een trompetter gaf het alarmsignaal, opdat de manschappen, die niet in het fort aanwezig waren, zoo spoedig mogelijk zouden kunnen komen.
Een klein kwartier later waren allen op hun post en de noodige maatregelen genomen.
Bij de kanonnen stonden de artilleristen, welke door Raffles uitstekend waren geoefend. Het geschut was geladen en zij hielden zich met de brandende lont in de hand, gereed om op een enkel bevel van Raffles te vuren.
Op de schansen patrouilleerden de posten en de poort, welke toegang gaf tot het fort en die uit dikke boomstammen was vervaardigd, was gesloten.
Raffles was nu in staat om door zijn verrekijker alle personen, die zich aan dek bevonden van het schip, dat nu aan de reede ankerde, te onderscheiden.
Duidelijk herkende hij de omvangrijke figuur van den directeur der koloniale vereeniging. Het gelaat van den man zag purperrood van opgewondenheid, hij gesticuleerde druk met zijn dikke handen en scheen op dat oogenblik wel de hoofdfiguur der groep te zijn.
Want om hem heen verdrongen zich de andere heeren, die bijna zonder uitzondering het uiterlijk hadden van echte parvenu’s, dikbuikige, bolwangige pseudo-aristocraten, zooals men ze, vooral in de groote steden der beschaafde wereld, bij massa’s aantreft.
De directeur der vereeniging was in levendig gesprek gewikkeld met den kapitein van het stoomschip en wees daarbij af en toe met uitgestrekten arm naar het fort.
„Zij hebben nog niet de beleefdheid gehad, ons met hun vlag te groeten,” sprak Raffles tot zijn mannen, „zendt hun een waarschuwing!”
„Ja, Sir!” lachten de artilleristen en een oogenblik daarna vloog een vuurstraal uit de zwarte monding van het eene stuk geschut en de dreigende, waarschuwende stem uit dien zoozeer gevreesden mond klonk maar al te duidelijk in de ooren van de heeren, die zich aan boord bevonden van het Belgische stoomschip.
Als in een mierennest, waar plotseling de rust wordt verstoord, zoo liepen de menschen op het dek der stoomboot nu door elkaar.
Schrik stond op hun trekken te lezen en Raffles lachte luidkeels, toen hij zag, dat de directeur der koloniale vereeniging een onmacht nabij was.
De kapitein van de stoomboot echter had het waarschuwende schot begrepen.
Onmiddellijk gaf hij een zijner officieren een bevel en tot groote voldoening van Raffles werd, volgens zeemansgebruik, de Belgische driekleur drie keer neergehaald.
Raffles beantwoordde dezen groet met de Engelsche vlag en daarop donderde een saluut van zes schoten over het water van den Oceaan.
De directeur der Koloniale Vereeniging dacht niet anders, toen de saluutschoten van het fort naar hen toe werden gezonden, of het stoomschip zou nu onherroepelijk in den grond worden geboord.
Hij zonk op de knieën en riep luidkeels om hulp.
De diamanthandelaar, die als deskundige de reis had meegemaakt en die vlak naast den directeur stond, bracht hem op de hoogte van de eigenlijke beteekenis der schoten, maar ondanks deze geruststellende woorden keek de directeur met angstige blikken naar het fort en al de overredingskracht der heeren aandeelhouders van de vereeniging was noodig om hem eindelijk te bewegen, plaats te nemen in een boot, die hem met de aandeelhouders en den kapitein aan land zou brengen.
Aan de kust werden zij opgewacht door Charly Brand.
Deze had zich gestoken in een officiersuniform en stond aan het hoofd van zes soldaten, die, als flinke militairen, hun geweer aan den schouder hielden.
In tamelijk gedrukte stemming, door de schijnbaar sterke militaire bezetting der kolonie, zetten de directeur en zijn aandeelhouders den voet aan land.
Nu bevonden zij zich voor den eersten keer in hun leven op den grond, dien zij in hun dorst naar goud hadden gedrenkt met het bloed van honderden arme slachtoffers.
„Wat wenscht gij in Kilambayo te komen doen?” vroeg Charly Brand op koelen toon.
„Zijt gij de commandant van deze plaats?” vroeg de directeur der Koloniale vereeniging.
„Neen,” antwoordde Charly Brand.
„Dan zou ik dien heer gaarne eens willen spreken.”
Charly Brand gaf een zijner manschappen een kort bevel en deze begaf zich naar het fort.
Korten tijd daarna werd de poort geopend en Raffles, [29]te paard gezeten, en gevolgd door een bereden trompetter, naderde de groep der heeren op het strand.
Dadelijk herkende de Belgische directeur in den kranigen ruiter den persoon, die hem in Brussel had bezocht en dien hij toen voor een eenvoudigen, welgestelden burgerman had gehouden.
Met uitgestrekte handen liep hij den commandant der vesting tegemoet, alsof hij daar een oud, bemind vriend aan zag komen, dien hij gaarne, na een jarenlange afwezigheid, aan de trouwe vriendenborst zou drukken.
Op zijn breed gelaat stond de innemendste glimlach te lezen, toen hij op zoetsappigen toon tot Raffles sprak:
„Welk een onuitsprekelijk genoegen is het voor mij, mijn lieve vriend, u in zoo goeden welstand in onze kolonie terug te zien! De zegen des hemels heeft u op uwe schreden vergezeld en de Voorzienigheid is uwe pogingen tot welslagen gunstig geweest.”
Een ironische glimlach verscheen op het gelaat van Lord Lister, maar hij bedwong deze en vroeg uit de hoogte:
„En wat komt gij nu eigenlijk doen in mijn kolonie?”
„Wij hebben gewichtige dingen vernomen omtrent deze landstreek!
„Wij hebben gehoord, dat gij hier een vondst hebt gedaan van groote waarde en wij zijn hierheen gekomen om als kooplieden te zamen met u te beraadslagen en te onderhandelen.
„Eenige deskundigen zijn met ons mede gekomen en nu verzoeken wij u, ons te willen toestaan, de plaatsen, waar de steenen gevonden zijn, aan een nader onderzoek te mogen onderwerpen.”
„En welke bedoeling hebt gij met dit alles?”
„Mijn lieve Mr. Webster, ik zou u een voorstel willen doen dat zeer zeker ook in uw eigen belang is.
„Ik denk, dat gij ons, wanneer wij u een aannemelijken prijs betalen, het land wel weer zult willen terugverkoopen.”
„Goede hemel, wat een brutaliteit! Waar haalt de kerel den treurigen moed vandaan, om iets dergelijks te durven voorstellen!” dacht de kapitein van het stoomschip in stilte.
Hij verwachtte niet anders, of de commandant van het fort zou hen allen met elkaar naar hun schip terugjagen.
Maar tot zijn verbazing geschiedde dat niet.
Raffles dacht eenige oogenblikken na en sprak toen op vastberaden toon:
„Als het er op aankomt, komt het voor mij eigenlijk op hetzelfde neer, aan wien ik het land verkoop. Ik zelf heb geen lust om mij veel moeite te geven voor het afgraven van diamantvelden. Daarom heb ik reeds aan de Sullivan-Maatschappij in Londen geschreven.
„Het is u waarschijnlijk wel bekend, dat deze Maatschappij zich bij voorkeur belast met het aankoopen der ruwe diamant.
„Maar ik wil mijn diamantvelden niet geheel en al uit handen geven. Ik wensch na een bepaalde koopsom te hebben ontvangen, een aandeel blijven behouden in de opbrengst der velden.”
„Maar dat spreekt immers vanzelf, dat is uw volle recht,” grijnslachte de directeur der Koloniale Vereeniging, wiens zorgen door de woorden van Raffles grootendeels waren verdwenen.
„Allright!” antwoordde Raffles, „ik zal u naar mijn diamantvelden vergezellen.
„Ik maak er u echter opmerkzaam op, dat gij alle diamanten, die gij vindt, aan mij of mijn mannen moet afgeven.”
De oogen der omstanders glinsterden van hebzucht, toen zij uit Raffles’ mond het woord diamanten hoorden.
„Natuurlijk, dat beloven wij u,” antwoordde de directeur der koloniale vereeniging, „ik noch mijn vrienden zullen ons met uw eigendom verrijken. Ik behoef u hopelijk niet te verzekeren, dat gij met eerlijke menschen te doen hebt.”
„Met schurken!” dacht Raffles bij zich zelf en hij antwoordde:
„Ik mag de heeren zeker wel uitnoodigen om in het hotel „de directeur der koloniale vereeniging” een ontbijt met mij te gebruiken? Dat is het voornaamste hotel van deze havenplaats.”
De heeren namen met woorden van beleefden dank deze uitnoodiging aan.
Raffles ging hen voor en leidde hen naar het „hotel”, waar de oude, dikke negerin nog steeds den schepter zwaaide.
Met brutale ongepaste aardigheden werden zij door de halfbeschonken vrouw ontvangen en zij brulde als een wild beest, toen de directeur der koloniale vereeniging haar, bij haar pogingen om hem te omhelzen, op een flinke oorvijg trakteerde.
„Gij ziet wel, heeren,” lachte Raffles, „dat er in dit eerste-rangs hotel niets te eten of te drinken te krijgen is. Het eenige voordeel, dat het heeft, is, dat men van hier uit een uitstekende reisgelegenheid heeft naar alle richtingen. [30]
„En nu belet niets ons, om dadelijk weer heen te gaan. Laten wij ons dus naar de diamantvelden begeven.”
„Gij spreekt van velden,” sprak de Juwelier-deskundige, „hebt gij reeds opgravingen gedaan en zoo ja, hadt gij eenig resultaat?”
„Neen,” antwoordde Raffles, „opgravingen zijn hier niet eens noodig. Daar”,—hij wees met zijn hand naar de woestenij die in den brandenden zonnegloed voor hen lag,—„daar vindt men de diamanten in het zand liggen. Men kan ze zonder eenige moeite oprapen. Wij hebben reeds een rijken oogst binnengehaald.”
Vol belangstelling keken allen naar de brandend heete zandwoestijn.
„Dat is zeer merkwaardig”, sprak de juwelier en hij wendde zich tot den professor in de geologie, „kunt gij daarvan een verklaring geven, professor? Ik heb nooit van iets dergelijks gehoord!”
De geleerde rimpelde zijn voorhoofd op zeer gewichtige wijze, nam zijn gouden bril af, wreef de glazen totdat zij schitterden en blonken en kuchte eenige malen veelbeteekenend.
Met vragende blikken verwachtte men het antwoord van zijn lippen en eindelijk antwoordde hij op langzamen, gewichtigen toon:
„Ik kan er de volgende verklaring van geven:
„De diamanten, die daar in het zand werden gevonden, zijn door zware stormen met het zand van de plek, waar zij werkelijk te vinden zijn, hierheen gebracht.
„Het zal vóór alle andere dingen ons werk moeten zijn om te ontdekken, vanwaar zij zijn gekomen.”
Charly Brand had met open mond naar de woorden van den professor geluisterd.
Nu werd hem opeens alles duidelijk, nu begreep hij alle geheimzinnigheden van den laatsten tijd!
Hij wist nu, waarom Raffles eenige weken geleden elken nacht naar de woestenij was gereden, waarom hij schijnbaar geheel doelloos de dorre zandstreek had doorkruist en met steeds onveranderlijk, goed humeur vroolijke operettemelodieën had gefloten.
Daarom had zijn vriend dus in de strong-room van den heer Sullivan nauwelijks een blik overgehad voor de pracht der rijkgeslepen, fonkelende steenen en hadden alleen de grijsbruine, op kiezelsteenen gelijkende, ruwe diamanten hem geïnteresseerd.
Dat was de reden geweest, waarom Raffles zooveel haast had gemaakt om terug te keeren naar deze woeste, onherbergzame streek, die voor Charly Brand, met den minder scherpen blik in de toekomst, geen enkele bekoring had gehad.
O, hoeveel moeite kostte het Charly nu, om niet uit te barsten in een onbedaarlijk, hartelijk lachen, vooral toen hij een blik sloeg op den directeur van de koloniale vereeniging en diens nobele vrienden, die zich bijna den tijd niet gunden om adem te halen, bang als zij waren, dat zij de zoo veel belovende diamantvelden niet spoedig genoeg zouden bereiken.
Toen het gezelschap, door Raffles geleid, op de zandvelden was aangekomen, konden onze beide vrienden weldra genieten van een buitengewoon vermakelijk schouwspel.
De directeur der koloniale vereeniging en zijn aandeelhouders lagen op hun weldoorvoede buikjes om naar diamanten te zoeken.
Af en toe slaakte een hunner een kreet, ten teeken, dat hij een kostbaar edelgesteente had gevonden.
Het kostte den grooten onbekende en diens secretaris de grootste moeite om hun ernst te bewaren.
De Belgische heeren namen niet de minste notitie van de gloeiend heete stralen der zon of van den brandenden dorst, die zich van hen meester maakte.
Het was een andere dorst welke hen kwelde, de dorst naar rijkdom en grootheid, naar wereldsche pracht en genietingen en deze deed hen alles vergeten.
Het zweet liep hun in dikke droppels langs de verhitte wangen en langs het geheele lichaam.
Met koortsachtige opgewondenheid zochten zij en spoedig had elk van hen een handvol van de kostbare steenen bijeengezameld.
De diamanthandelaar, die als deskundige optrad, had zelfs bijzonder veel geluk.
Hij had een diamant gevonden, bijna zoo groot als een boon.
Toen men Raffles de gevonden steenen wilde overhandigen bedankte deze ervoor en bood ze den heeren aan als aandenken aan dezen dag.
„Ginds in de vesting liggen groote zakken vol,” sprak hij, „ik heb er meer dan genoeg.”
Met veelzeggende blikken keken de heeren elkaar aan.
Dit overtrof hun stoutste verwachtingen!
Daarop keerde het gezelschap naar Kilambayo terug en nu werd een begin gemaakt met de onderhandelingen.
Raffles eischte tien millioen francs, contant te betalen in geldswaardige papieren en bovendien de helft van de aandeelen der nieuw op te richten diamant-maatschappij. [31]
Na lange besprekingen en nadat de heeren hadden ingezien, dat Raffles, ondanks het minder gunstige rapport, dat de diamanthandelaar-deskundige uitbracht omtrent het gehalte van de gevonden steenen, niets van zijn eisch liet vallen, stelden zij Raffles in het bezit van een cheque op hun bank.
Raffles nam de cheque in ontvangst en sprak met de heeren af, dat, onmiddellijk nadat hij in het bezit zou zijn van het geld, hij het bewijs van verkoop aan hen zou ter hand stellen.
Voordat tot de terugreis werd overgegaan, gingen de aandeelhouders der koloniale vereeniging nogmaals op hun knieën in het droge zand liggen om naar de waardevolle kiezelsteentjes te zoeken en de professor maakte eenige momentopnamen van hen, om deze gewichtige gebeurtenis in hun leven aan de vergetelheid te ontrukken.
Eenige dagen later keerden Raffles, Charly Brand en zijn blanke manschappen naar Europa terug.
⁂
Het was drie weken later en de Groote Onbekende zat met zijn trouwen vriend in zijn behaaglijk ingerichte studeerkamer in Londen.
Met een genoeglijk lachje keek hij zijn secretaris aan, die, evenals hij, in een der gemakkelijke, wijde armstoelen had plaats genomen en in de pas uitgekomen tijdschriften zat te bladeren.
Raffles was bezig zijn vierde sigaret aan te steken, strekte zijn lange beenen daarna weer rechtuit en keek met een glans van voldoening en tevredenheid in zijn oogen naar de blauwe rookwolkjes, die om zijn hoofd zweefden.
Hij dacht aan de tien millioen francs, welke dienzelfden morgen aan hem waren uitbetaald en begon reeds plannen te maken, op welke wijze hij ze het best zou kunnen besteden om den nood en de armoede te lenigen, die hij in zooveel gedaanten had leeren kennen.
Daar klonk plotseling door het ruime, weelderig ingerichte studeervertrek een hartelijke schaterlach.
Lord Edward Lister keek naar zijn vriend en zag, hoe deze, niet in staat om een woord te spreken, met zijn vinger een plaatje in een der geïllustreerde tijdschriften aanwees.
Raffles stond op, liep naar Charly toe en keek over diens schouder heen naar de oorzaak van diens onbedaarlijk lachen.
En daar prijkte op het blad, dat voor Charly op een tafeltje lag, een afdruk van de photo, door den professor genomen in de diamantvelden van Kilambayo.
Het plaatje vertoonde met nog eenige andere heeren den directeur der koloniale vereeniging, op zijn buik liggend om diamanten te zoeken.
Ook Raffles schoot in een schaterlach en sprak tot Charly:
„Ik ben nieuwsgierig, wanneer zij den laatsten der diamanten, die ik heb weggegooid, eindelijk teruggevonden zullen hebben!”